Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BH0345

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-06-2007
Datum publicatie
20-01-2009
Zaaknummer
AWB 06/4390
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser voldoet aan voorwaarden voor forensenbelasting. Progressief tarief in casu niet onredelijk of willekeurig. Tarief via democratisch proces tot stand gekomen zodat het de rechtbank niet vrij staat om in de tarieven in te grijpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2009/978
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4390

Uitspraakdatum: 29 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag [aanslagnummer] forensenbelasting opgelegd naar een bedrag van € 486,50.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 juli 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 1 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 1 augustus 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft een nader stuk doen toekomen, dat in afschrift is verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2007 te Arnhem.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

In 2005 waren in de gemeente [P] de Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2002 (hierna: de Verordening) en de Verordening tot wijziging van de verordening forensenbelasting 2002 (ingangsdatum 1 januari 2005) van kracht. De verordeningen zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad en hebben ter inzage gelegen in het gemeentehuis.

Artikel 4 van de Verordening luidt:

“Maatstaf van heffing

1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt voor het belastingjaar is vastgesteld.

2. Ingeval geen heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelasting is vastgesteld, wordt de belasting berekend naar de waarde.

3. De vaststelling van de waarde geschiedt overeenkomstig de regels voor de in de artikelen 220 tot en met 220i van de Gemeentewet bedoelde belastingen.”

Artikel I van de Verordening tot wijziging van de Verordening luidt:

“Artikel 5 [van de Verordening, rb] dient te worden gelezen als volgt:

BELASTINGTARIEF

De belasting bedraagt bij een waarde van:

(…)

c. € 90.756 tot € 136.134 € 486,50

(…)”

Met dagtekening 31 maart 2006 heeft eiser een aanslag in de forensenbelasting 2005 ontvangen van € 486,50. Hierbij is verweerder uitgegaan van een WOZ-waarde van de recreatiewoning van € 112.000.

3. Geschil

In geschil is of verweerder de aanslag forensenbelasting tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. Eiser betoogt ondermeer dat hij ten onrechte wordt beschouwd als een woonforens in plaats van als een vakantieganger en recreant. Zijn zomerhuisje valt volgens hem onder het begrip vakantieonderkomen in de verordening toeristenbelasting. Daarnaast voert eiser aan dat het tarief van de forensenbelasting te hoog is.

4. Beoordeling van het geschil

Artikel 223, eerste lid, van de Gemeentewet luidt als volgt:

“Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

Begrip woning

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de vraag of sprake is van een gemeubileerde woning in de zin van artikel 223 van de Gemeentewet naar objectieve normen moet worden benaderd. Van belang zijn de bestemming en de geschiktheid voor bewoning. Hierbij speelt het al dan niet aanwezig zijn van voorzieningen als toilet en een kookgelegenheid een rol, alsmede aansluiting op riolering, waterleiding, gas en elektra. Het begrip woning dient ook aan het spraakgebruik te worden getoetst. Niet van belang is of de gemeubileerde woning bij hem die deze woning beschikbaar houdt of bij zijn gezin alleen overdag of ’s nachts in gebruik is of zelfs helemaal buiten gebruik blijft. Vereist is wel dat de woning als zodanig bruikbaar is en ook mag worden gebruikt gedurende het in artikel 223 van de Gemeentewet genoemde aantal dagen.

De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser, die meer dan 90 dagen per jaar een recreatiewoning houdt voor zichzelf, dan wel zijn gezin, welke woning is voorzien van een kook- en wasgelegenheid en een toilet, en waar sprake is van aansluitingen zoals water en elektriciteit, sprake is van gemeubileerde woning in de zin van de Gemeentewet. Eiser houdt zijn hoofdverblijf buiten de gemeente [P].

Eiser voldeed dus in 2005 aan de voorwaarden voor de heffing van woonforensenbelasting. Omdat eiser voldeed aan de voorwaarden voor heffing van woonforensenbelasting en hij ook in die heffing betrokken is, is de toeristenbelasting niet meer aan de orde. Deze twee belastingen kunnen immers niet naast elkaar worden geheven. Er is geen sprake van rechtsongelijkheid ten opzichte van personen die alleen onder de verordening toeristenbelasting vallen aangezien geen sprake is van gelijke gevallen. Van willekeur is ook geen sprake, nu verweerder belasting heft volgens de verordeningen forensenbelasting en toeristenbelasting op basis van de in die verordeningen neergelegde definities. Alleen personen die niet onder de definities van de forensenbelasting vallen, worden belast met toeristenbelasting. De bedoeling van de wetgever, waarop eiser zich beroept, is niet doorslaggevend, nu verweerder binnen de door de wetgever gemaakte kaders is gebleven. De hierop gerichte beroepsgronden falen dus.

Het tarief

Ten aanzien van de hoogte van het tarief overweegt de rechtbank dat de gemeente door artikel 223 van de Gemeentewet niet beperkt wordt in het vaststellen van het tarief van de forensenbelasting. Omtrent de maximale hoogte van de forensenbelasting heeft de wetgever geen aanwijzingen aan de gemeente gegeven. In beginsel is het niet uitgesloten dat een bepaalde tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever niet op het oog gehad kan hebben bij zijn delegatie. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 februari 2007 (HR 9 februari 2007, nr. 40643, VN 2007/11.26) bepaald dat een progressieve tariefstelling, waarvan ook bij de gemeente [P] sprake is, is toegestaan. Dit brengt mee dat die tariefstelling geen reden is om te oordelen dat sprake is van onredelijke of willekeurige belastingheffing.

Eiser heeft aangevoerd dat de stijging van de forensenbelasting cumuleert doordat niet alleen de tarieven zijn verhoogd, maar ook de WOZ-waarden zijn gestegen. In zijn geval heeft dit ertoe geleid dat hij in een hogere tariefklasse terecht is gekomen. De rechtbank is met eiser eens dat op deze wijze de forensenbelasting inderdaad fors is gestegen. Nu de tarieven voor de forensenbelasting via een democratisch proces tot stand zijn gekomen, staat het de rechtbank echter niet vrij om in de tarieven in te grijpen. Ook deze beroepsgrond faalt dus. Overigens heeft verweerder ter zitting toegelicht dat de verhoging van de tarieven als gevolg van de koppeling aan de WOZ-waarde aan de gemeenteraad is voorgelegd om te beoordelen of hierin wijziging moet komen.

De argumenten van eiser over de hoogte van de WOZ-waarde zijn besproken in de zaak met zaaknummer AWB 06/2747 die tegelijkertijd ter zitting is behandeld en waarin ook uitspraak is gedaan.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 29 juni 2007

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.