Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1577

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
132329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dit betekent dat het causale verband tussen het lekkende toilet en de door de huiszwanaantasting veroorzaakte schade als bedoeld in artikel 6:98 BW ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 132329 / HA ZA 05-1831

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OOSTERBEEKSE VASTGOED COMBINATIE B.V.,

gevestigd te Oosterbeek,gemeente Renkum,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. R.H.J. Wildenburg te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en OVC genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 oktober 2006

- het deskundigenbericht

- de begrotingsbeschikking van 28 augustus 2007

- de conclusie na deskundigenbericht van [eiseres]

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van OVC.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank volhardt in wat zij in haar tussenvonnis van 11 oktober 2006 heeft vast¬gesteld en overwogen. In dat tussenvonnis is een onderzoek door de deskundigen J.E. Witte en ir. J.G.M. Creemers bevolen ter beantwoording van de in het tussenvonnis genoemde vragen.

2.2. De deskundigen hebben hun bevindingen neergelegd in een brief van 6 juni 2007 (verder: het deskundigenrapport). Bij de beantwoording van de vragen hebben zij de reacties die de partijen hebben gegeven op een aan hun voorgelegde conceptrapportage betrokken.

2.3. De deskundigen hebben ten aanzien van de mogelijkheid een oordeel te geven over de oorzaak van de huiszwamaantasting als volgt verklaard:

Alhoewel de situatie nu volledig is gesaneerd, zijn de ter beschikking gestelde gegevens, te weten foto’s en rapporten van met name TNO en Van Lierop voldoende duidelijk en stelden ons in staat om een betrouwbare reconstructie te maken.

2.4. Over de oorzaak van de huiszwamaantasting is in het deskundigenrapport het volgende opgenomen:

vraag 2: Wat is/zijn de oorzaak/oorzaken van de huiszwamaantasting in de woning [adres] [huisnummer]?

vraag 3: In hoeverre is dit toe te rekenen aan:

­ het lekkende toilet in de woning [adres] [nr.] en/of een (daardoor) ontstaan hoog vochtigheidsgehalte in de kelder van die woning

­ de aanleg van een douchegelegenheid in de kelder van de woning [adres] [huisnummer]

­ de rioleringsproblemen

­ het lekkende dak

­ de in de kelder van de woning [adres] [nr.] voorkomende ingedroogde vruchtlichamen

­ slechte ventilatie in de kelders

­ andere oorzaken?

De oorzaak van de huiszwam aantasting in de woning [adres] [huisnummer] dient met name in verband te worden gebracht met de bouwfysische omstandigheden in de kruipruimtes/kelders van de woningen [adres] [nr.], [nr.], [nr.], [huisnummer] en [nr.]. De bouwfysische omstandigheden in deze kruipruimtes/kelders dienen in zijn geheel te worden beschouwd. Uit de ons ter beschikking staande informatie blijkt namelijk dat reeds geruime tijd (ook voor 2003) sprake is geweest van een vochtig milieu en dat er sprake is geweest van onvoldoende ventilatie. Met name de onvoldoende ventilatie leidde ertoe dat het milieu in de kruipruimte te vochtig werd. Oorzaken voor de aanvoer van vocht zijn geweest: optrekkend vocht, en incidenteel lekkages.

De aanleg van een doucheruimte zorgde er tevens voor dat de mogelijkheid van ventilatie/ uitdamping van optrekken vocht verslechterde. Tevens speelde na de aanleg van de doucheruimte de afvoer van damp uit de doucheruimte naar de kruipruimte hierbij een negatieve rol.

Naar onze mening dient derhalve geconcludeerd te worden dat de huiszwam aantasting met name dient te worden toegerekend aan de onvoldoende ventilatie in de kruipruimtes en kelders. Reeds voor 2003 heeft deze ventilatie ook al tot aantasting/bruinrot geleid. De overige oorzaken hebben weliswaar bij het ontstaan een negatieve invloed uitgeoefend. Het is echter niet mogelijk om hier het ontstaan van de schade/huiszwam aantasting aan toe te rekenen. […]

Vraag 4: Kan aan de hand van de ontwikkelingsfases van de zwam iets gezegd worden over de bron en snelheid van de groei?

