Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC3687

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
06-02-2008
Zaaknummer
124253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 124253 / HA ZA 05-399

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [gedaagde],

eiser,

procureur mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune,

advocaat mr. M.A. Smits te Nijmegen,

tegen

de naamloze vennootschap

HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en HDI genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 mei 2007

- de akte uitlating en overlegging producties van [eiser]

- de antwoordakte na tussenvonnis van HDI.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Gebleven wordt bij hetgeen in het vonnis van 2 mei 2007 is overwogen en beslist.

Verlies van verdienvermogen

2.2. [eiser] heeft bij akte aangevoerd dat hij ten gevolge van zijn beperkingen slechts 32 uur in plaats van 36 uur bij het AZC kon werken. Dat heeft ook in de jaren 1998 tot 2006 tot ongevalsgerelateerde schade geleid waarvoor HDI aansprakelijk is, zo heeft [eiser] betoogd. Dit betoog stuit af op de uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing in rechtsoverweging 2.22 van het vonnis van 2 mei 2007, dat er vanaf 1 januari 1998 geen sprake is van arbeidsvermogensschade.

2.3. Bij dit tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de hoogte van het verlies van verdienvermogen in de jaren 1994 tot en met 1997. [eiser] heeft daarop een rapport d.d. 23 mei 2007 van J. Laumen in het geding gebracht. Laumen is bij haar berekening van het verlies van verdienvermogen voor de situatie zonder ongeval uitgegaan van de in het rapport van drs. M.J. van der Eijk geprognosticeerde winst voor belasting, vermeerderd met de bruto WAO-uitkering die [eiser] in die jaren heeft ontvangen. Voor de situatie met ongeval is Laumen uitgegaan van de inkomens uit de jaaropgaven. Laumen heeft de schade (zonder verlies van zelfwerkzaamheid) aan de hand daarvan berekend op een netto bedrag van € 17.632,00 over het jaar 1994, € 4.191,00 over het jaar 1995, € 3.668,00 over het jaar 1996 en € 4.096,00 over het jaar 1997.

2.4. HDI heeft daar tegenin gebracht dat de berekening en toelichting van [eiser] op zich duidelijk is, maar niet juist. [eiser] rekent ten onrechte, zo stelt HDI, voor de situatie na ongeval met jaarlijkse schulden die ontstaan doordat het met het bedrijf van [eiser] niet goed ging. Dat is feitelijk niet juist omdat uit het rapport van de deskundige Van der Eijk volgt dat dat gegeven geen ongevalsgevolg is. De schade van [eiser] moet berekend worden door enerzijds vast te stellen wat zijn netto besteedbaar inkomen geweest zou zijn zonder ongeval en anderzijds wat het feitelijk netto besteedbaar inkomen is geweest na ongeval. Daarbij moeten de negatieve effecten van het bedrijf buiten beschouwing worden gelaten, aldus nog steeds HDI.

