Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1575

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
153258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De kernvraag is hoe de korting die CARe pleegt te geven aan De Lage Landen gezien moet worden in de verhouding tussen De Lage Landen en Reaal. Bij de beantwoording komt allereerst de vraag naar voren of in deze situatie een abstracte schadeberekening mag worden toegepast tegenover de verzekeraar en vervolgens de vraag of daarin differentiatie naar de omstandigheden van de gelaedeerde mag plaatsvinden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 2
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 70
JA 2008/45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 153258 / HA ZA 07-460

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

eiseres,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. S.W. Polak te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE LAGE LANDEN TRANSLEASE B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Reaal en De Lage Landen genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juni 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 28 november 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Reaal sluit autoverzekeringen ter dekking van het WAM-risico, het risico dat de verzekerde aansprakelijk is voor schade die met het verzekerde motorrijtuig in het verkeer wordt veroorzaakt.

2.2. Reaal is als verzekeraar aansprakelijk voor een aanrijding die zich heeft voorgedaan op 1 mei 2004. Reaals verzekerde [betrokkene] is bij het uitparkeren met zijn [auto], kenteken [ ......], gebotst tegen de [auto] met kenteken [....] van De Lage Landen, van welke leaseauto [betrokkene 2] de berijder was.

2.3. De Lage Landen heeft bij Reaal een vordering tot schadevergoeding ingediend bij brief van 21 juni 2004. Daarin is sprake van voertuigschade ad € 2.487,81 en bedrijfsschade ad € 103,31 bij de cliënt van De Lage Landen. Tevens wordt in de brief vergoeding verzocht van expertisekosten ad € 86,00, buitengerechtelijke kosten ad € 112,00, te vermeerderen met € 50,00 als niet binnen een maand na de vordering betaald wordt.

2.4. Bij de brief is een expertiserapport gevoegd van Interpolis Technische Expertisedienst. Daarin zijn onder meer de kosten van het herstel van de schade aan de Mazda gespecificeerd. Dit betreft € 2.487,81, waarbij uurtarieven van € 66,60 exclusief BTW voor arbeidsloon en € 69,80 exclusief BTW voor spuitwerk zijn gehanteerd.

2.5. Bij creditfactuur van 17 juni 2004 heeft herstelbedrijf CARe Schadeservice Ridder (hierna CARe) te Ridderkerk De Lage Landen kortingen op arbeidsloon plaatwerk en spuitwerk en op materiaal en kosten in rekening gebracht ten belope van € 444,08. Dit komt neer op een korting van 15%, € 373,18 exclusief BTW.

2.6. Het opstellen van de creditfactuur door CARe aan De Lage Landen vloeide voort uit een overeenkomst tussen De Lage Landen en CARe die verder onder meer inhoudt dat De Lage Landen jaarlijks een bepaald minimumaantal opdrachten aan CARe zal geven en dat deze op een overeengekomen wijze worden afgewerkt. Dergelijke overeenkomsten worden jaarlijks op initiatief van De Lage Landen met CARe en een ander schadeherstelbedrijf gesloten. Vergelijkbare overeenkomsten zijn gebruikelijk in de autoleasebranche.

2.7. Bij brief van 18 augustus 2004 aan Stichting Rechtsbijstand heeft Reaal aangegeven dat de cliënt van de stichting De Lage Landen een hogere schade heeft geclaimd dan werkelijk geleden is, omdat, zoals Reaal gebleken is, CARe een lager tarief hanteerde dan het tarief dat volgens de schadeclaim tot het bedrag van € 2.487,81 leidde. ‘Door te trachten een hoger schadebedrag te claimen dan de daadwerkelijk geleden schade,’ schrijft Reaals bedrijfshoofd J.C. Jansen, ‘heeft u het recht op schadevergoeding naar mijn mening verspeeld.’

2.8. In haar reactie schrijft Stichting Rechtsbijstand op 6 oktober 2005 onder meer dat het gebruikelijk is dat ‘tussen reparateur en opdrachtgever kortingen worden bedongen, om commerciële redenen. Als de heer Jansen met deze stelling veronderstelt, dat hij 15% in mindering mag brengen op het geclaimde bedrag, dan ben ik het daar niet mee eens. De bedongen korting zou dan niet meer ten goede komen aan De Lage Landen Translease. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.’

2.9. Op 3 februari 2006 schrijft mr. Polak namens Reaal aan Stichting Rechtsbijstand dat door de verleende korting de schade van De Lage Landen is verminderd en dat dit van invloed is op wat zij van Reaal kan vorderen.

