Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BE8726

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
23-04-2007
Datum publicatie
19-08-2008
Zaaknummer
AWB 06/5680 en 05/5681
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Inschrijving op briefadres is niet voldoende voor fiscaal partnerschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/5680 en 05/5681

Uitspraakdatum: 23 april 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Rivierenland, kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2003 en 2004 aanslagen (aanslagnummers [00].H.36 en [00].H.46) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een verzamelinkomen van nihil.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 11 oktober 2006 de aanslagen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2007 te Arnhem.

Eiseres heeft zich doen vertegenwoordigen door [A], werkzaam bij [B] Advocaten te [Q], en [C]. Namens verweerder zijn verschenen [D] en [E].

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiseres is geboren op 14 januari 1963 en is ongehuwd.

Bij brief van 6 maart 2001 heeft de heer [F] aan eiseres toestemming gegeven om op zijn adres, [a-straat 1], [0000 AA] te [R], ingeschreven te worden als briefadres.

Op 4 april 2001 heeft eiseres zich door middel van de ‘aangifte briefadres’ bij de Gemeente [R] op voormeld adres ingeschreven als briefadres. In deze aangifte is als reden van het briefadres opgegeven: ‘nog geen vaste woon en verblijfplaats in [R] (…) verblijft, stage in Duitsland’.

Bij brief van 20 september 2005 heeft eiseres aan de gemeente [R] te kennen gegeven dat het briefadres [a-straat 1], [0000 AA] te [R] haar woonadres is geworden.

Voor de jaren 2003 en 2004 heeft eiseres aangifte IB/PVV gedaan naar een verzamelinkomen van nihil.

In deze aangiften heeft eiseres verzocht om als fiscale partner te worden aangemerkt van [F] op het adres [a-straat 1], [0000 AA] te [R], en om toekenning van de algemene heffingskorting.

Bij de aanslagregeling heeft verweerder de algemene heffingskorting niet toegekend. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres niet aan de voorwaarden voor het fiscale partnerschap voldoet omdat zij bij de gemeente niet op hetzelfde woonadres stond ingeschreven als [F]. Het adres [a-straat 1], [0000 AA] te [R] is voor eiseres slechts briefadres geweest, aldus verweerder.

[C] heeft bij brieven van 31 mei 2006 namens eiseres hiertegen bezwaar gemaakt. Daarbij heeft [C] verweerder verzocht om eiseres te horen voordat op het bezwaarschrift wordt beslist.

Op verzoek van verweerder heeft [C] een schriftelijke machtiging met dagtekening 21 augustus 2006 overgelegd.

Bij brief van 31 augustus 2006 zijn eiseres en [C] uitgenodigd voor een hoorgesprek op 7 september 2006. Hierbij is eiseres met een beroep op artikel 41, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) erop gewezen dat zij gehouden is om haar vertegenwoordiger te vergezellen. Verder schrijft verweerder in de brief dat als eiseres niet bij het hoorgesprek aanwezig zal zijn, op grond van artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AWR omkering van de bewijslast zal worden gesteld. Voorts staat in de brief vermeld dat eiseres zich met een geldig legitimatiebewijs moet kunnen legitimeren.

In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat de reden van deze oproep was gelegen in het feit dat er bij verweerder twijfels waren ontstaan over de echtheid van de handtekening van eiseres op de machtiging omdat deze afweek van de handtekeningen op het legitimatiebewijs van eiseres en op de ‘aangifte briefadres’ van 4 april 2001. Volgens verweerder was het de bedoeling om de handtekening van eiseres en de rechtsgeldigheid van de machtiging tijdens het hoorgesprek te verifiëren.

Eiseres is tijdens het hoorgesprek niet verschenen. [C] is wel verschenen. Nu verweerder niet duidelijk is geworden of [C] bevoegd was om eiseres te vertegenwoordigen is het gesprek niet voortgezet. [C] is niet gehoord over het inhoudelijke geschilpunt betreffende het fiscale partnerschap van eiseres.

Verweerder heeft vervolgens bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 11 oktober 2006 de bezwaarschriften van eiseres afgewezen en de aanslagen gehandhaafd.