2.5. De rechtbank volgt HDI niet in dit betoog. Anders dan HDI aanvoert, volgt uit het rapport van de deskundige Van der Eijk niet dat het ongeval geen enkele invloed heeft gehad op de bedrijfsresultaten van het bedrijf van [eiser] en volgt daaruit ook niet ‘dat het feit dat het met het bedrijf van [eiser] niet goed ging geen ongevalsgevolg is’. Integendeel, de deskundige heeft de vraag of er naar zijn mening causaal verband bestaat tussen het ongeval op 12 maart 1994 en het faillissement van de onderneming op 21 juni 1995 op pagina 30 van zijn rapport bevestigend beantwoord en geconcludeerd dat het ongeval ertoe leidt dat de cashflow van de onderneming in 1994 circa € 26.300 lager is dan deze zou kunnen zijn geweest zonder ongeval. Dat uit het rapport overigens duidelijk wordt dat de overlevingskansen van de onderneming van [eiser] ook zonder ongeval niet zeer groot waren, doet aan die conclusie niet af. Wel heeft de rechtbank op grond van die relatief ongunstige overlevingskansen in het vonnis van 2 mei 2007 geoordeeld dat, voor de hypothetische situatie zonder ongeval, ervan uit moet worden gegaan dat de onderneming per 1 januari 1998 door faillissement of anderszins zou zijn beëindigd. Het verschil tussen hetgeen [eiser] in zijn onderneming tussen 12 maart 1994 en 1 januari 1998, zonder ongeval, zou hebben kunnen verdienen en hetgeen hij feitelijk na het ongeval daarmee heeft verdiend, moet dan echter wel als ongevalsgevolg worden beschouwd. Zo is in wezen ook al beslist in rechtsoverweging 2.23 van het vonnis van 2 mei 2007. De stelling van HDI dat het bruto inkomen uit onderneming van € 10.096,00 in 1994, oplopend naar € 15.909,00 in 1997, moet worden weggedacht, stuit al af op die rechtsoverweging. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het negatieve resultaat over het jaar 1994 van € 15.801,00 voor belasting buiten beschouwing te laten. Dat het feitelijke inkomen van [eiser] in 1994 negatief is geweest, maakt voor de berekening immers geen principieel verschil.

2.6. Nu HDI de door Laumen aan haar berekening ten grondslag gelegde gegevens overigens niet heeft betwist en de rechtbank geen gronden heeft om aan te nemen dat deze niet juist zou zijn, zal deze worden gevolgd. De hiervoor onder 2.3. genoemde bedragen zullen worden toegewezen.

Verlies van zelfwerkzaamheid

2.7. Beide partijen hebben terzake van het verlies van zelfwerkzaamheid gesteld zich te kunnen vinden in een abstracte begroting aan de hand van de richtlijn van het Nationaal Platform Personenschade (“NPP”). [eiser] heeft terzake gesteld dat hij in de periode na het ongeval in een huurhuis met een tuin heeft gewoond, dat hij voor het ongeval al het huurdersonderhoud zelf deed, maar dat hij daartoe na het ongeval niet meer in staat was en dat hij na het ongeval dus een beroep heeft moeten doen op zijn partner, familie en vrienden. Aansluiting zoekend bij de richtlijn van het NPP, heeft [eiser] gesteld dat zijn jaarschade voor een “huurwoning/met tuin/alle onderhoud” op € 500,00 moet worden begroot. HDI heeft daartegen ingebracht dat onduidelijk is of [eiser] in een hoekwoning/twee-onder-een-kap woning woont of in een rijtjeshuis. Dat punt is volgens de richtlijn van het NPP wel van belang, stelt HDI, onder verwijzing naar de in de richtlijn opgenomen omrekenfactor naar woningtype. HDI stelt bereid te zijn uit te gaan van een normbedrag van € 250,00 per jaar, waarop de omrekenfactor dan nog moet worden toegepast. Verder stelt HDI dat een percentage van 50% moet worden toegepast op de beperking van het vermogen tot zelfwerkzaamheid, eveneens conform die richtlijn. Op die wijze komt HDI uit op een jaarschade van € 100,00.

2.8. Hierover wordt als volgt overwogen. Bij de begroting van het verlies van zelfwerkzaamheid zal ervan worden uitgegaan dat [eiser] woont in een (huur)rijtjeshuis met tuin, hetgeen uit het rapport van Laumen d.d. 23 mei 2007, p. 2/5, blijkt. Dat betekent dat op de jaarschade de omrekenfactor 0,8 moet worden toegepast. De rechtbank ziet geen aanleiding die omrekenfactor achterwege te laten op grond van de stelling van [eiser] dat hij zeer handig was en meer dan gemiddeld klusjes in huis deed. Omdat sprake is van de hiervoor bedoelde abstracte begroting wordt van dergelijke feitelijkheden nu juist geabstraheerd.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding uit te gaan van het normbedrag voor een huurhuis met weinig onderhoud, zoals HDI voorstaat. [eiser] heeft gesteld dat hij al het huurdersonderhoud voor het ongeval zelf deed, zoals het schoonmaken van de goten, schilderen, klussen, tuinonderhoud etc. HDI heeft dat op zich ook niet betwist. Er is geen aanknopingspunt om er van uit te gaan dat de woonsituatie van [eiser] zodanig weinig huurdersonderhoud meebracht dat uitgegaan zou moeten worden van de categorie “huurwoning/met tuin/weinig onderhoud” in de NPP-richtlijn.