3. De vordering

3.1. Reaal beroept zich op de bovenstaande feiten en neemt het standpunt in dat uit de onder 2.7 en 2.9 genoemde brieven blijkt, met dien verstande dat zij zich wel verplicht acht de haars inziens door De Lage Landen geleden schade – het bedrag van de onder 2.4 bedoelde factuur minus dat van de onder 2.5 genoemde creditfactuur – te vergoeden. Zij wijst erop dat er bij de afwikkeling van schade aan lease-auto’s verschil van mening bestaat over de omvang van de door de verzekeraar verschuldigde schadevergoeding. Partijen zijn het erover eens dat uitgangspunt voor de vergoeding van schade in een geval als dit een abstracte schadeberekening is, maar Reaal is – onder verwijzing naar de art. 6:2 en 6:97 Burgerlijk Wetboek (BW) – van mening dat daarbij differentiatie mag plaatsvinden.

3.2. Reaal vordert thans

- te verklaren voor recht dat zij bij het vergoeden aan De Lage Landen van de schade die is ontstaan door de aanrijding op 1 mei 2004, de korting ad € 373,18 in mindering mag brengen op het schadebedrag van € 2.487,81 en dus door betaling van de hoofdsom ad € 2.114,63 aan haar schadevergoedingsplicht heeft voldaan,

- De Lage Landen te verbieden om in de toekomst in een geval als het onderhavige een hogere schadevergoeding van Reaal te vorderen dan het bedrag dat zij – na verrekening van korting – aan het autoschadeherstelbedrijf verschuldigd is, zulks op straffe van een dwangsom ad € 10.000,00 per geval,

- De Lage Landen te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

4. Het verweer

4.1. Het uitgangspunt bij de vaststelling van de door de verzekeraar te vergoeden schade is volgens De Lage Landen de abstracte schadeberekening omdat het gaat om vergoeding van de waardevermindering van de auto. De praktijk is gebouwd op de snelle en efficiënte afdoening van schade die de abstracte schadeberekening mogelijk maakt. Ook de overeenkomsten die De Lage Landen met CARe sluit beogen een snelle en efficiënte afdoening van de schade.

5. De beoordeling

5.1. De rechtbank zal uitgaan van het bestaan van een korting die CARe verschaft aan De Lage Landen en die in de creditfactuur tot uitdrukking wordt gebracht. Daarbij blijft de vraag rusten of er wel zonder meer van een korting gesproken kan worden, waar het contract met CARe ook op De Lage Landen verplichtingen legt, omdat de beantwoording van die vraag niet van belang is voor de beantwoording van de centrale rechtsvraag in dit geding.

5.2. De kernvraag is hoe de korting die CARe pleegt te geven aan De Lage Landen gezien moet worden in de verhouding tussen De Lage Landen en Reaal. Bij de beantwoording komt allereerst de vraag naar voren of in deze situatie een abstracte schadeberekening mag worden toegepast tegenover de verzekeraar en vervolgens de vraag of daarin differentiatie naar de omstandigheden van de gelaedeerde mag plaatsvinden.

5.3. Voor het begrip van de functie van de abstracte schadeberekening is het Telefoonkabelarrest (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444) van belang. Het ging om de berekening van schade die was toegebracht door personeel van v.o.f. F.A. Knebel aan telefoonkabels die in eigendom toebehoorden aan de Staat en welke schade was hersteld door personeel van het Staatsbedrijf der P.T.T. De Staat vordert van Knebel vergoeding van deze schade. De Hoge Raad overweegt onder meer:

dat (de Rechtbank), vooropstellende dat Knebel slechts is gehouden aan den Staat (P.T.T.) te vergoeden het nadeel dat de Staat (P.T.T.) in zijn vermogen heeft geleden als gevolg van de door de schuld van Knebels personeel aan twee telefoonkabels toegebrachte schade, voor de berekening van dat nadeel tot uitgangspunt heeft genomen de vraag “of, en zo ja, tot welk bedrag het voormelde herstel voor P.T.T. een nadeel in haar vermogen heeft opgeleverd.”;

dat dit uitgangspunt echter onjuist is;

dat toch de Staat (P.T.T.) door de beschadiging van zijn kabels reeds vóór en onafhankelijk van het herstel van die kabels in zijn vermogen een nadeel leed, gelijk aan de waardevermindering welke de desbetreffende vermogensbestanddelen door die beschadiging ondergingen, en de vergoeding verschuldigd voor een door een onrechtmatige daad veroorzaakte zaaksbeschadiging steeds tenminste zal belopen het geldsbedrag, waarin de daaruit voortvloeiende waardevermindering kan worden uitgedrukt;

dat (dit geldsbedrag) in het algemeen gelijk zal zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid (…).

