Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1576

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
15-01-2008
Zaaknummer
155525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De conclusie luidt dan ook dat eiser in het licht van het gemotiveerd verweer onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een voldoende ernstig verwijt opleveren voor een persoonlijke aansprakelijkheid van gedaagden als bestuurders van de BV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 155525 / HA ZA 07-781

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

tegen

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. R.N.W. Sterk.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 juli 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 25 oktober 2007

- het proces-verbaal van de rolverwijzing van 22 november 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft op 4 juli 2000 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met Onroerend Goed Maatschappij [adres] [gedaagde sub 2] B.V. (hierna te noemen [gedaagde sub 2] BV).

In die samenwerkingsovereenkomst staat onder meer het volgende:

Artikel 1 Overdracht aandelen

1. [eiser] verkoopt en draagt per 15 september 2000 als (on)middellijk enig aandeelhouder van de Vennootschap ([naam] BV, rechtbank) in eigendom over aan [gedaagde sub 2], of aan een nader door haar aan te wijzen besloten vennootschap of aan een door [gedaagde sub 2] aan te wijzen derde, de aandelen van de Vennootschap onder de hierna te noemen voorwaarden en condities.

(…)

Artikel 2 Gebruik

1. Met ingang van 15 september 2000 komt [eiser] in privé een persoonlijk gebruiksrecht toe met betrekking tot de eerste en de tweede verdieping, alsmede met betrekking tot de door [eiser] gebruikte opslagruimte/kluis in het souterrain. Partijen zullen met elkaar in overleg treden over het gebruik van die ruimtes, waarbij iedere partij naar redelijkheid rekening houdt met de bedrijfsvoering van de andere partij. [gedaagde sub 2] verschaft [eiser] op eerste verzoek toegang tot de zich in het pand bevindende kluis.

(…)

Artikel 3 Kosten, duur en beëindiging

(…)

6. Indien [gedaagde sub 2] het [eiser] niet langer mogelijk maakt van zijn gebruiksrecht gebruik te maken is zij gehouden [eiser] een schadevergoeding te betalen. De schadevergoeding wordt bij ondertekening van deze overeenkomst gesteld op

f 400.000,-- (zegge: vierhonderdduizend gulden), welk bedrag nadien jaarlijks wordt verminderd met f 80.000,-- (zegge: tachtigduizend gulden), voor het eerst op 15 september 2001. De schadevergoeding bedraagt derhalve op 15 september 2004 f 80.000,--. Daarna wordt de schadevergoeding jaarlijks verminderd met f 8.000,-- en zal derhalve op 15 september 2014 nihil bedragen.

(…)

Artikel 7 Boeteclausule en beëindiging

Indien één der Partijen in strijd handelt met het bepaalde in deze overeenkomst, zal deze zonder dat daartoe enige voorafgaande ingebrekestelling of ander formaliteit is vereist, een direct opeisbare boete verbeuren ten gunste van de wederpartij van f 1.000,-- (zegge duizend gulden) voor elke dag dat de overtreding na schriftelijke mededeling van de ontdekking voortduurt, tenzij het vorderen van onderhavige boete wordt ingegeven door een onredelijke opstelling van de eisende partij.

(…)

Artikel 9 Slotbepalingen

1. Op deze overeenkomst en al haar gevolgen voor partijen is Nederlands recht van toepassing.

(…)

2.2. [eiser] heeft bij brief van 1 juli 2001 [gedaagde sub 2] BV ingebreke gesteld ten aanzien van de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst. Aan het slot van die brief staat het volgende:

U gelieve dan ook de in art. 3 punt 6 genoemde schadevergoeding te storten, de betalingen zoals gevraagd en volgens overeenkomst bepaald, over te maken en dit binnen 8 dagen.