Er is geen aanleiding een korting op de schade toe te passen omdat [eiser] geen behoefte heeft gehad aan huishoudelijke hulp, zoals HDI onder 4 van haar akte lijkt te betogen. Op zichzelf ligt niet in de rede dat aan [eiser] een schadevergoeding wegens beperkingen bij het verrichten van huishoudelijke arbeid zou dienen te worden toegekend. Weliswaar heeft [eiser] bij dagvaarding gesteld dat hij daarbij beperkingen ondervindt, maar in zijn akte na laatste tussenvonnis heeft hij gesteld daarin schade te ondervinden voor het geval hij ooit alleen zou komen te staan. Daaruit volgt in wezen al dat het huishouden in het verleden en thans niet op de schouders van [eiser] rust, zodat hij door zijn beperkingen daarin in ieder geval thans geen schade ondervindt. Nu [eiser] zich akkoord heeft verklaard met begroting van zijn schade wegens verlies van zelfwerkzaamheid en huishoudelijke hulp volgens de NPP-richtlijn, terwijl de door hem overgelegde NPP-richtlijn niet ziet op huishoudelijke hulp, volgt uit het toepassen van die richtlijn al dat geen vergoeding terzake van huishoudelijke hulp wordt toegekend. Er is dan ook geen reden een aftrek op het normbedrag volgens die richtlijn toe te passen, omdat [eiser] geen behoefte aan huishoudelijke hulp zou hebben.

De rechtbank ziet geen reden een percentage van 50% op de jaarschade toe te passen omdat duidelijk zou zijn dat [eiser] niet volledig ongeschikt is om zelfwerkzaamheid te verrichten, zoals HDI stelt. Uit de richtlijn zelf vloeit al voort dat een dergelijk percentage tussen partijen dient te worden afgesproken. Gesteld noch gebleken is dat partijen een dergelijke afspraak hebben gemaakt. Bovendien is het de rechtbank, gelet op de medische stukken in het dossier, allerminst op voorhand duidelijk dat de beperkingen in de hand- en armfunctie zodanig gering zijn dat op het normbedrag een korting van 50% moet worden toegepast. Niet ondenkbaar is dat het daarin beschreven hand- en armletsel van de dominante hand in relevante mate beperkend is bij het uitvoeren van zelfwerkzaamheid. Om daar meer duidelijkheid over te verkrijgen, zouden de in rechtsoverweging 2.27 van het vonnis van 2 mei 2007 genoemde onderzoeken moeten worden verricht. Ter voorkoming daarvan en van de daarmee gemoeide kosten hebben partijen zich nu juist aangesloten bij de suggestie de schade abstract te begroten aan de hand van de NPP-richtlijn. Er zal dan ook worden uitgegaan van 100% van het uit die richtlijn aan de hand van de voorgaande overwegingen voortvloeiende bedrag van € 400,00 per jaar.

2.9. Voor de berekening van het verlies van zelfwerkzaamheid zal een looptijd worden gehanteerd tot het zeventigste jaar van [eiser], omdat beide partijen én de NPP-richtlijn dat tot uitgangspunt nemen.

2.10. [eiser] heeft voor de berekening van zijn verlies van zelfwerkzaamheid gerefereerd aan het rapport van Laumen, p. 2/5 en 5/5, waar deze, uitgaande van een jaarschade van € 500,00, komt tot een verschenen schade van € 6.652,06 en een toekomstige schade van € 5.968,41. Die berekeningswijze (met een verschenen en een toekomstige schade) wordt ook door HDI gevolgd, zij het dat HDI uitgaat van een jaarschade van € 100,00. Het aldus door HDI berekende bedrag en het aldus door Laumen berekende bedrag komen redelijk met elkaar overeen, wanneer men op het door HDI berekende bedrag een factor 5 toepast.