5.4. Deze regel uit het Telefoonkabelarrest is vaste rechtspraak, zoals onder meer blijkt uit HR 7 mei 2004, NJ 2005, 76, waarin

wordt vooropgesteld dat de eigenaar van een zaak die wordt beschadigd, door die beschadiging reeds voor en onafhankelijk van herstel daarvan in zijn vermogen een nadeel lijdt, gelijk aan de waardevermindering welke het desbetreffende vermogensbestanddeel heeft ondergaan, en dat, indien het een zaak betreft waarvan herstel mogelijk en verantwoord is, het geldsbedrag waarin deze waardevermindering kan worden uitgedrukt, in het algemeen gelijk zal zijn aan de - naar objectieve maatstaven berekende - kosten, welke met het herstel zullen zijn gemoeid (HR 16 juni 1961, NJ 1961, 444).

5.5. Inmiddels was art. 6:97 BW ingevoerd, dat met de tekst “De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is”, ruimte biedt voor deze abstracte schadeberekening, maar differentiatie daarin, zoals voorgestaan door Reaal, niet zonder meer uitsluit.

5.6. De Hoge Raad neemt in deze vaste rechtspraak niet de vermindering in het vermogen van de gelaedeerde die door de herstelkosten wordt veroorzaakt tot uitgangspunt. Ook niet – daarin zit het abstracte van de berekening – de waardevermindering van het beschadigde vermogensbestanddeel binnen het specifieke vermogen waarvan het deel uitmaakt, maar nadrukkelijk en uitsluitend de waardevermindering van de zaak zelf. De beschadiging van de zaak heeft wel gevolg voor het vermogen, maar de omvang van dat gevolg wordt pas vastgesteld als de waardevermindering aan de zaak vastgesteld is.

5.7. Tussen partijen staat – voor deze procedure, zo is ter comparitie besproken – vast dat het onder 2.4 bedoelde factuurbedrag het bedrag is van de reële herstelkosten aan de auto. Het voorgaande leidt dan tot de door De Lage Landen gevolgde redenering dat de schade aan de Mazda € 2.487,81 beloopt en dat dit het bedrag is van de vermogensschade van De Lage Landen dat door Reaal vergoed moet worden.

5.8. Onjuist is in dit verband de stelling van Reaal dat de bovengrens van de vergoeding ligt in de feitelijke herstelkosten. Wanneer als uitgangspunt om allerlei redenen, waarover hieronder meer, de abstracte schadeberekening wordt genomen, dan is die bovengrens juist, zo blijkt uit de beide geciteerde arresten, niet aan de orde.

5.9. Reaal stelt dat de abstracte schadeberekening in dit verband op gespannen voet staat met het beginsel dat alleen werkelijk geleden schade vergoed wordt. Hiertegen kan worden ingebracht dat datgene wat de Hoge Raad in dit verband onder werkelijk geleden schade verstaat, nu juist niet overeenstemt met de herstelkosten. Juist is wel dat Reaal een bedrag vergoedt waarvan De Lage Landen een deel terug ontvangt van CARe. Daarin bestaat de spanning die hier is bedoeld. Die raakt echter niet de wijze van schadeberekening.

5.10. Er mag vanuit gegaan worden dat als toepassing van de abstracte schadeberekening tot een evident onredelijk resultaat leidt, van dit resultaat kan worden afgeweken. Dat volgt niet uit de woorden “begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is” van art. 6:97 BW omdat hier nog steeds de schade zelf het uitgangspunt is. In art. 6:2 BW kan echter een aanknopingspunt worden gevonden om in een geval van evidente onredelijkheid af te wijken van het resultaat van de schadeberekening.