2.3. Op 10 oktober 2001 schrijft mr. S.J. van Susante, de toenmalige advocaat van [eiser], aan [gedaagde sub 2] BV het volgende:

Namens cliënten verzoek, en voor zover nodig sommeer, ik u bij deze tot:

(i) stipte nakoming van iedere, krachtens de met cliënten aangegane overeenkomst, op u rustende verplichting zich te onthouden van een eenzijdige invulling van de exploitatie van [naam], waaronder de belangen van cliënten en de met hen gemaakte afspraken willens en wetens worden geschaad respectievelijk niet nagekomen;

(ii) tot betaling van de aan cliënten verschuldigde vergoeding voor afrekening van de overdracht van de aandelen (…)

Ter zake de hierboven geconstateerde overtredingen, meer in het bijzonder de dientengevolge verschuldigde schadevergoeding c.q. boete ad f 400.000,-- respectievelijk

f 1.000,-- per dag dat een bepaalde overtreding voortduurt, behoud ik namens cliënten nadrukkelijk alle rechten voor. (…)

Indien uw handelwijze geen verbetering vertoont en/of de betalingen waartoe u hierboven bent gesommeerd uiterlijk 19 oktober a.s. door cliënten worden ontvangen, heb ik opdracht u onverwijld in rechte te betrekken. (…) Ook voor de schade die cliënten reeds hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van uw nalatige handelwijze, wordt u bij deze aansprakelijk gesteld.

Namens cliënten behoud ik alle rechten voor.

2.4. In een brief van 13 juni 2003 gericht aan [gedaagde sub 2] BV verzoekt/sommeert mr. Van Susante, de toenmalige advocaat van [eiser], [gedaagde sub 2] BV onder meer hem schriftelijk te bevestigen dat zij volledig aan haar verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst zal voldoen. In die brief staat verder nog het volgende:

Verneem ik niet tijdig c.q. in bedoelde zin van u c.q. blijft u niet aan (een van) uw verplichtingen voldoen, dan rest cliënte niet anders dan u in rechte te betrekken. (…) In voorkomend geval bent u aan cliënten een boete verschuldigd als verwoord in artikel 3.6 van de overeenkomst. In mijn eerste brief van 10 oktober 2001 heb ik (onder nadrukkelijk voorbehoud van recht) reeds aanspraak gemaakt op betaling van de boete ad NLG 400.000,-- die op dat moment actueel was. In aanmerking genomen uw voortschrijdende tekortkoming, bestaat geen aanleiding de jaarlijkse vermindering toe te passen, hetgeen overigens nog steeds zou resulteren in een thans verschuldigde boete ad NLG 240.000,--/

€ 108.907,25. Cliënten zullen niet schromen boete en schade maximaal en volledig op u te verhalen.

2.5. Mr. P.F.M.L. Hautvast reageert in de brief van 24 juni 2003 gericht aan

mr. Van Susante, voornoemd, zeer uitvoerig op de brief van 13 juni 2003.

In die brief wordt ‘de aanspraak van de heer [eiser] op uitbetaling van een schadevergoeding (in de zin van art. 3.6. en 3.7.) als volstrekt ongegrond van de hand’ gewezen. In die brief wordt [eiser] uitgenodigd het overleg met [gedaagde sub 2] BV te hervatten om ‘te bezien welke haalbare werkafspraken nader tussen partijen gemaakt zullen kunnen worden.’

2.6. In een brief van 22 januari 2004 deelt [eiser] aan [gedaagde sub 2] BV mee dat hij vanaf midden februari (2004, rechtbank) het pand niet meer zal bemannen. ‘De wanden zullen eind februari of uiterlijk begin maart voorzien worden van kunst zoals voorzien in onze overeenkomst. Dit betekent dat we voldoen aan artikel 2 punt 4.’ In die brief staat niets geschreven over de aanspraak op de contractuele boete.

2.7. In een brief van 22 juni 2004 gericht aan ‘[naam] Hr. [gedaagde sub 2]’ doet [eiser] een voortstel om een nieuwe overeenkomst te sluiten en verklaart hij geen afstand te doen van de rechten voorzien in de samenwerkingsovereenkomst van 4 juli 2000. [eiser] begint die brief als volgt:

Op ons schrijven van 8 april 2004 heeft U niet gereageerd. (…)We hebben daar uiteengezet dat we naast het aanspraak te kunnen maken op de schadevergoeding een tweede voorstel hadden. Het eventueel aanspraak op schade zullen we hoe dan ook doorzetten als we van U opnieuw geen antwoord krijgen of als we niet tot een aanvaardbaar vergelijk komen.