In diverse ruimten zijn verschillende ontwikkelingsfasen van de zwam gemeld, variërend van jong actief mycelium (schimmelweefsel) tot oude, dode vruchtlichamen. Hieruit is geen conclusie te trekken over waar de bron van de aantasting zich bevond en mogelijk zijn er zelfs meerdere bronnen geweest. De ontwikkeling van de huiszwam onder de omstandigheden in een kruipruimte is daarbij vaak dermate onberekenbaar dat ook hier geen conclusie aan verbonden kan worden.

Uit de ter beschikking gestelde informatie zijn daarom geen voldoende duidelijke aanwijzingen af te leiden over de bron(-nen) en de snelheid van de groei van deze huiszwam. Wel is duidelijk geworden dat in het verleden (ruim voor 2003) al reeds sprake was van bruinrot, d.i. hetzelfde type rot als door de huiszwam wordt veroorzaakt.

Vraag 5: Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

In onderhavige kwestie is van belang te realiseren dat de huiszwam aantasting en de andere vormen van bruinrot die in de kruipruimtes zijn ontstaan, zijn veroorzaakt door een te vochtig milieu in de kruipruimte. Dit vochtig milieu wordt met name veroorzaakt door onvoldoende ventilatie. Uit de ter beschikking gestelde informatie blijkt dat als gevolg van het niet onderhouden van ventilatie¬openingen, het afdichten van wanden met isolatiemateriaal en tegels, de aanwezigheid van afval, afvoer van damp naar de kruipruimtes en lekkages in de kruipruimtes, het milieu in de kruipruimte dermate is beïnvloed dat hier de huiszwam zich heeft kunnen ontwikkelen. Alhoewel een lekkage zoals van een toilet en/of dak niet bevorderlijk is voor het tegengaan van huiszwam ontwikkelingen, kunnen deze aspecten niet als oorzaak worden aangemerkt. […]

2.5. [eiseres] kan zich niet vinden in de bevindingen van de deskundigen. Zij stelt allereerst dat de deskundigen zonder nadere motivering voorbij zijn gegaan aan de rapporten van Van Lierop, TNO, GAB Robins Takkenberg en Conserduc-Renofors. De rechtbank overweegt dat het feit dat de conclusies van de deskundigen niet overeenkomen met de deel- en eind¬conclusies van die rapportages, niet betekent dat de deskundigen geen acht hebben geslagen op de desbetreffende rapporten. In de deskundigenrapportage staat expliciet vermeld dat de inhoud van de door [eiseres] genoemde rapporten bekend is en bij de beoordeling in beschouwing is genomen. Zoals door de deskundigen is opgemerkt, is hun opgedragen de door de rechtbank geformuleerde vragen te beantwoorden en niet om de eerder uitgebrachte rapporten te beoordelen. Er bestaat geen algemene regel dat indien conclusies van door de rechtbank benoemde deskundigen afwijken van conclusies in door partijen overgelegde rapportages er aan de motivering strengere eisen gesteld worden dan de algemeen geldende eis van inzichtelijkheid en consistentie.

2.6. De conclusie van de deskundigen dat uit ontwikkelingsfasen van de zwam niet kan worden afgeleid waar de bron van de zwam zich bevond en zelfs niet of er één bron of meer¬dere bronnen zijn geweest, is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend en voldoet aan de voormelde eis. De omstandigheid dat in de door [eiseres] aangehaalde rapporten aan de hand van de ontwikkelingsfasen van de zwamlichamen wel conclusies zijn getrokken over de bron van de zwam doet daar niet aan af. De deskundigen hebben die eerdere rapporten immers bij hun oordeelsvorming meegewogen en zijn op basis van hun kennis, ervaring en inzicht tot een andere conclusie gekomen. Uit het rapport blijkt dat zij daarbij de onbereken¬baarheid van de ont¬wik¬ke¬ling van de huiszwam onder de omstandig¬heden in een kruip¬ruimte betrokken hebben, evenals de omstandigheid dat er ruim vóór 2003 al sprake was van bruinrot. Anders dan [eiseres] stelt, blijkt uit het rapport niet dat de deskundigen zouden hebben miskend dat zich geen huis¬zwamaantasting heeft voor¬ge¬daan in de kelders van de huizen met nummers [nr.] en 47.

