Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BD2931

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2007
Datum publicatie
02-06-2008
Zaaknummer
AWB 06/312
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag is naar juiste adres verzonden. Gewezen bestuurder is niet geslaagd te bewijzen dat het niet betalen van de omzetbelasting niet te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voordat de melding had moeten plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/312

Uitspraakdatum: 12 januari 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: [gemachtigde]

en

de ontvanger van de Belastingdienst/Rivierenland kantoor Nijmegen, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 5 april 2005 aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslag in de omzetbelasting ten name van [A] BV over het tijdvak 2000 met aanslagnummer [00] De dagtekening van de naheffingsaanslag is 15 maart 2005. De aansprakelijkstelling betreft een bedrag van € 441.259, inclusief heffings- en invorderingsrente.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 9 november 2005 het bezwaar afgewezen. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2006 te Arnhem. Eiser, zijn gemachtigde en [B], administrateur, zijn daar verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde], [gemachtigde], [gemachtigde] en [gemachtigde].

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 [A] BV (hierna: de BV) is op 2 november 1990 opgericht. Vanaf de oprichtingsdatum tot 22 december 2000 was eiser bestuurder van de BV. Op 27 december 2000 heeft [C] BV de aandelen in de BV overgedragen aan de heer [D] voor een koopprijs van f 1.000. Eiser heeft zich bij de verkoop van de BV laten adviseren door de heer [E]. Hij is opgetreden als contactpersoon en heeft een koper voor de BV aangedragen. Eiser heeft ter gelegenheid van de verkoop van de BV de administratie van de BV overgedragen aan de heer [E], die ervoor zou zorgen dat de heer [D] de administratie zou ontvangen.

2.2 Op 5 september 2001 is de BV in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is op 13 november 2002 opgeheven wegens gebrek aan baten. Als curator heeft de heer [F] van kantoor [G] te [S] opgetreden. [F] is sinds 1 oktober 2002 niet meer verbonden aan dit kantoor.

2.3 De BV heeft over de periode januari 2000 tot en met oktober 2000 maandelijks aangiften omzetbelasting ingediend en de verschuldigde omzetbelasting afgedragen. Daarna zijn geen aangiften omzetbelasting meer ingediend.

2.4 Verweerder heeft in 2001 bij de bedrijven [H]n (hierna: [H]) en [I] BV (hierna: [I]) boekenonderzoeken verricht. Tijdens deze onderzoeken is vastgesteld dat de bedrijven bij de BV metalen asjes hebben ingekocht. In de administratie van deze bedrijven zijn inkoopfacturen van de BV aangetroffen die betrekking hadden op de periode september 2000 tot en met december 2000.

2.5 Naar aanleiding van deze bevindingen is in 2001 een bezoek gebracht aan [C] BV, gevestigd aan het [a-straat 1] te [Q]. Dit bezoek omvatte voorts een bezoek aan één van de werkmaatschappijen, de BV. Omdat dit bedrijf was gesloten, heeft het bezoek c.q. onderzoek deels plaatsgevonden bij de toenmalige adviseur van eiser, de heer [B] van [J] te [R]. De bevindingen van dit bezoek c.q. onderzoek zijn vastgelegd in een rapport d.d. 17 januari 2001.

2.6 De heer [B] van [J] heeft ter zitting verklaard dat de in- en verkoopfacturen over de maanden november en december 2000 niet ter verwerking in de administratie aan hem zijn aangeboden.

2.7 Verweerder heeft op basis van de inkoopfacturen die zijn aangetroffen bij de onder punt 2.4 genoemde bedrijven berekend welk bedrag de BV is verschuldigd aan omzetbelasting. Verweerder heeft ten name van de BV een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 september 2000 tot en met 31 december 2000 opgemaakt naar een bedrag van € 383.709, met dagtekening 12 juni 2003 en aanslagnummer [01].F010506. Deze aanslag is niet verzonden, uitgereikt of anderszins aan de BV bekend gemaakt.

2.8 Met dagtekening 15 maart 2005 heeft verweerder aan de BV een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 opgelegd onder aanslagnummer [00] met een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 383.709 en aan heffingsrente € 57.183. Deze aanslag is geadresseerd aan [A] BV, P/a Cur. [F], Postbus [00000], [0000 AA S], zijnde het postadres van kantoor [G] te [S]. De naheffingsaanslag is zowel per fax als per post aan dit kantoor gezonden.

2.9 In het uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 4 april 2005 staat als curator van de BV vermeld [F], met als adres: [b-straat 1], [0001 AA] te [S]. Dit is het vestigingsadres van kantoor [G].

2.10 Bij beschikking van 5 april 2005 is eiser op basis van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 aansprakelijk gesteld voor de betaling van de onder 2.8 genoemde naheffingsaanslag.

