Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1725

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
AWB 07/1090
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toepassing wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan vanwege ontbreken integrale ruimtelijke visie voor het gebied. Vindt de weigering hiermee haar grondslag in strijd met een goede ruimtelijke ordening?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2007/4438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/1090

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres] B.V., eiseres,

gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasdriel, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 30 januari 2007, bekendgemaakt op 2 februari 2007.

2. Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres om toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, opgenomen in het bestemmingsplan "Ammerzoden-dorp 1995, herziening 1998", geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar deels gegrond verklaard en het eerder genoemde besluit, onder aanvulling van de motivering, gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 16 november 2007. Namens eiseres is aldaar [naam 1] verschenen, bijgestaan door [naam 2]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door A.J.B. Smit, ambtenaar van de gemeente.

3. Overwegingen

Eiseres is eigenares van een perceel, gelegen tussen de Hogesteeg en de Industrieweg te Ammerzoden. Ingevolge het geldende bestemmingsplan "Ammerzoden-dorp 1995, herziening 1998" rust op dit perceel de bestemming "agrarisch dorpsgebied", met aanduiding "onbebouwd".

Met het oog op het oprichten van twee bedrijfsgebouwen met bedrijfswoningen op dit perceel heeft eiseres verweerder verzocht toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 9.6.6. van de voorschriften van het bestemmingsplan. Ingevolge dit artikel, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders met inachtneming van het bepaalde in 9.2 (de beschrijving in hoofdlijnen), de genoemde bestemming met de genoemde aanduiding wijzigen overeenkomstig artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ten behoeve van de vestiging van bedrijven met daarbij behorende bedrijfswoningen, mits wordt voldaan aan een aantal nadere bepalingen ten aanzien van de maten van de bebouwing, de aard van de bedrijven, de ontsluiting, afvoer van water en verwijdering van bodemverontreiniging.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, waarbij de weigering om gebruik te maken van de wijzigingsbevoegdheid is gehandhaafd, samengevat ten grondslag gelegd dat hij geen gebruik wenst te maken van de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van afzonderlijke particuliere initiatieven. Volgens verweerder dient, om tot een goede ruimtelijke ordening te komen, eerst een integrale visie voor het gebied te worden opgesteld, waarbij onder meer wordt ingegaan op een goede kavelverdeling en ontsluiting en infrastructuur. Volgens verweerder is het voorstel tot ontsluiting zoals in het bestemmingsplan opgenomen in de praktijk moeilijk te realiseren en zal ook dit in de nieuwe visie moeten worden meegenomen. Voorts stelt verweerder dat de plannen van eiseres stuiten op bezwaren in het kader van brandveiligheid, nu het perceel niet via twee onafhankelijke routes, die geschikt zijn voor brandweerwagens, tot op ten minste 40 meter bereikbaar zal zijn.

Op de hiertegen door eiseres ingebrachte gronden zal de rechtbank hieronder, voor zover nodig, ingaan.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WRO, voor zover hier van belang, kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen.

Tussen partijen is nadrukkelijk niet in geschil dat de plannen van eiseres in overeenstemming zijn met de nadere bepalingen in artikel 9.6.6 van de planvoorschriften.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid een ruime mate van beleidsvrijheid toekomt. Uit vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 april 2005, www.rechtspraak.nl, LJN: AT3245) blijkt dat verweerder daarbij ook nieuw ontwikkeld beleid mag betrekken. Daarbij dient het, zoals verweerder terecht heeft opgemerkt, te gaan om de belangen van ruimtelijke aard. Een weigering om toepassing te geven aan een wijzigingsbevoegdheid zal dan ook gebaseerd moeten zijn op strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De rechtbank is van oordeel dat van de motivering die verweerder aan zijn weigering ten grondslag heeft gelegd, niet kan worden gezegd dat deze grondslag vindt in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft het plan van eiseres immers niet op zijn eigen ruimtelijke merites beoordeeld, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat er eerst een integrale visie voor het gebied zal moeten worden ontwikkeld alvorens medewerking kan worden verleend. Zoals ter zitting namens verweerder desgevraagd is bevestigd, vindt verweerder hierin, zolang nog geen integrale visie tot stand is gekomen, een weigeringsgrond voor elk verzoek om toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, ongeacht de aard en de concrete ruimtelijke effecten van de plannen die aan een dergelijk verzoek ten grondslag liggen. Met het enkele ontbreken van een integrale visie is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gegeven dat deze plannen concreet in strijd met een goede ruimtelijke ordening zouden moeten worden geacht.

De rechtbank acht deze motivering te meer ontoereikend, nu uit de toelichting van het bestemmingsplan nog valt af te leiden dat concrete invulling van het gebied wel aan particulier initiatief zal worden overgelaten. De rechtbank onderkent dat verweerder daarvan mag terugkomen, maar acht het dan wel op de weg van verweerder liggen om zo spoedig mogelijk een integrale visie zoals door hem gewenst op te stellen. Hiermee heeft verweerder echter pas naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiseres een begin gemaakt.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de door verweerder geuite bezwaren op het vlak van brandveiligheid onvoldoende zijn gemotiveerd om de weigering te kunnen dragen. De rechtbank overweegt daartoe dat, zoals ter zitting is gebleken, de geformuleerde eis ten aanzien van de bereikbaarheid van het perceel geen wettelijk voorschrift betreft, maar voortvloeit uit een richtlijn van de brandweer Gelderland-Zuid. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat het belang van brandveiligheid in het onderhavige geval daadwerkelijk in de weg staat aan wijziging van het bestemmingsplan zoals verzocht, zonder dat dit bezwaar zou kunnen worden ondervangen. Dit doet er overigens niet aan af dat de rechtbank van oordeel is dat het belang van brandveiligheid in beginsel wel in de afweging mag worden betrokken.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres moeten nemen met inachtneming van het in deze uitspraak bepaalde.

In dat licht merkt de rechtbank nog op dat zij eiseres niet volgt in haar betoog dat verweerder op grond van het vertrouwensbeginsel gehouden zou zijn het verzoek toe te wijzen. Eiseres heeft hierbij gedoeld op voorstellen die gedurende de bezwarenprocedure van de zijde van verweerder zijn gedaan om tot een minnelijke oplossing te komen, bij brieven van 20 april 2006 en 29 september 2006. Nog daargelaten dat deze brieven dateren van na het verzoek van eiseres, overweegt de rechtbank dat aan pogingen om tot een minnelijke oplossing te komen inherent is dat partijen water bij de wijn doen. Dergelijke toenaderingen mogen naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgelegd als harde toezeggingen waaraan een bestuursorgaan vervolgens geacht moet worden te zijn gebonden als geen minnelijke oplossing wordt bereikt.

De rechtbank is niet gebleken van door eiseres gemaakte proceskosten die op grond van artikel 8:75 voor vergoeding in aanmerking komen.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

bepaalt dat de gemeente Maasdriel het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.A.J. de Gier, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 20 december 2007