2.7. Ook de conclusie van de deskundigen dat de huiszwamaantasting toegerekend dient te worden aan de onvoldoende ventilatie in de kruipruimtes en kelders en dat het niet mogelijk is de aantasting aan de andere in de vraagstelling genoemde omstandigheden (waaronder het lekkende toilet) toe te rekenen, is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheden dat zich vóór 2003 met betrekking tot huiszwamaantasting geen “calamiteiten” hebben voorgedaan en dat de mate van ventilatie in die periode niet wezenlijk is veranderd, doen daar niet aan af. De des¬kun¬digen onderschrijven dat er zich vóór 2003 niet een zodanige zwamontwikkeling heeft voorgedaan dat constructieve delen daardoor zijn bezweken en hebben deze omstandigheid kennelijk bij voornoemde conclusie betrokken, evenals echter hun constatering dat er vóór dat jaar wel al minder destructieve bruinrotaantastingen aanwezig waren. Dit laatste is door [eiseres] niet - gemotiveerd - betwist. Het enkele niet eerder ontwikkelen van huiszwam in de mate waarin dat na 2003 is gebeurd, brengt niet met zich dat de conclusie dat het gebrek aan voldoende ventilatie de in deze zaak relevante aantasting heeft veroorzaakt onbegrijpe¬lijk of onjuist is

2.8. De rechtbank onderschrijft de stelling van [eiseres] voorts niet dat de deskundigen uit zijn gegaan van onjuiste gegevens. Uit het rapport blijkt, anders dan [eiseres] stelt, niet dat de deskun¬digen alle kruipruimtes over één kam hebben geschoren, noch dat zij de mate van de lekkage van het toilet hebben onderschat. Nu de deskundigen de afvoer van de ventilatie van de douche¬ruimte van de woning nummer [huisnummer] niet als omstandigheid zien waaraan de huiszwam¬aantasting kan worden toegerekend, kan de vraag of het ontbreken van een buis aan het ventilatiesysteem tot gevolg had dat de vochtige lucht de kruipruimte werd ingevoerd, of dat deze via een kanalensysteem werd afgevoerd, onbeantwoord blijven.

2.9. Aangezien het deskundigenrapport ook overigens voldoet aan de daaraan te stellen eisen van inzichtelijkheid en consistentie en de conclusies van de deskundige overtuigend zijn neemt de rechtbank deze conclusies over als de hare.

2.10. Dit betekent dat het causale verband tussen het lekkende toilet en de door de huis¬zwam¬aantasting veroorzaakte schade als bedoeld in artikel 6:98 BW ontbreekt. Aangezien [eiseres] de gestelde aansprakelijkheid van OVC voor die schade in het bijzonder baseert op (het laten voortbestaan van) de lekkage van het toilet, staat het ontbreken van dit causale verband aan de toewijzing van de vordering van [eiseres] in de weg.

2.11. Voor zover [eiseres] nog stelt dat de door haar gevorderde schade aan haar woning ver¬oorzaakt is door gebrekkige ventilatie in de aan OVC in eigendom toebehorende woning en dat OVC om die reden de schade dient te vergoeden, wordt deze stelling verworpen. Noch uit het deskundigenrapport noch uit de door [eiseres] aangevoerde feiten en omstandigheden kan wor¬den afgeleid dat juist het gebrek aan ventilatie in de woning van OVC de oorzaak is geweest van de huiszwamaantasting. In het rapport wordt juist omschreven dat de bouwfysische om¬stan¬dig¬heden in de kruip¬ruimtes/ kelders van de woningen [adres] [nr.], [nr.], [nr.], [huisnummer] en [nr.] waaraan de huiszwamaantasting moet worden toegeschreven “in zijn geheel” moeten worden beschouwd. Nu ieder van de bewoners/eigenaars van die woningen in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de ventilatie in zijn eigen woonruimte teneinde schade aan zijn zaken te voorkomen, eist de billijkheid dat ieder van hen de in die eigen woning ontstane schade zelf draagt. Dus voor zover het gebrek aan ventilatie in het geheel van de voornoemde kelders [nr.], [nr.], [nr.] [huisnummer] en [nr.] voor een deel ook aan OVC te wijten is, is haar beroep op artikel 6:101 BW succesvol en eist de billijkheid dat de vergoedingsplicht van OVC voor de schade aan de woning van [eiseres] geheel vervalt.

2.12. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

2.13. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van OVC worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- vast recht 244,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 3.132,07

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.582,00 (3,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 4.958,07

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van OVC tot op heden begroot op € 4.958,07, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.