Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1578

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
09-12-2007
Datum publicatie
15-01-2008
Zaaknummer
162493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde inbreuk maakt op de ten behoeve van zijn perceel gevestigde erfdienstbaarheid inhoudende een recht van uitweg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 162493 / KG ZA 07-698

Vonnis in kort geding van 19 december 2007

in de zaak van

[eiser],

h.o.d.n. Wijnkoperij “[naam]”,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat en procureur mr. B. Nijman,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Garagebedrijf],

statutair gevestigd te [woonplaats], kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. J.J. Bijkerk te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en Auto [Garagebedrijf] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de producties van Auto [Garagebedrijf]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van Auto [Garagebedrijf].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is sinds 10 september 1984 eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie D, nummer 4460. Op dit perceel staat een pand waarvan de benedenverdieping en de kelder door [eiser] zijn ingericht als wijnhandel. Hierboven bevindt zich een woning die door [eiser] en zijn echtgenote wordt bewoond. Op het perceel bevinden zich verder een aantal bijgebouwen, zoals een schuurtje en een garage.

2.2. Auto [Garagebedrijf] is eigenaar van een tweetal percelen grond, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie D, nummer 6631 en 7455, die zijn gelegen aan de westzijde van het perceel van [eiser].

2.3. Het perceel van [eiser] heeft in het verleden één perceel gevormd met het perceel van Auto [Garagebedrijf]. Bij notariële akte van 9 juli 1958 is dat perceel in twee percelen gesplitst en is ten laste van het perceel van Auto [Garagebedrijf] en ten behoeve van het perceel van [eiser] een erfdienstbaarheid, inhoudende een recht van uitweg, gevestigd. Deze erfdienstbaarheid is in genoemde akte als volgt omschreven.

“ten behoeve van het aan verkopers verblijvende gedeelte van gemeld kadastraal perceel en ten laste van het bij deze verkochte, echter alléén ten laste van het driehoekig gedeelte als gelegen is aan de [adres] naast het aan verkopers verbleven gedeelte van gemeld kadastraal perceel, breed aan de [adres] ongeveer elf meter veertig centimeter en diep tot aan de knik in de heining, haaksgemeten op ongeveer dertien meter afstand van de [adres], de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar de [adres], van welke erfdienstbaarheid ook gebruik zal mogen worden gemaakt voor het geval er op het heersend erf een garage of een schuur bij de woning mocht worden gebouwd, uitsluitend ten dienste dier woning en niet indien het zou gaan dienen voor de exploitatie van een garagebedrijf.

De scheidingsheining zal gemeenschappelijk eigendom zijn.

Koper (…) moet die heining uiterlijk een januari negentienhonderd negenenvijftig op zijne kosten verplaatsen of doen verplaatsen. Ter uitoefening van bovenvermelde erfdienstbaarheid van uitweg hebben de eigenaren van het heersend erf het recht in die heining een hek aan te brengen of te doen aanbrengen.”

2.4. [eiser] heeft vanaf het moment dat hij eigenaar is van het perceel [adres] te [woonplaats] gebruik gemaakt van de erfdienstbaarheid, in die zin dat over het perceelsgedeelte waarop de erfdienstbaarheid rust, een met tegels verhard pad loopt, dat voert naar de garage en de schuur van [eiser]. [eiser] gebruikt dit pad om met zijn auto bij zijn woning en garage te komen.

2.5. Tot en met 2002 was op het perceel van Auto [Garagebedrijf] een garagebedrijf gevestigd. De daarbij behorende gebouwen zijn in december 2002/januari 2003 gesloopt. Op 20 november 2003 heeft Auto [Garagebedrijf] bij de gemeente [woonplaats] een bouwvergunning aangevraagd voor de realisatie van een appartementencomplex op haar perceel. Dit appartementencomplex omvat twee bedrijfsruimten ten behoeve van dienstverlenende bedrijven en 19 woningen met parkeerkelder. In de bouwplannen is erin voorzien dat een gedeelte van het perceelsgedeelte waarop de erfdienstbaarheid rust, zal worden bebouwd. Bij besluit van 31 mei 2005 is door de gemeente [woonplaats] aan Auto [Garagebedrijf] onder gelijktijdige verlening van een vrijstelling ingevolge artikel 19 tweede lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bouwvergunning verleend. [eiser] heeft bezwaar en nadien beroep tegen dit besluit ingesteld; het bezwaar en het beroep zijn ongegrond verklaard.