Bij brief van 27 oktober 2006, bij de rechtbank ontvangen op dezelfde dag, heeft [C] namens eiseres beroep ingesteld tegen deze uitspraken op bezwaar.

Op verzoek van de rechtbank heeft [C] een schriftelijke machtiging met dagtekening 21 augustus 2006 overgelegd.

Bij onderzoek door de griffier is gebleken dat de handtekening van eiseres op de in beroep overgelegde machtiging zodanig afwijkt van de handtekening op de in bezwaar overgelegde machtiging, dat de griffier is gaan twijfelen aan de echtheid van de bedoelde handtekening.

De griffier heeft dit op 19 maart 2007 telefonisch aan [C] medegedeeld en hem in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat hij bevoegd was om namens eiseres beroep in te stellen en als vertegenwoordiger van eiseres op te treden.

Op 20 maart 2007 heeft [C] een kopie van de door de burgemeester van de gemeente [R] op 24 november 2006 gelegaliseerde machtiging met dagtekening 21 augustus 2006 overgelegd aan de rechtbank.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1. Is eiseres ontvankelijk in haar beroep?

2. Is [D] bevoegd om in naam van verweerder besluiten te nemen en als gemachtigde van verweerder op

te treden?

3. Heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden?

4. Kan eiseres als fiscaal partner van [F] worden aangemerkt en heeft zij derhalve recht op de

uitbetaling van de algemene heffingskorting?

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

1. Ontvankelijkheid beroep

In artikel 6:4, derde lid, van de Awb is bepaald dat het instellen van beroep op een administratieve rechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Ingevolge artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. Om de bevoegdheid van een gemachtigde vast te stellen kan op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb van de ondertekenaar van een beroepschrift worden verlangd dat hij zijn bevoegdheid aantoont. Het niet gevolg geven aan een daartoe strekkend verzoek of het niet bijbrengen van het gevraagde bewijs heeft tot gevolg dat de bevoegdheid van de ondertekenaar om namens een ander beroep in te stellen niet vaststaat.

Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

De rechtbank stelt vast dat [C] naar aanleiding van het telefonische verzoek van de griffier van 19 maart 2007 een kopie van de door de burgemeester van de gemeente [R] op 24 november 2006 gelegaliseerde machtiging met dagtekening 21 augustus 2006 heeft verstrekt. Ter zitting heeft [C] het origineel van deze gelegaliseerde machtiging getoond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [C] hiermee voldoende aangetoond dat hij bevoegd was om namens eiseres beroep in te stellen en bevoegd is om als vertegenwoordiger van eiseres ter zitting van de rechtbank op te treden. Dat laatste heeft ook te gelden voor [A]. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [A] werkzaam is als advocaat en ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij bevoegd is om eiseres ter zitting te vertegenwoordigen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres ontvankelijk is in haar beroep.

2. Vertegenwoordigingsbevoegdheid [D]

De gemachtigden van eiseres hebben ter zitting betwist dat [D] bevoegd is om in naam van verweerder besluiten te nemen en als gemachtigde van verweerder op te treden. [D] heeft verklaart dat aan haar mandaat is verleend om deze bevoegdheden uit te oefenen. Ter ondersteuning hiervan heeft [D] het Besluit Mandaatverlening Belastingdienst van 1 februari 2006 met bijbehorende bijlage overgelegd. Hieruit blijkt dat [D] door verweerder is aangewezen om namens hem de bevoegdheid van inspecteur uit te oefenen, proceshandelingen te verrichten en belastingprocedures te voeren. De rechtbank beantwoordt de tweede vraag dan ook bevestigend.

3. Hoorplicht in bezwaar

Gemachtigde [C] heeft gesteld dat verweerder de hoorplicht in bezwaar heeft geschonden door hem tijdens het hoorgesprek niet te horen over het inhoudelijke geschilpunt betreffende het fiscale partnerschap van eiseres. [C] heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat verweerder hem van te voren niet heeft medegedeeld dat de reden voor het hoorgesprek was gelegen in het feit dat er bij verweerder onduidelijkheden en twijfels waren ontstaan over de handtekening van eiseres op de in bezwaar overgelegde machtiging.