2.8. Op 25 juli 2004 reageert [gedaagde sub 2] in een brief gericht aan [eiser] op de brieven van 8 april en 22 juni j.l. van [eiser]. Hij schrijft onder meer:

In de eerste plaats betwisten wij dat wij op welke wijze dan ook de met u gemaakte afspraken zoals neergelegd in de Samenwerkingsovereenkomst van 4 juli 2000 ‘met voeten treden’, zoals u stelt.

(…)

Wat betreft uw suggestie om te bezien in hoeverre er niet alsnog in goed onderling overleg een oplossing kan worden bereikt voor de ontstane problematiek delen wij u mee dat wij hier in principe voor open staan. Wij verzoeken u dan ook met ons een afspraak te maken om het een en ander te bespreken.

2.9. Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland van 19 januari 2005 is op 5 december 2003 geregistreerd dat de onderneming van [gedaagde sub 2] BV met ingang van 1 januari 2001 is opgeheven en dat [gedaagde sub 2] BV met ingang van 31 oktober 2003 is ontbonden omdat geen bekende baten meer aanwezig waren. [gedaagde sub 2] BV was op het moment van de ontbinding nog enig aandeelhouder van [naam] BV. [naam] BV was krachtens een huurovereenkomst met de gemeente Arnhem de huurster van [naam].

2.10. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] waren de bestuurders van [gedaagde sub 2] BV.

[gedaagde sub 2] BV was van 25 september 2000 tot 31 oktober 2003 bestuurder van Dokal BV.

2.11. Volgens een door de belastingdienst voor akkoord ondertekend faxbericht van

4 juli 2002 hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] een compromis gesloten met de belastingdienst met betrekking tot alle aanslagen die voortvloeiden uit een door de belastingdienst ingesteld boekenonderzoek bij 3 BV’s, te weten [adres] [gedaagde sub 2] Beheer BV, The Scene BV en [gedaagde sub 2] BV. In punt 4 van het compromis staat vermeld dat de 3 BV’s (waaronder [gedaagde sub 2] BV) zo spoedig mogelijk moeten worden geliquideerd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – :

I te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk zijn voor de door [eiser] als gevolg daarvan geleden schade,

II [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 181.512,09

(Hfl. 400.000,--) althans schadevergoeding op te maken bij staat, vermeerderd met rente en kosten.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] in de eerste plaats dat zij als bestuurders van [gedaagde sub 2] BV en Dokal BV de overdracht van het huurrecht van [naam] hebben bewerkstelligd in de volle wetenschap dat [gedaagde sub 2] BV als gevolg daarvan niet meer in staat zou zijn tot nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst met [eiser]. Volgens [eiser] kan het niet anders dan dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] het doel hebben gehad om de bedrijfsvoering van [gedaagde sub 2] BV te verhangen naar een andere vennootschap, kennelijk om verhaal van crediteuren, waaronder [eiser], onmogelijk te maken.

[eiser] verwijt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] op de tweede plaats dat zij als vereffenaars van [gedaagde sub 2] BV onrechtmatig hebben gehandeld door de vordering van [eiser] niet te betrekken bij de vereffening van [gedaagde sub 2] BV.

3.2. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank is op grond van het bepaalde in artikel 2 EEX-Verordening bevoegd kennis te nemen van de vordering van [eiser].

4.2. Partijen hebben – naar de rechtbank begrijpt – stilzwijgend gekozen voor de toepasselijkheid van Nederlands recht, hetgeen aansluit bij de rechtskeuze in de samenwerkingsovereenkomst voor Nederlands recht.