2.6. Recentelijk is Auto [Garagebedrijf] begonnen met de grond- en bouwwerkzaamheden. In verband hiermee is (onder meer) op het perceelsgedeelte waarop de erfdienstbaarheid rust, een damwand en een afzetting rond de bouwput geplaatst.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert primair dat Auto [Garagebedrijf] telkens op straffe van een dwangsom wordt verboden om:

1. op het driehoekig gedeelte van het aan Auto [Garagebedrijf] toebehorende kadastrale perceel, gemeente [woonplaats], sectie D, nummer 6631, dat wordt begrensd aan de ongeveer noordoostelijke zijde door de grens met het kadastrale perceel, gemeente [woonplaats], sectie D, nummer 4460, aan de ongeveer noordwestelijke zijde door de grens met het kadastrale perceel waarop de [adres] ligt en aan de ongeveer zuidelijke zijde door de denkbeeldige rechte lijn die ligt in het verlengde van de lijn die de zuidgrens vormt van de kadastrale percelen, gemeente [woonplaats], sectie D, nummers 2946 en 2948 [adressen]), indien deze lijn (in een rechte lijn) wordt doorgetrokken tot de rijbaan van de [adres], en op welk driehoekig gedeelte van dit perceel ten behoeve van het perceel van [eiser] en ten laste van het perceel van Auto [Garagebedrijf] een erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd, om te komen van en te gaan naar de [adres]:

a. bouwwerken op te richten, deze te bouwen of anderszins te realiseren;

b. gedurende de periode dat op het perceel van Auto [Garagebedrijf] bouwwerkzaamheden ten behoeve van een appartementengebouw worden uitgevoerd, hekken, damwanden, bouwmaterialen en andere voorwerpen te plaatsen, tenzij deze materialen voor de bouw van het appartementengebouw noodzakelijk zijn en alleen indien ten behoeve van [eiser] een strook met een breedte van ten minste drie meter vrij wordt gehouden, zodanig dat [eiser] met een auto te allen tijde onbelemmerd van de [adres] naar zijn garage en van zijn garage naar de [adres] kan gaan;

2. op het kadastrale perceel, gemeente [woonplaats], sectie D, nummer 6631, een appartementengebouw te realiseren dat aan de zijde waaraan de eigendommen van Auto [Garagebedrijf] grenzen aan de eigendommen van [eiser], balkons heeft die zich bevinden in of boven een strook van twee meter van de perceelsgrens van [eiser].

Subsidiair vordert [eiser] dat een voorziening zal worden getroffen die de voorzieningenrechter noodzakelijk acht.

Ten slotte vordert [eiser] dat Auto [Garagebedrijf] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Auto [Garagebedrijf] inbreuk maakt op de ten behoeve van zijn perceel gevestigde erfdienstbaarheid. Uitgaande van de bouwplannen en daarbij behorende tekeningen wordt het appartementencomplex van Auto [Garagebedrijf] immers over een lengte van 7,50 meter tot een maximale breedte van 1,30 meter gerealiseerd op het perceelsgedeelte waarop de erfdienstbaarheid rust. Ten opzichte van de huidige situatie betekent dit een aanzienlijke beperking van de erfdienstbaarheid.

Daarnaast zijn op het perceel van Auto [Garagebedrijf] in de afgelopen maand grondwerkzaamheden uitgevoerd. Daarbij is op dat perceel een bouwput uitgegraven, welke zich voor een deel ook bevindt op het perceelsgedeelte waarop de erfdienstbaarheid rust. Bovendien is een damwand en een afzetting rond de bouwput geplaatst. Daardoor wordt de doorgang naar de garage van [eiser] versmald. [eiser] kan nog slechts met grote moeite met zijn auto bij zijn woning en garage komen. Een aantal keren is de doorgang zelfs geheel versperd geweest doordat containers, aggregaten en bouwmaterialen op het perceelsgedeelte werden geplaatst waarop de oprit naar de garage van [eiser] ligt. Er is dan ook sprake van een aantasting en beperking van de erfdienstbaarheid, hetgeen niet is toegestaan.

Ten slotte kan uit de bouwtekeningen ook worden afgeleid dat aan de naar zijn woning gekeerde zijde van het op te richten appartementencomplex tenminste twee balkons zullen worden realiseerd die liggen binnen een afstand van twee meter van de grens tussen het perceel van [eiser] en dat van Auto [Garagebedrijf]. Daarmee zal sprake zijn van rechtstreekse uitzichten die strijdig zijn met het bepaalde in artikel 5:50 lid 1 BW. [eiser] heeft voor de realisatie van deze rechtstreekse uitzichten geen toestemming gegeven.

