Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BI0483

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
08-04-2009
Zaaknummer
AWB 07/573
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Navordering ter zake van opgevoerde brandstofkosten is terecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 07/573

Uitspraakdatum: 14 september 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost/kantoor Winterswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2000 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [00].H.07) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van € 22.413.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 december 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 22 januari 2007, ontvangen bij de rechtbank op 25 januari 2007, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2007 te Arnhem.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [gemachtigde].

2. Feiten

Eiser exploiteerde in 2000 een administratiekantoor in de vorm van een eenmanszaak. Hij heeft met de administratiewerkzaamheden in 2000 een omzet behaald van f 16.757 (€ 7.604). Eiser is daarnaast in 2000 begonnen met het verrichten van acquisitiewerkzaamheden voor de in Duitsland gevestigde opdrachtgever [A]. Hij heeft de acquisitiewerkzaamheden verricht tot en met medio 2004. Uit het kasboek van eiser blijkt dat hij voor de acquisitiewerkzaamheden in de periode 2001 tot en met 2004 een vaste vergoeding per maand heeft ontvangen. De vergoeding bedroeg in 2001 f 6.000 (€ 2.723) per maand en in 2004 € 3.360 per maand. In het bedrag van de maandelijkse vergoeding is een vergoeding voor 80 percent van de gemaakte brandstofkosten begrepen.

Eiser heeft in zijn jaarstukken voor het jaar 2000 een bedrag van f 37.591 (€ 17.058) aan brandstofkosten opgenomen. Van dit bedrag is f 1.591 (€ 722) wel en f 36.000 (€ 16.336) niet met kassabonnen onderbouwd in eisers administratie.

Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2000 geen inkomsten uit acquisitiewerkzaamheden verantwoord en wel de brandstofkosten van f 37.591 (€ 17.058) in aanmerking genomen.

In 2005 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2000 en van de aangiften omzetbelasting voor de jaren 2000 tot en met 2004. Op 27 oktober 2005 heeft verweerder eiser meegedeeld dat het onderzoek is uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2001 tot en met 2004. Het controlerapport is gedagtekend 25 oktober 2006. Uit het controlerapport blijkt dat de inkomstenbelasting voor het jaar 2004 niet in de controle is betrokken omdat op het moment van de controle nog geen jaarrekening was opgemaakt en geen aangifte was ingediend.

Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2000 opgelegd om de in aanmerking genomen brandstofkosten met f 36.000 (€ 16.336) te corrigeren.

3. Geschil

In geschil is of de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Kern van het geschil is of eiser de gestelde brandstofkosten geheel mag aftrekken.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 6.077.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

De bewijslast dat eiser kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen, rust op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het benodigde bewijs te leveren. De rechtbank heeft bij haar oordeel het volgende in aanmerking genomen.

Eiser heeft gesteld dat hij brandstofkosten heeft gemaakt in verband met de acquisitiewerkzaamheden die hij heeft verricht voor opdrachtgever [A]. Eiser heeft deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Hij heeft slechts een uitdraai van de balans en verlies- en winstrekening voor het jaar 2004 overgelegd bij het nadere stuk van 7 juni 2007. Uit deze balans en verlies- en winstrekening is niet af te leiden of eiser in het jaar 2000 brandstofkosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen. Ook eisers stelling dat anderen de kosten namens hem hebben gemaakt, is niet nader en daarom onvoldoende onderbouwd. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten heeft gemaakt die voor aftrek in aanmerking komen.

De rechtbank begrijpt uit de stukken van het geding dat eiser geen kassabonnen heeft kunnen overleggen van de voor de acquisitiewerkzaamheden gemaakte brandstofkosten, omdat hij de kassabonnen moest inleveren bij de opdrachtgever en deze de kassabonnen heeft achtergehouden als garantie voor het voortzetten van het werk. Deze omstandigheid dient naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van eiser te blijven. Eiser had immers kopieën van de kassabonnen kunnen maken, voordat hij deze bij de opdrachtgever inleverde. Ook het ontbreken van kopieën van de werkverslagen komt om diezelfde reden voor rekening van eiser.

Eiser heeft gesteld dat verweerder de brandstofkosten in aanmerking moet nemen, omdat verweerder door het in aanmerking nemen van de met de acquisitiewerkzaamheden behaalde omzet, waarin een vergoeding voor een deel van de brandstofkosten is begrepen, heeft erkend dat de acquisitiewerkzaamheden per auto zijn verricht. Deze stelling kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder betwist niet het bestaan van de brandstofkosten maar slechts de hoogte daarvan. Verweerder heeft immers rekening gehouden met de brandstofkosten die wel met kassabonnen zijn onderbouwd.

De stelling dat verweerder de toepassing van de verleggingsregeling heeft goedgekeurd, kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu verweerder slechts de hoogte van de in aanmerking genomen brandstofkosten weerspreekt en niet betwist dat eiser acquisitiewerkzaamheden heeft verricht.

Eiser heeft voorts gesteld dat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 overeenkomstig de aangifte moet worden opgelegd omdat de aanslag IB/PVV voor het jaar 2004 ook ten onrechte overeenkomstig de aangifte is opgelegd. De rechtbank begrijpt dat eiser met deze stelling een beroep bedoelt te doen op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt niet, nu niet aannemelijk is dat verweerder bij het vaststellen van de aanslag voor het jaar 2004 een toezegging heeft gedaan of anderszins vertrouwen heeft gewekt over de afdoening van de aanslag voor het jaar 2000.

Op grond van het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 14 september 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Lampe-Selanno, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.