2.11. De rechtbank zal aansluiten bij deze door beide partijen gehanteerde berekeningswijze en over de periode van 1 maart 1994 tot 1 maart 2008 het verlies van zelfwerkzaamheid toewijzen ten bedrage van € 400,00 per jaar, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september van het betreffende jaar. Het verlies van zelfwerkzaamheid over de periode van 1 maart 2008 tot de zeventigste verjaardag van [eiser] zal worden begroot op afgerond € 4.223,00 (4 maal het door HDI berekende bedrag van € 1.055,64), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2008.

Buitengerechtelijke kosten

2.12. Bij haar akte na tussenvonnis heeft HDI haar verweer dat [eiser] geen schade wegens buitengerechtelijke kosten heeft geleden doordat Arag die heeft vergoed, niet langer gehandhaafd. Zij betwist de door [eiser] gestelde lening/voorschotregeling niet langer. Daarop behoeft dus niet te worden beslist.

2.13. Als productie M heeft [eiser] een overzicht overgelegd van de door Arag voorgeschoten kosten. In het tussenvonnis is al beslist dat de kosten voor mr. Smits van na 5 november 2002 ‘van kleur zijn verschoten’. De betalingen van 8 juli 1994 tot en met 26 maart 2003 in het bij productie M overgelegde overzicht zien op buitengerechtelijke kosten, zo stelt [eiser]. Verder vordert [eiser] nog de kosten wegens juridische bijstand van medewerkers van Arag ad € 2.775,26.

2.14. De in overzicht M vermelde betalingen van 8 juli 1994, 23 september 1994, 1 november 1994, 14 maart 1995, 27 april 1995 en 7 januari 1998 zien – kennelijk – op medische verschotten en zijn derhalve toewijsbaar. HDI heeft deze ook niet betwist. De bij dagvaarding bij productie 35 overgelegde, aan [eiser] gerichte, rekening van ziekenhuis Rijnstate van 7 december 1995, ziende op “verwijs/herhalingkaarten” en “eerste consult” is door HDI gemotiveerd betwist. Daarna is [eiser] hierop niet meer teruggekomen. Hij heeft dus in het licht van de gemotiveerde betwisting van HDI onvoldoende toegelicht waarom deze kosten kosten in de zin van artikel 6:96 BW zouden betreffen. Deze kosten zijn derhalve niet toewijsbaar.

2.15. De kosten van Redex zijn niet toewijsbaar omdat uit de door [eiser] gegeven toelichting blijkt dat deze kosten zijn gemaakt voor het opstellen van de jaarrekening 1994. Deze kosten zijn door Arag voorgeschoten, zo stelt [eiser], omdat hem de financiën daarvoor ontbraken en omdat die jaarrekening nodig was voor het begroten van zijn inkomensschade. Dat op zichzelf maakt echter nog niet dat deze kosten op grond van artikel 6:96 BW voor toewijzing in aanmerking komen. Het opstellen van een jaarrekening behoort tot de normale verplichtingen van een onderneming; de kosten die [eiser] daarvoor heeft gemaakt zijn geen gevolg van het ongeval.