3.3. Auto [Garagebedrijf] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiser].

4.2. Niet in geschil is dat ten behoeve van het perceel van [eiser] een erfdienstbaarheid van uitweg bestaat ten laste van (een deel van) het perceel van Auto [Garagebedrijf]. Het gaat in dit kort geding - naast de vordering die gebaseerd is op een toekomstige schending van artikel 5:50 lid 1 BW - om de vraag of Auto [Garagebedrijf] dit recht van uitweg van [eiser] op onredelijke wijze bemoeilijkt en daarmee inbreuk maakt op de ten behoeve van het perceel van [eiser] gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar de [adres] te [woonplaats].

4.3. [eiser] stelt dat er sprake is van een niet toegestane, aanzienlijke beperking van

de erfdienstbaarheid omdat uit de bouwplannen en daarbij behorende tekeningen van Auto [Garagebedrijf] kan worden afgeleid dat het appartementencomplex over een lengte van 7,50 meter tot een maximale breedte van 1,30 meter wordt gerealiseerd op het perceelsgedeelte waarop de erfdienstbaarheid rust. Omdat Auto [Garagebedrijf] hierdoor inbreuk maakt op de bewuste erfdienstbaarheid, is het volgens [eiser] aan Auto [Garagebedrijf] om aannemelijk te maken dat het tegendeel waar is.

4.4. De voorzieningenrechter volgt [eiser] niet in deze stelling. Het is [eiser] die Auto [Garagebedrijf] in dit kort geding heeft gedagvaard en op wie derhalve de last rust aan te tonen/ aannemelijk te maken dat Auto [Garagebedrijf] zijn recht van uitweg op onredelijke wijze bemoeilijkt. [eiser] heeft dit niet aangetoond of aannemelijk gemaakt. [eiser] heeft slechts gesteld dat op het terrein waarop de erfdienstbaarheid gevestigd is, gebouwd zal worden en bouwwerkzaamheden worden verricht, maar uit deze enkele stelling en zelfs uit dit feit vloeit geenszins voort dat inbreuk op het recht van uitweg wordt gemaakt of zal worden gemaakt. Voorshands geoordeeld is [eiser] er dan ook niet in geslaagd de schending van zijn recht van uitweg aan te tonen. [eiser] heeft weliswaar aangevoerd dat uit de bouwplannen en daarbij behorende tekeningen volgt dat Auto [Garagebedrijf] een aanzienlijke inbreuk maakt op de erfdienstbaarheid van uitweg, maar heeft - als reeds overwogen - zijn stellingen op dit punt niet feitelijk onderbouwd. Evenmin heeft [eiser] stukken in het geding gebracht waaruit een en ander zou kunnen worden afgeleid. Het is nota bene Auto [Garagebedrijf] geweest die ter verduidelijking enige (kadastrale) tekeningen in het geding heeft gebracht. Op basis van deze ingebrachte producties en de ter zitting door Auto [Garagebedrijf] getoonde tekeningen is bovendien het tegendeel van de stellingen van [eiser] aangetoond; alleszins aannemelijk lijkt dat na realisering van het appartementencomplex voldoende ruimte voor [eiser] resteert om zijn recht van erfdienstbaarheid op normale wijze en zonder enige belemmering te kunnen blijven uitoefenen.

De voorzieningenrechter verwijst ter verdere onderbouwing in dit verband naar de uitspraak van de bestuursrechter van deze rechtbank van 17 oktober 2007, tegen welke uitspraak geen beroep is ingesteld, waarin als volgt is overwogen: “Op basis van de ter zitting getoonde tekeningen is op zichzelf duidelijk dat een deel van het te realiseren gebouw op deze driehoek zal worden gerealiseerd. Hoe groot dat deel is, valt echter niet met zekerheid te zeggen, gezien het feit dat de formulering van de erfdienstbaarheid ruimte laat voor meerdere interpretaties. Zelfs in de uitleg van eiser blijft de belemmering van de driehoek waarop de erfdienstbaarheid rust, echter beperkt tot een ondergeschikt deel daarvan. Nu niet valt in te zien dat het gebruik waarvoor de erfdienstbaarheid is gevestigd, daardoor onevenredig wordt beperkt, heeft verweerder (de gemeente, de voorzieningenrechter) in deze aantasting terecht geen aanleiding hoeven te zien de gevraagde vrijstelling te weigeren.”

Dit betekent dat voorshands geoordeeld Auto [Garagebedrijf] het recht van uitweg van [eiser] niet op onredelijke wijze bemoeilijkt. Van inbreuk op de ten behoeve van het perceel van [eiser] gevestigde erfdienstbaarheid van uitweg is dan ook geen sprake. De vordering onder 3.1.1 sub a wordt dan ook afgewezen.