2.11 Op 7 april 2005 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de aansprakelijkstelling.

2.12 Bij uitspraak op bezwaar van 9 november 2005 is het bezwaarschrift tegen de aansprakelijkstelling afgewezen. Tegen deze beslissing heeft eiser op 20 december 2005 beroep ingesteld.

2.13 Met dagtekening 31 december 2005 is een Kennisgeving Omzetbelasting Vermindering verzonden aan [A] BV, [a-straat 2] te [Q]. De kennisgeving vermeldt een tijdvak van 1 september 2000 tot en met 31 december 2000, aanslagnummer [01].F.01.0506, een bedrag aan eerder vastgestelde omzetbelasting van € 383.709, aan eerder vastgestelde heffingsrente van € 34.898 en een bedrag aan nieuw vastgestelde omzetbelasting en heffingsrente van nihil. Eiser is bekend geworden met deze verminderingsbeschikking.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of de aan de aansprakelijkstelling ten grondslag liggende naheffingsaanslag op een juiste wijze is opgelegd. Indien deze vraag bevestigend moet worden beantwoord is voorts in geschil of sprake is van aan eiser te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur ten gevolge waarvan de hiervoor - onder 2.8 - bedoelde belastingschuld niet is betaald, en of de naheffingsaanslag waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld tot een juist bedrag is opgelegd.

4. Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag met dagtekening 12 juni 2003

4.1 In artikel 5, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat de vaststelling van een belastingaanslag geschiedt door het ter zake daarvan opmaken van een aanslagbiljet door de inspecteur. De dagtekening van het aanslagbiljet geldt als dagtekening van de vaststelling van de belastingaanslag. De inspecteur stelt het aanslagbiljet ter invordering van de daaruit blijkende belastingaanslag aan de ontvanger ter hand.

4.2 Artikel 8 van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW) bepaalt – voor zover relevant – dat de ontvanger de belastingaanslag bekend maakt door toezending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet.

4.3 Ingevolge artikel 3:40 van de Awb treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

4.4 Uit het onder 4.1 bepaalde volgt dat het vaststellen van de aanslag in beginsel een interne zaak is van de belastingdienst. Het moment waarop de aanslagregelend ambtenaar zijn inhoudelijke beslissing neemt en vastlegt is voor buitenstaanders niet kenbaar. Na deze interne vastlegging van relevante gegevens vindt als regel verzending van deze vastlegging plaats naar de Belastingdienst/Centrale administratie, waar de aanslagbiljetten worden gedrukt en verzonden.

4.5 Uit de onder 2.7 vermelde feiten blijkt dat de naheffingsaanslag met dagtekening 12 juni 2003 weliswaar is opgemaakt en vastgesteld als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de AWR, maar dat de bekendmaking door toezending of uitreiking van het aanslagbiljet niet heeft plaatsgevonden. Gelet op het bepaalde in artikel 3:40 van de Awb is de rechtbank dan ook van oordeel dat de naheffingsaanslag wel bestond maar niet in werking is getreden. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat de naheffingsaanslag met dagtekening 12 juni 2003 reeds onherroepelijk vaststond en in de gevolgen - ook voor wat betreft de naheffingsaanslag van 15 maart 2005 en de kennisgeving vermindering van 31 december 2005 - die hij hier aan verbindt.

Naheffingsaanslag met dagtekening 15 maart 2005

4.6 Eiser stelt dat de naheffingsaanslag met dagtekening 15 maart 2005 op het onjuiste adres is uitgereikt. Hij meent dat verweerder een nieuwe naheffingsaanslag had moeten uitreiken, dat verweerder dit heeft verzuimd en dat de naheffingstermijn inmiddels is verlopen.

4.7 Zoals onder 2.8 is weergegeven, is de onderhavige naheffingsaanslag verzonden naar het kantoor [G], waar de curator van de BV tot 1 oktober 2002 werkzaam was. Verweerder heeft aangevoerd dat zowel de heer [K], medewerker van kantoor [G], als de heer [F] hebben verklaard dat het adres van kantoor [G] als het het domicilie-adres van de BV fungeert. De rechtbank heeft geen reden daaraan te twijfelen en wijst erop dat deze verklaring wordt bevestigd door de gegevens zoals die staan vermeld in het uittreksel van de Kamer van Koophandel (zie punt 2.9).

4.8 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag naar het juiste adres is verzonden en dus op juiste wijze aan de BV is bekendgemaakt. Het beroep van eiser faalt in zoverre.

Kennelijk onbehoorlijk bestuur

4.9 Op grond van artikel 36 van de IW kan een bestuurder van een vennootschap hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor de niet-betaalde omzetbelasting die de vennootschap is verschuldigd. In de onderhavige zaak staat vast dat de BV niet aan de meldingsplicht als bedoeld in het tweede lid van dit artikel heeft voldaan. Dit heeft tot gevolg dat op eiser het wettelijk vermoeden van artikel 36, vierde lid, van de IW rust, dat het niet betalen van de omzetbelasting door de BV aan hem te wijten is. Nu vaststaat dat eiser als gewezen bestuurder moet worden aangemerkt, wordt hij toegelaten tot het leveren van bewijs dat het niet betalen van de omzetbelasting niet te wijten is aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voordat de melding had moeten plaatsvinden.