5.11. Volgens Reaal is de situatie waarin zij een bedrag aan herstelkosten vergoedt dat deels door CARe wordt terugbetaald, evident onredelijk. Dit standpunt is begrijpelijk voor zover het voortkomt uit Reaals constatering dat zij meer aan herstelkosten vergoedt dan uiteindelijk – na verrekening met de creditfactuur – betaald wordt door De Lage Landen, maar de rechtbank heeft overwogen dat dit nu juist het gevolg van de toelaatbaar geachte, abstracte schadeberekening is. De berekening blijft abstract, zo betoogt Reaal, als zij wordt gebaseerd op het door CARe met inbegrip van de creditering aan De Lage Landen in rekening gebrachte uurtarief. Maar dat is niet juist. De abstractie van de schadeberekening ligt immers in het kiezen van de waardevermindering van het voorwerp als uitgangspunt en niet in de generalisering van alle schades geleden door één bepaalde gelaedeerde op grond van het haar in rekening gebrachte uurtarief van CARe. Daarin staat immers die gelaedeerde centraal. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het feit dat tussen De Lage Landen en CARe een overeenkomst bestaat die tot structureel lagere facturering aan De Lage Landen dan aan willekeurige klanten leidt, geen invloed behoort te hebben op de schadeberekening. Tussen deze De Lage Landen betreffende omstandigheid en bijvoorbeeld het door de verzekerde zelf herstellen van schade (het Telefoonkabelarrest), het door de verzekerde zelf verzorgen van verpleging (HR 28 mei 1999, NJ 1999, 564) en het met name bij auto’s niet ongebruikelijke gedeeltelijk herstellen of niet herstellen van schade (zie ook de door De Lage Landen geciteerde noot van Bloembergen onder HR 18 september 1998, NJ 1999, 69) bestaat geen wezenlijk verschil. In al deze gevallen is de mogelijkheid van abstracte schadeberekening door de rechtspraak aanvaard. Dat De Lage Landen een grootaanbieder is, zoals Reaal stelt, verandert hieraan niets.

5.12. Over het doel van de toepassing van de abstracte schadeberekening zijn partijen het eens. Het ligt, in de woorden van Reaal, daarin dat alle betrokkenen erbij gebaat zijn dit soort veel voorkomende schades op een zo eenvoudig en efficiënt mogelijke wijze af te doen. Daar is in het bijzonder de verzekeraar bij gebaat. Wanneer echter de omstandigheid die De Lage Landen persoonlijk betreft, dat op grond van haar overeenkomst met CARe een deel van de herstelkosten deel gaat uitmaken van de schadeberekening, zoals Reaal wenst, is er naar het oordeel van de rechtbank geen grond aanwezig om andere persoonlijke omstandigheden zoals het onder 5.11 genoemde zelf of slechts gedeeltelijk herstellen, niet meer in die berekening te betrekken. Dan is een eenvoudige en efficiënte afdoening ver te zoeken en zullen de kosten voor de verzekeraars aanzienlijk oplopen.

5.13. De tussenconclusie is dat de rechtbank van oordeel is dat de abstracte schadeberekening zoals die door De Lage Landen wordt toegepast als zij op grond van de herstelkostenfactuur van € 2.487,81 en zonder melding te maken van de creditnota vergoeding van haar schade vordert, in dit geval de juiste berekening is.

5.14. Reaal voert aan dat het in strijd is met de schadebeperkingsplicht die rust op de schadelijdende partij om schadevergoeding te verlangen zonder melding te maken van de creditnota (dagvaarding onder 26). Zij stelt ook dat het verlangen van schadevergoeding zonder de creditnota over te leggen een rechtens niet aanvaardbare en maatschappelijk ongewenste handelwijze oplevert (dagvaarding onder 43). Naar het oordeel van de rechtbank raken deze opmerkingen niet de abstracte schadeberekening die immers een berekeningswijze is en op zichzelf los staat van de schadebeperkingsplicht of de zorgvuldigheid die een verzekerde jegens haar verzekeraar in acht te nemen heeft.

5.15. De onder 5.14 bedoelde standpunten van Reaal raken naar het oordeel van de rechtbank niet de abstracte wijze van schadeberekening. Zij kunnen wel de verplichtingen van de verzekerde tegenover de verzekeraar betreffen. In deze zaak staan echter niet een verzekeraar en een eigen verzekerde tegenover elkaar. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de behandeling van de vraag hoe in die verhouding – waarin bijvoorbeeld de eis dat de verzekerde bij het melden van een schade aan de verzekeraar aangeeft van welke derde(n) hij een vergoeding kan verwachten een rol kan spelen – met een korting als die van CARe moet worden omgegaan.

5.16. Het voorgaande betekent dat de vordering moet worden afgewezen.

5.17. Reaal zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Lage Landen worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- vast recht 248,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.016,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1. wijst de vorderingen af,

6.2. veroordeelt Reaal in de proceskosten, aan de zijde van De Lage Landen tot op heden begroot op € 1.016,00,

6.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.D.A. den Tonkelaar, M.P.C.J. van Bavel en M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.