4.5. Dit geldt evenzeer voor het gevorderde onder 3.1.2. Ook ten aanzien van het gevorderde verbod met betrekking tot de bouw van twee balkons geldt dat [eiser] zijn stelling, dat aan de zijde waaraan de eigendommen van Auto [Garagebedrijf] grenzen aan de eigendommen van [eiser], balkons worden gerealiseerd die zich bevinden in of boven een strook van twee meter van de perceelsgrens van [eiser], feitelijk niet heeft onderbouwd, waarbij komt dat Auto [Garagebedrijf] middels de tekeningen heeft aangetoond dat dit niet zo zal zijn en waarbij Auto [Garagebedrijf] er op gewezen heeft dat bij het verlenen van de bouwvergunning aandacht is besteed aan de plaats waar de balkons gesitueerd zijn. Er kan vooralsnog dan ook niet van worden uitgegaan dat Auto [Garagebedrijf] handelt in strijd met artikel 5:50 lid 1 BW, zodat geen grond bestaat voor toewijzing van het gevorderde verbod.

4.6. Met betrekking tot het gevorderde onder 3.1.1 sub b wordt het volgende overwogen. [eiser] stelt dat als gevolg van de door Auto [Garagebedrijf] gestarte grond- en bouwwerkzaamheden de doorgang naar zijn garage is versmald. Hij kan nog slechts met grote moeite met zijn auto bij zijn woning en garage komen. Een goede doortocht is echter noodzakelijk omdat hijzelf slecht ter been is en met een kruk loopt, terwijl hij vanwege de ernstige ziekte van zijn echtgenote soms met spoed naar ziekenhuizen en apotheken moet gaan. Bovendien is de huidige periode voor de wijnhandel de drukste tijd van het jaar, zodat hij veelvuldig van de uitweg (het verharde pad naar zijn garage) gebruik moet maken.

4.7. Vaststaat dat de gestarte grond- en bouwwerkzaamheden enige hinder en overlast veroorzaken. Dit alleen al, omdat deze werkzaamheden aan- en afvoer van materialen e.d. met zich meebrengen. [eiser] heeft evenwel niet zodanige feiten of omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat moet worden aangenomen dat door Auto [Garagebedrijf] meer of andere hinder is/wordt veroorzaakt dan de hinder die gebruikelijk is bij het uitvoeren van bouwwerkzaamheden. Auto [Garagebedrijf] heeft bovendien gemotiveerd betwist dat van andere dan de gebruikelijke hinder die (goede) buren van elkaar moeten gedogen, sprake is. [eiser] daarentegen heeft zelf aangegeven begrip te hebben voor het feit dat de bouwwerkzaamheden ertoe zullen leiden dat hij enige hinder bij de uitoefening van zijn recht van uitweg zal ervaren. Zo vindt [eiser] wachten gedurende vijf minuten wanneer dat twee keer per week gebeurt, aanvaardbaar. De vordering dat [eiser] tijdens de bouwwerkzaamheden te allen tijde onbelemmerd van het recht van uitweg gebruik moet kunnen maken, zou dan ook slechts toegewezen kunnen worden voorzover de bouwwerkzaamheden meer hinder en overlast dan die welke gebruikelijk is tijdens bouwwerkzaamheden met zich meebrengen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft [eiser] die meer dan gebruikelijke hinder en/of overlast niet aangetoond. Hierbij komt dat Auto [Garagebedrijf] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij zal trachten de door haar veroorzaakte hinder binnen normale proporties te houden. Ter zitting is in dit kader ook gebleken dat Auto [Garagebedrijf] bereid is om aan oplossingen mee te werken die de hinder zoveel mogelijk kunnen beperken. Zo heeft de heer J. Roeten van Auto [Garagebedrijf] aangegeven zorg te zullen dragen voor verplaatsing van het hekwerk (dat om de bouwplaats is geplaatst) van de huidige plaats - waarbij de hekken op zogenaamde voeten staan - naar een plaats dicht tegen de damwand aan. Ten slotte is van belang dat ter zitting is gebleken dat in geval van een noodsituatie altijd een oplossing kan worden gevonden, nu er voldoende parkeervoorzieningen in de onmiddellijke nabijheid van het perceel van [eiser] zijn gelegen. Een en ander leidt tot de conclusie dat ook het gevorderde onder 3.1.1. sub b dient te worden afgewezen. Daarbij kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of [eiser] zijn recht van erfdienstbaarheid van uitweg, gelet op de formulering daarvan in de notariële akte van 9 juli 1958, ook mag uitoefenen in het kader van zijn wijnhandel.

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Auto [Garagebedrijf] worden begroot op:

- vast recht € 251,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Auto [Garagebedrijf] tot op heden begroot op € 1.067,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C van Emden-Geenen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 19 december 2007.