4.3. De rechtbank stelt voorop dat partijen uitvoerig hebben gedebatteerd over de vraag of [gedaagde sub 2] BV al dan niet de samenwerkingsovereenkomst met [eiser] heeft geschonden. De rechtbank zal bij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] niet verder op dat debat ingaan maar veronderstellenderwijs aannemen dat sprake is van de door [eiser] gestelde schending in die zin dat hij door [gedaagde sub 2] BV niet in staat is gesteld zijn gebruiksrecht overeenkomstig de samenwerkingsovereenkomst uit te oefenen. De aangenomen schending door [gedaagde sub 2] BV van de samenwerkingsovereenkomst leidt echter nog niet tot persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2].

4.4. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] hebben het hiervoor in r.o. 3.1 vermelde eerste verwijt, dat zij als bestuurders van [gedaagde sub 2] BV en Dokal BV aansprakelijk zouden zijn vanwege – kort gezegd – frustratie van verhaal, gemotiveerd weersproken.

Ten eerste hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] aangevoerd dat het huurrecht van [naam] nooit is overgedragen aan Dokal BV, zoals [eiser] stelt. Op de comparitie hebben zij daarover verklaard:

[naam] b.v. is nog steeds huurder van de villa. De aandelen in [naam] b.v. zijn thans nog zonder aandeelhouder. In verband hiermee is in de zomer van 2007 heropening van de vereffening van [gedaagde sub 2] b.v. verzocht. (…) Een en ander is gebeurd naar aanleiding van een telefoontje van de gemeente Arnhem, de verhuurder van de villa, die [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] er op attendeerde dat de villa verhuurd werd aan een vennootschap die geen aandeelhouder meer had.

Ten tweede hebben [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] gemotiveerd weersproken dat zij de bedrijfsvoering van [gedaagde sub 2] BV hebben ‘verhangen’ naar een andere vennootschap met het doel om verhaal van de crediteuren van [gedaagde sub 2] BV, waaronder mogelijk [eiser], te frustreren. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] voeren aan dat niet het huurrecht maar de exploitatie van de [naam] is overgedragen aan Dokal BV en dat [gedaagde sub 2] BV is ontbonden naar aanleiding van een compromis dat zij op 4 juli 2002 hebben bereikt met de belastingdienst. Zij verwijzen in dit verband naar het hiervoor bij 2.11 vermelde faxbericht.

4.5. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de stellingen van partijen het volgende uitgangspunt geldt. Indien een bestuurder wordt verweten te hebben bewerkstelligd of toegelaten dat de door hem bestuurde vennootschap een eerder door haar aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor de wederpartij van de vennootschap schade berokkent, kan sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van onrechtmatig handelen, maar het zal van de concrete omstandigheden van het geval afhangen of het aan de bestuurder te maken verwijt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden (HR 18 februari 2000, NJ 2000, 295).

4.6. In het licht van het gemotiveerde en met bescheiden onderbouwde verweer van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] heeft [eiser] zijn verwijt aan het adres van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] dat zij het verhaal op [gedaagde sub 2] BV zouden hebben gefrustreerd onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd. Zoals uit de verklaring van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] op de comparitie blijkt, zijn de aandelen in [naam] BV niet vervreemd door [gedaagde sub 2] BV. Uit die verklaring blijkt wel dat [gedaagde sub 2] BV haar ondernemingsactiviteiten – de exploitatie van de [naam] – heeft overgedragen aan Dokal BV, maar uit de stukken blijkt dat deze overdracht feitelijk geen wijziging heeft gebracht in de uitoefening van het gebruiksrecht van [eiser] op grond van de samenwerkingsovereenkomst.

4.7. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] hebben weliswaar ter comparitie verklaard dat zij aan Dokal BV geen kettingbeding hebben opgelegd zoals overeengekomen in artikel 3 sub 4 van de samenwerkingsovereenkomst, maar zij hebben tevens verklaard dat Dokal BV steeds de samenwerkingsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] BV heeft gerespecteerd. Dit alles is door [eiser] niet gemotiveerd weersproken en de rechtbank stelt bovendien vast dat [eiser] [gedaagde sub 2] BV niet verwijt dat zij geen kettingbeding aan Dokal BV heeft opgelegd.