2.16. HDI heeft zich tegen de vordering wegens de kosten van het rapport van Valau (€ 13.199,70 exclusief BTW) verweerd met de stelling dat deze kosten, gezien de inhoud en onderbouwing van het rapport, niet meer als redelijk gekwalificeerd kunnen worden. Zij heeft er daarbij opgewezen dat uit de urenstaat blijkt dat bijna vier uur (à € 106,00 per uur) gemoeid zouden zijn met opruimen kopieën en 14,40 uur met kopieerwerkzaamheden. De rechtbank is met HDI van oordeel dat het aan Valau betaalde bedrag niet voldoet aan de dubbelijke redelijkheidstoets. Het rapport is tot stand gekomen op basis van eenzijdige uitgangspunten die door HDI zijn betwist en die in het vonnis van 2 mei 2007 onjuist zijn geoordeeld. Het rapport is daardoor van beperkte waarde geweest bij de beslechting van het geschil. Anderzijds is het rapport ook niet zonder waarde geweest, nu de door Laumen bijeengebrachte feitelijke gegevens over het inkomen na ongeval wel degelijk nut hebben gehad. In dat licht is het dus op zichzelf niet onredelijk geweest om Valau in te schakelen, maar moet het in rekening gebrachte bedrag van € 15.707,64 exclusief BTW als excessief worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat als schade voor het opstellen van een dergelijk rapport in redelijkheid in de gegeven omstandigheden een bedrag van € 6.000,00 (inclusief BTW) voor toewijzing in aanmerking komt. Voorzover door Redex werkzaamheden in dit kader zijn verricht, worden die eveneens geacht hiermee te zijn vergoed.

2.17. HDI heeft nog aangevoerd dat zij geen BTW behoeft te vergoeden omdat de kosten door Arag zijn voldaan en Arag de BTW kan verrekenen. Partijen zijn het er echter inmiddels over eens dat Arag die kosten heeft voldaan bij wijze van lening aan [eiser]. Het gaat dus om de schade van [eiser]. Nu [eiser] terzake van deze kosten geen BTW kan verrekenen, ziet de rechtbank geen aanleiding het standpunt van HDI te volgen.

2.18. De rechtbank ziet geen aanleiding de kosten voor mr. Smits in verband met de geschillenregeling voor rekening van HDI te laten komen. Deze kosten zijn niet meer te beschouwen als redelijke kosten ter verkrijging van voldoening (van HDI) buiten rechte, nu deze kosten kennelijk zijn gemaakt terzake van een conflict tussen [eiser] en Arag over de haalbaarheid van het verkrijgen van een hogere schadevergoeding dan de door HDI destijds aangeboden fl. 27.500,00. HDI staat buiten dit conflict en hoeft de daardoor veroorzaakte kosten dus ook niet voor haar rekening te nemen.

2.19. De overigens door mr. Smits in rekening gebrachte declaraties van in totaal

€ 7.603,94 zijn redelijk, gezien de omvang en de complexiteit van het geschil tussen [eiser] en HDI. Zij zullen worden toegewezen.

Voor de interne kosten van Arag wegens juridische bijstand van haar medewerkers heeft [eiser], kennelijk op grond van de gestelde voorschot-regeling, een bedrag gevorderd van € 2.775,26. Dit bedrag is niet, afzonderlijk, gemotiveerd bewist door HDI. Gevoegd boven de kosten van mr. Smits komen de totale kosten wegens juridische bijstand op ruim

€ 10.000,00. Ook dat is, gezien de complexiteit van het dossier, nog als redelijk te beschouwen. Ook deze kosten zullen worden toegewezen.

2.20. Waarop de kosten voor het advocatenkantoor J.S.E. Vermeulen dan nog zien is in het licht van het voorgaande geheel onduidelijk. Deze kosten zullen worden afgewezen.

2.21. De wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten is verschuldigd telkens vanaf het moment dat deze volgens het bij productie M overgelegde overzicht zijn betaald. De kosten van bijstand van Arag-medewerkers worden geacht te zijn verschenen op 14 september 1999, de datum waarvan [eiser] – door HDI onbetwist - bij zijn berekeningen uitgaat.

