Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BF2115

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
24-09-2008
Zaaknummer
AWB 06/3994
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Bij de eigen vennootschap aangegane lening vormt in dit geval geen eigenwoningschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/3994

Uitspraakdatum: 26 januari 2007

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Oost/kantoor Doetinchem, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 6 juni 2006 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003 (aanslagnummer [00].H.36)

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2007.

Namens eiser is daar verschenen diens gemachtigde [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

Feiten

Eiser is 100% aandeelhouder van [A] B.V. (hierna: de B.V.).

Eiser heeft in 1998 een eigen woning gekocht gelegen aan de [a-straat 1] te [Z].

In 1999 heeft een verbouwing aan deze woning plaatsgevonden. De kosten van deze verbouwing bedragen ƒ 400.000 (€ 181.512). Eiser heeft de verbouwing oorspronkelijk uit zijn privévermogen gefinancierd.

Op de balans per 31 december 1999 van de B.V. (destijds [B] B.V. genaamd) is onder de financiële vaste activa een post opgenomen ter grootte van ƒ 400.000 met omschrijving ‘lening [X]’. De hoogte van deze lening bedroeg per 31 december 1998 ƒ 240.000. In de toelichting op de balans is hieromtrent het volgende opgenomen.

Lening [X] (**) 31-12-1999 31-12-1998

Saldo per 1 januari 240.000 430.000

Aflossing/verstrekking

Boekjaar 160.000 - 190.000

----------- -----------

Saldo per 31 december 400.000 240.000

(**) Dit betreft een hoofdsom groot ƒ 240.000. Aflossingstermijnen zijn niet overeengekomen, terwijl over de uitstaande hoofdsom een rente van 7% wordt vergoed. Per 1 januari 1999 is de oude hoofdsom afgelost terwijl er een nieuwe lening van ƒ 400.000 is opgenomen ten behoeve van de verbouwing aan de privéwoning. Hierover is een rente van 6% vergoed.

In het specificatie van de rekening-courant van de B.V. met eiser over 1999 is onder meer opgenomen: “aflossing aandelenlening ƒ 240.000” en “ontvangen nieuwe lening woning

– ƒ 400.000”.

Behoudens hetgeen in de jaarrekening is vermeld is geen schriftelijk bewijsmateriaal – zoals een geldleningovereenkomst en/of notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders – met betrekking tot de verstrekte geldlening voorhanden.

In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 heeft eiser een bedrag van € 9.075 (zijnde 5% van € 181.512 oftewel ƒ 400.000) in aftrek gebracht als rente van schulden met betrekking tot de eigen woning.

Geschil

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de door eiser bij de B.V. afgesloten lening kan worden aangemerkt als eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB).

Eiser beroept zich op het arrest van de Hoge Raad d.d. 24 februari 2006, nr. 39.961, BNB 2006/207. Verweerder stelt zich op het standpunt dat – daargelaten of sprake is van een lening van ƒ 400.000 dan wel ƒ 160.000 – geen verband bestaat tussen de verbouwing en de opname in rekening-courant.

Beoordeling

In zijn arrest van 24 februari 2006, nr. 39.961, BNB 2006/207 overweegt de Hoge Raad als volgt.

“(…). De enkele omstandigheid dat een belastingplichtige uitgaven voor verbetering en/of onderhoud van zijn eigen woning aanvankelijk financiert uit eigen middelen en pas nadien een geldlening aangaat, zodat de verbetering en/of het onderhoud niet van meet af aan zijn gefinancierd met geleend geld, behoeft niet in de weg te staan aan de kwalificatie van die lening als aangegaan voor verbetering en/of onderhoud van die woning. Zodanige kwalificatie is in ieder geval gerechtvaardigd indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat hij reeds ten tijde van het voldoen van de kosten van verbetering en/of onderhoud het oogmerk had om die kosten te financieren door middel van een geldlening en dat de geldlening door hem is aangegaan ter uitvoering van dit oogmerk. (…)”.

Op eiser rust de bewijslast aannemelijk te maken dat hij de verbouwingskosten heeft voorgefinancierd uit zijn privévermogen met de vooropgezette bedoeling om de verbouwing met vreemd vermogen te financieren.

Eiser voert – zakelijk weergegeven – aan:

- dat hem is geadviseerd de kosten via de B.V. te laten lopen maar dat hij als gevolg van een misverstand met

zijn adviseur de verbouwingskosten direct uit zijn privévermogen heeft voldaan;

- dat het als gevolg van gewijzigde fiscale regelgeving voor de hand liggend was dat de financiering van de

verbouwing bij de B.V. plaats diende te hebben, zodat de bestaande lening van ƒ 240.000 kon worden

afgelost alsmede een extra creditering van de rekening-courant kon plaatsvinden.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk dat hij de verbouwingskosten heeft voorgefinancierd uit het privévermogen met de vooropgezette bedoeling de verbouwing uiteindelijk met vreemd vermogen te financieren. De door eiser aangevoerde argumenten geven immers – zonder nadere onderbouwing door bijvoorbeeld relevante bescheiden dienaangaande – geen inzicht in de bedoeling van eiser ten tijde van het voldoen van de verbouwingskosten.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan op 26 januari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier.

De griffier De rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.