4.8. De conclusie luidt dan ook dat [eiser] in het licht van het gemotiveerd verweer van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een voldoende ernstig verwijt opleveren voor een persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] als bestuurders van [gedaagde sub 2] BV.

4.9. Voor de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] als indirect bestuurders van Dokal BV bestaat geen rechtsgrond reeds omdat [eiser] niet heeft gesteld en ook niet is gebleken dat hij met Dokal BV een overeenkomst was aangegaan.

4.10. [eiser] verwijt [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] op de tweede plaats dat zij als vereffenaars van [gedaagde sub 2] BV onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door zijn vorderingen niet te betrekken bij de vereffening hoewel de vorderingen wel bekend waren bij [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2]. [eiser] stelt dat hij ten onrechte niet is betrokken bij eventuele uitkeringen bij de vereffening terwijl in het geval er geen bedragen zijn uitgekeerd omdat er geen baten waren, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] als vereffenaars op grond van artikel 2:23a lid 4 BW gehouden waren het faillissement van [gedaagde sub 2] BV aan te vragen, hetgeen niet is gebeurd.

4.11. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] voeren allereerst aan dat hen op het moment van de ontbinding/vereffening op 31 oktober 2003 van [gedaagde sub 2] BV geen vordering van [eiser] bekend was. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] hebben op de comparitie verklaard dat de brief van [eiser] van juni 2003 op 24 juni 2003 uitvoerig is beantwoord door de advocaat

mr. Hauvast en dat [eiser] daarna geen gevolg heeft gegeven aan zijn brief van juni 2003.

4.12. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

[eiser] heeft in zijn brieven van 1 juli 2001 en 10 oktober 2001, waarvan de tekst voor zover relevant hiervoor is weergegeven, [gedaagde sub 2] BV ingebreke gesteld ten aanzien van de nakoming van de samenwerkingsovereenkomst en haar gesommeerd die samenwerkingsovereenkomst alsnog na te komen. Daarbij heeft [eiser] ook vermeld dat hij aanspraak kan maken op de contractuele boete, maar dat hij zich dat recht nog voorbehield. Uit de bewoordingen van die brieven kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat [eiser] de bewuste contractuele boete op dat moment vorderde van [gedaagde sub 2] BV. Dit is klaarblijkelijk ook niet de bedoeling geweest van [eiser] want bijna 2 jaar later (13 juni 2003) volgt een hernieuwde sommatiebrief van zijn toenmalige advocaat tot nakoming van de samenwerkingsovereenkomst. Net als in de brief van 10 oktober 2001 wordt aangekondigd dat bij het niet voldoen aan de verplichtingen [eiser] niets anders resteert dan [gedaagde sub 2] BV in rechte te betrekken en dat [gedaagde sub 2] BV ‘in voorkomend geval’ een boete verschuldigd is als verwoord in artikel 3.6 van de samenwerkingsovereenkomst.

Op deze brief is vervolgens per brief van 24 juni 2003 uitvoerig gereageerd door

mr. Hautvast en is aansprakelijkheid voor enige schadevergoeding van de hand gewezen. Daarna is van de kant van [eiser] niet meer gereageerd in die zin dat niet uitdrukkelijk aanspraak is gemaakt op betaling van de contractuele boete. De eerstvolgende brief van [eiser] dateert van 22 januari 2004 en in die brief spreekt hij in het geheel niet over de contractuele boete.

4.13. Op grond van de hiervoor beschreven gang van zaken komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] ten tijde van de ontbinding van [gedaagde sub 2] BV in oktober 2003 bekend waren of rederlijkerwijs bekend moesten zijn met de vordering van [eiser] tot betaling van de contractuele boete. Het tweede verwijt treft dus ook geen doel.

4.14. De slotsom luidt dat de beide door [eiser] aangevoerde gronden voor de persoonlijke aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] wegens onrechtmatig handelen niet opgaan, zodat de vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.15. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- vast recht 1.136,00

- salaris procureur 4.000,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 5.136,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op EUR 5.136,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op

19 december 2007.