Samenvatting

2.22. Op grond van het voorgaande zal derhalve worden toegewezen:

a. € 17.632,00 wegens verlies van verdienvermogen over 1994, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 1994,

b. € 4.191,00 wegens verlies van verdienvermogen over 1995, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 1995,

c. € 3.668,00 wegens verlies van verdienvermogen over 1996, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 1996,

d. € 4.096,00 wegens verlies van verdienvermogen over 1997, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juli 1997,

e. € 5.500,00 wegens immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 12 maart 1994,

f. € 400,00 per jaar wegens verlies van zelfwerkzaamheid over de periode van 1 maart 1994 tot 1 maart 2008, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september van het betreffende jaar;

g. € 4.223,00 wegens verlies van zelfwerkzaamheid vanaf 1 maart 2008 tot aan [eiser]’s zeventigste verjaardag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 maart 2008;

en wegens buitengerechtelijke kosten:

h. € 15,43, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 8 juli 1994,

i. € 15,43, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 23 september 1994,

j. € 34,03, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 1 november 1994,

k € 25,41, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 1995,

l.€ 24,50, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 1995,

m. € 34,03, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 27 april 1995,

n. € 363,02, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 7 januari 1998,

o. € 2.092,23, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2002,

p. € 2.960,22, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2002,

q. € 6.000,00, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 20 december 2002,

r. € 2.551,49, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 26 maart 2003,

s. € 2.775,26, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 14 september 1999.

2.23. Op de aldus berekende schadevergoeding dienen de voorschotten in mindering te worden gebracht.

2.24. Als productie C heeft [eiser] een wettelijke rente-berekening in het geding gebracht terzake van de hierboven genoemde schadeposten a, b, c, d, en e, met de door de rechtbank in haar tussenvonnis van 2 mei 2007 bepaalde ingangsdata voor de wettelijke rente, onder aftrek van de door HDI betaalde voorschotten. Deze berekening komt de rechtbank correct voor. Zij is door HDI ook niet betwist. De berekening komt uit op een bedrag van € 47.504,04, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 juli 2007. Terzake van deze schadeposten, vermeerderd met wettelijke rente en onder aftrek van de voorschotten, zal dit bedrag dan ook in het dictum van dit vonnis worden toegewezen.

2.25. De overige schadeposten zullen op de wijze als genoemd in rechtsoverweging 2.22. worden toegewezen.

2.26. HDI zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiser] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 85,60

- vast recht € 4.584,00

- salaris procureur € 3.576,00 (4 punten × tarief IV)

Totaal € 8.245,60

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt HDI om aan [eiser] te betalen de bedragen van:

- € 47.504,04 (zevenenveertigduizendvijfhonderdvier euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 juli 2007 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 1994 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 1995 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 1996 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 1997 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 1998 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 1999 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2000 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2001 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2002 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2003 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2004 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2005 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2006 tot de dag van volledige betaling,

- € 400,00 (vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 september 2007 tot de dag van volledige betaling,

- € 4.223,00 (vierduizendtweehonderddrieëntwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 maart 2008 tot de dag van volledige betaling,

- € 15,43 (vijftien euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 8 juli 1994 tot de dag van volledige betaling,

- € 15,43 (vijftien euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 23 september 1994 tot de dag van volledige betaling,

- € 34,03 (vierendertig euro en drie eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 1 november 1994 tot de dag van volledige betaling,

- € 25,41 (vijfentwintig euro en eenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 14 maart 1995 tot de dag van volledige betaling,

- € 24,50 (vierentwintig euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 14 maart 1995 tot de dag van volledige betaling,

- € 34,03 (vierendertig euro en drie eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 27 april 1995 tot de dag van volledige betaling,

- € 363,02 (driehonderddrieënzestig euro en twee eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 7 januari 1998 tot de dag van volledige betaling,

- € 2.092,23 (tweeduizendtweeënnegentig euro en drieëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 december 2002 tot de dag van volledige betaling,

- € 2.960,22 (tweeduizendnegenhonderdzestig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 december 2002 tot de dag van volledige betaling,

- € 6.000,00 (zesduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 december 2002 tot de dag van volledige betaling,

- € 2.551,49 (tweeduizendvijfhonderdeenenvijftig euro en negenenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 26 maart 2003 tot de dag van volledige betaling,

- € 2.775,26 (tweeduizendzevenhonderdvijfenzeventig euro en zesentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 14 september 1999 tot de dag van volledige betaling.

3.2. veroordeelt HDI in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 8.245,60,

3.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.

Coll. AtH