Verweerder heeft daarentegen gesteld dat zij de reden van de oproep voor het hoorgesprek op 31 augustus 2006 en 4 september 2006 telefonisch aan [C] heeft medegedeeld.

De rechtbank overweegt allereerst dat er voldoende aanleiding was voor verweerder om te twijfelen aan de echtheid van de handtekening van eiseres op de machtiging en een nader onderzoek daarnaar in te stellen. Deze handtekening wijkt immers sterk af van de handtekening op het legitimatiebewijs van eiseres en op de ‘aangifte briefadres’ van 4 april 2001.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb is de rechtbank van oordeel dat het dan op de weg van verweerder ligt om eiseres of [C] binnen een hen daartoe gestelde termijn in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat [C] bevoegd was om namens eiseres bezwaar te maken en haar te vertegenwoordigen, alvorens uitspraak op bezwaar te doen.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat, bij betwisting door eiseres, op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij eiseres of [C] daartoe in de gelegenheid heeft gesteld.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder hierin niet geslaagd. De enkele stelling van verweerder dat [C] voorafgaand aan het hoorgesprek telefonisch ervan op de hoogte is gesteld dat de reden van het hoorgesprek was gelegen in het feit dat er bij verweerder twijfels waren ontstaan over de handtekening van eiseres op de machtiging is daartoe onvoldoende. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in de gedingstukken geen correspondentie is aangetroffen waaruit blijkt dat verweerder een dergelijke mededeling aan [C] heeft gedaan. Anders dan verweerder meent, staat de door haar bepleite reden van het hoorgesprek niet vermeld in de brief van 31 augustus 2006 waarin eiseres en [C] worden uitgenodigd voor dat gesprek. De rechtbank moet er dan ook van uitgaan dat eiseres noch [C] wist dat tijdens het hoorgesprek de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [C] aan de orde zou komen.

De rechtbank is evenmin gebleken dat verweerder eiseres of [C] na afloop van het hoorgesprek nog in de gelegenheid heeft gesteld om zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid aan te tonen.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verweerder de uitspraken op bezwaar heeft gedaan, zonder [C] van te voren in de gelegenheid te stellen om aan te tonen dat hij bevoegd was om namens eiseres bezwaar te maken en zonder dat [C] namens eiseres in bezwaar is gehoord over het inhoudelijke geschilpunt.

Een en ander leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder eiseres ten onrechte niet heeft gehoord en dat de artikelen 7:2 van de Awb en 25, vierde lid, van de AWR zijn geschonden. Aan dit gebrek kan niet onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden voorbijgegaan omdat aannemelijk is dat eiseres is benadeeld doordat zij in bezwaar niet is gehoord. Tijdens de hoorzitting had [C] namens eiseres immers de van belang zijnde feiten voor het inhoudelijke geschilpunt en de weging daarvan onder de aandacht van verweerder kunnen brengen.

Nu eiseres door de gang van zaken bij het horen is benadeeld wordt het beroep gegrond verklaard. De uitspraken op bezwaar worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:2 van de Awb.

De rechtbank staat na gegrondverklaring van het beroep voor de keuze om zelf in de zaak te voorzien of de zaak terug te wijzen naar verweerder. Gemachtigde [C] heeft de rechtbank uiteindelijk verzocht om de zaak inhoudelijk te behandelen. Ook verweerder heeft op een inhoudelijke behandeling door de rechtbank aangedrongen. Dit in aanmerking nemende, zal de rechtbank onder toepassing van artikel 8:74, vierde lid, van de Awb, zelf in de zaak voorzien.

4. Fiscaal partnerschap

Ingevolge artikel 1.2, aanhef, en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) wordt onder partner mede verstaan de ongehuwde meerderjarige die met de ongehuwde meerderjarige belastingplichtige in het kalenderjaar gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en gedurende die tijd op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens en samen en uitsluitend met de belastingplichtige voor het kalenderjaar kiest voor kwalificatie als partner.