4.10 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser in het leveren van dat bewijs niet geslaagd en overweegt daartoe als volgt. Vaststaat dat de BV geen aangiften omzetbelasting heeft ingediend over de maanden november en december 2000. Eiser stelt zich evenwel op het standpunt dat de aangiften omzetbelasting over de maanden november en december 2000 uiterlijk moesten worden ingediend op een moment dat hij, namens [C] BV, de aandelen in de BV reeds had verkocht en hij geen bestuurder meer was. Ter zitting verklaart eiser dat hij daartoe voorafgaand aan en in verband met de verkoop van de BV de administratiegegevens, die altijd netjes in ordners werden bewaard, heeft overgedragen aan de heer [E], die fungeerde als contactpersoon tussen eiser en de koper van de BV. De heer [E] zou ervoor zorgdragen dat de administratie bij de koper terecht zou komen. Voor zover eiser daarmee bedoelt dat hij door de overdracht van de ordners niet meer in staat was ervoor zorg te dragen dat de aangiften juist en tijdig zouden worden gedaan, kan de rechtbank hem hier niet in volgen. Naar het oordeel van de rechtbank rustte op de BV weliswaar de aangifteplicht, maar had het op de weg van eiser gelegen om actie te ondernemen of onderzoek te verrichten naar de afwikkeling van de fiscale verplichtingen die in zijn bestuursperiode zijn ontstaan. Dat eiser dit heeft nagelaten dient voor zijn risico te komen.

4.11 Ook de omstandigheden dat de administratie in het verleden op de juiste wijze is gevoerd, dat de aangiften tot en met oktober 2000 zijn gedaan en dat hem als bestuurder décharge is verleend voor het door hem gevoerde beleid, acht de rechtbank niet voldoende om te kunnen oordelen dat het niet aan zijn kennelijk onbehoorlijk bestuur is te wijten dat de omzetbelasting niet is betaald.

Hoogte materiële belastingschuld

4.12 De rechtbank stelt voorop dat in beginsel op verweerder de bewijslast rust ter zake van de verschuldigdheid van de omzetbelasting door de BV, waarvoor eiser aansprakelijk is gesteld. Verweerder stelt evenwel dat de BV niet aan de verplichtingen ingevolge artikel 34 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) juncto artikel 31 Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 heeft voldaan, zodat sprake is van omkering van de bewijslast. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt verweerder dat in de administratie van november en december 2000 de primaire boekingsbescheiden ontbreken, terwijl bij [H] en [I] is vastgesteld dat er handelstransacties hebben plaatsgevonden.

4.13 Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat uit het onderzoek, zoals is weergegeven onder punt 2.5, is gebleken dat er geen administratie van de BV beschikbaar was. De rechtbank is evenwel van oordeel dat niet is gebleken dat de BV niet aan haar administratieve verplichtingen heeft voldaan. Verweerder heeft weliswaar aan het Industriepark en bij administrateur [B] geen administratie van de BV aangetroffen, maar heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de overdracht van de aandelen in de BV en de daarmee samenhangende overdracht van de administratieve bescheiden, niet op de juiste plek gezocht. Van omkering van de bewijslast kan derhalve geen sprake zijn. De bewijslast voor de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting rust derhalve bij verweerder.

4.14 Voor de onderbouwing van de verschuldigde omzetbelasting over de maanden november en december 2000 heeft verweerder aangesloten bij de omzetbelasting die is vermeld op de inkoopfacturen die zijn aangetroffen bij [H] en [I] (zie punt 2.4). Ter zitting heeft verweerder de berekening nader toegelicht aan de hand van de rapporten die naar aanleiding van onderzoeken bij deze bedrijven zijn opgemaakt. De hoogte van de verschuldigde omzetbelasting over deze inkoopfacturen wordt door eiser niet betwist.

4.15 Eiser voert nog aan dat verweerder bij de vaststelling van de hoogte van de verschuldigde omzetbelasting ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in het onderhavige tijdvak aan de BV in rekening gebrachte voorbelasting op inkopen.

4.16 De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB is bepaald dat de ondernemer de belasting in aftrek kan brengen, welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur. Nu geen facturen zijn overgelegd waaruit blijkt dat in voornoemde tijdvak aan de BV omzetbelasting in rekening is gebracht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen rekening heeft gehouden met aftrek van voorbelasting.

4.17 Vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de verschuldigdheid van de omzetbelasting over de maanden november en december 2000 door de BV op een juiste wijze en tot een juist bedrag heeft vastgesteld en dat eiser hiervoor aansprakelijk kan worden gesteld. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. I. Linssen, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. J.H.M. Delnooz-Engels, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.