Verweerder heeft gesteld dat eiseres niet aan deze voorwaarden voor het fiscale partnerschap voldoet omdat het adres [a-straat 1], [0000 AA] te [R] in de onderhavige jaren in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) slechts als briefadres van eiseres staat geregistreerd en niet als woonadres.

Eiseres bestrijdt niet dat het adres [a-straat 1], [0000 AA] te [R] in de onderhavige jaren slechts als briefadres van eiseres in de GBA staat geregistreerd en niet als woonadres. Volgens eiseres kan hieruit echter niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om als partner van [F] te kunnen worden aangemerkt. Volgens eiseres is de feitelijke situatie beslissend en niet de registratie in de GBA. Eiseres stelt zich daarbij op het standpunt dat zij en [F] in de onderhavige jaren gedurende meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op genoemd adres en derhalve als partners kunnen worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorop dat op eiseres de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor het fiscale partnerschap. Dit brengt mee dat verweerder ten onrechte uitgaat van omkering en verzwaring van de bewijslast. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 februari 2006, VN 2006/9.8, immers beslist dat er geen sprake kan zijn van omkering en verzwaring van de bewijslast als de bewijslast al op de belastingplichtige rust, zoals in het onderhavige geval.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. Vaststaat immers dat eiseres en [F] in de onderhavige jaren niet op hetzelfde woonadres ingeschreven zijn geweest nu het adres [a-straat 1], [0000 AA] te [R] voor eiseres destijds slechts als briefadres stond geregistreerd in de GBA. Gelet op de hiervoor aangehaalde wettekst van artikel 1.2 van de Wet IB 2001 is de rechtbank van oordeel dat geen ruimte bestaat voor de opvatting van eiseres dat de feitelijke situatie doorslaggevend is. In de wettekst is, in aanvulling op de eis dat in het kalenderjaar onafgebroken gedurende meer dan zes maanden een gezamenlijke huishouding moet zijn gevoerd, expliciet de voorwaarde opgenomen dat beide ongehuwd meerderjarige belastingplichtigen in die periode op hetzelfde woonadres staan ingeschreven in de GBA. Aangezien aan laatstgenoemde voorwaarde niet wordt voldaan, kan eiseres reeds daarom niet als partner van [F] worden aangemerkt. Of eiseres en [F] in de onderhavige jaren gedurende meer dan zes maanden onafgebroken feitelijk een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd kan in het midden blijven. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen, waarin deze gezamenlijke huishouding wordt bevestigd, alsmede aan het aanbod van gemachtigde [C] ter zitting om de desbetreffende getuigen door de rechtbank te laten horen.

Gelet op het vorenoverwogene dient de vierde vraag ontkennend te worden beantwoord en is het gelijk aan verweerder.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden vastgesteld op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit proceskosten) aan de hand van het ter zitting overgelegde formulier proceskosten.

De rechtbank overweegt dat de door eiseres op het formulier aangegeven kosten in verband met de door [A] beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat [A] ter zitting heeft verklaard dat aan eiseres geen kosten in rekening worden gebracht.

Ten aanzien van de opgevoerde reis-en verblijfkosten van [C] overweegt de rechtbank als volgt. Gebleken is dat [C] geen beroepsmatige rechtsbijstand heeft verleend. In het Besluit proceskosten is geen specifieke regeling opgenomen voor het vergoeden van reis- en verletkosten van een procesgemachtigde die niet beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Wel is in artikel 1, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bepaald dat een proceskostenveroordeling betrekking kan hebben op - onder andere - de reiskosten van een partij. De rechtbank leidt hieruit af dat de reiskosten die eiseres zelf had moeten maken indien zij zelf haar belangen had behartigd voor vergoeding in aanmerking zouden zijn gekomen. Eiseres heeft haar belangen onder meer laten behartigen door gemachtigde [C]. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de opgegeven reiskosten van [C] voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten worden begroot op € 10 (op basis van openbaar vervoer 2e klas).

Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- verklaart de bezwaren ongegrond;

- handhaaft de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2003 en 2004;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 10, en wijst de Staat der

Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiseres te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van

€ 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 23 april 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. I. Linssen, rechter, in tegenwoordigheid van drs. R.P.M. Lemmen, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.