Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1566

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
09-01-2008
Zaaknummer
146449
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat r.o. 3.16 van het tussenvonnis van 20 juni 2007 een eindbeslissing inhoudt. In beginsel is de rechtbank door haar eindbeslissing gebonden. Afwijking van dit beginsel is volgens vaste rechtspraak alleen mogelijk ingeval van bijzondere door de rechter in zijn beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit kan het geval zijn als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een evidente feitelijke of niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 127
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146449 / HA ZA 06-1786

Vonnis van 19 december 2007

in de zaak van

[eiseres in conventie],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. C.R. van Breevoort te Arnhem,

tegen

1. [gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.H. van Vliet,

2. [gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. H.M.G. van Lotringen.

Eiseres in conventie zal hierna [eiseres in conventie] worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juni 2007

- de antwoordakte van [eiseres in conventie]

- de akte van [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie]

- de akte houdende uitlating producties van [eiseres in conventie]

- de akte van [gedaagde in conventie].

1.2. De rechtbank heeft een verzoek van [gedaagde sub 2 in conventie] om hem verlof te verlenen tot het instellen van hoger beroep tegen het tussenvonnis van 20 juni 2007 afgewezen.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. De rechtbank verwijst naar hetgeen in het tussenvonnis van 20 juni 2007 is overwogen en beslist.

in conventie

2.2. De rechtbank heeft [eiseres in conventie] in het tussenvonnis van 20 juni 2007 in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op het gemotiveerd verweer van [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] tegen de door haar gevorderde schadevergoeding.

2.3. De rechtbank heeft daarbij in r.o. 3.16 het volgende overwogen:

Uitgangspunt bij die reactie dient te zijn dat voor vergoeding in aanmerking komt de vermogensschade die [eiseres in conventie] lijdt doordat zij vanaf 1 januari 2004 niet meer om niet in ‘[woning]t’ woont, maar huur moet betalen. Thans woont zij in een huurwoning met een kale huur van EUR 425,-- per maand per 1 januari 2004 (vgl. productie 5 dagvaarding). Uitgaan van een op de huurwaarde van ‘[woning]t’ gebaseerde schadevergoeding zou betekenen dat [eiseres in conventie] schade vordert die niet uit vermogensschade bestaat en daartoe bestaat geen grondslag in de wet.

2.4. [eiseres in conventie] heeft in de antwoordakte na het tussenvonnis van 20 juni 2007 uitvoerig beargumenteerd dat het persoonlijk recht van gebruik en bewoning van [woning]t een vermogensrecht is als bedoeld in artikel 3:6 BW en dat het gemis van dat recht van gebruik en bewoning vermogensschade oplevert als bedoeld in artikel 6:95 BW. [eiseres in conventie] volhardt daarom in haar standpunt dat bij de begroting van de door haar geleden vermogensschade moet worden uitgegaan van de huurwaarde van [woning]t.

2.5. [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] voeren hiertegen aan dat de rechtbank in de hiervoor weergegeven r.o. 3.16 van het tussenvonnis met betrekking tot het aspect van de huurwaarde een bindende eindbeslissing heeft gegeven waarop zij niet meer terug kan komen en dat daarom voorbij moet worden gegaan aan hetgeen [eiseres in conventie] in de antwoordakte nader heeft aangevoerd.

2.6. De rechtbank onderschrijft het standpunt van [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] en is van oordeel dat r.o. 3.16 van het tussenvonnis van 20 juni 2007 een eindbeslissing inhoudt. In beginsel is de rechtbank door haar eindbeslissing gebonden. Afwijking van dit beginsel is volgens vaste rechtspraak alleen mogelijk ingeval van bijzondere door de rechter in zijn beslissing nauwkeurig aan te geven omstandigheden die het onaanvaardbaar zouden maken dat de rechter aan de eindbeslissing in kwestie zou zijn gebonden. Dit kan het geval zijn als sprake is van een evidente feitelijke of juridische misslag of indien de desbetreffende beslissing blijkt te berusten op een evidente feitelijke of niet aan de belanghebbende partij toe te rekenen, onjuiste feitelijke grondslag.

2.7. De rechtbank heeft in r.o. 3.16 van het tussenvonnis bedoeld weer te geven dat het zonder meer uitgaan van de huurwaarde van [woning]t niet juist is, maar dat het gemis van het genot van het recht van gebruik en bewoning van [woning]t om niet wel de basis vormt voor de begroting van de schade van [eiseres in conventie]. Dat dit zou betekenen dat de daarop gebaseerde schadevordering van [eiseres in conventie] uit andere schade dan vermogens-schade zou bestaan, berust op een evidente juridische misslag van de rechtbank zodat zij niet gehouden is aan dat deel van de eindbeslissing. Het persoonlijk recht als bedoeld in artikel 3:226 BW van [eiseres in conventie] van gebruik en bewoning van [woning]t is immers een vermogensrecht en aantasting of ontneming van dat vermogensrecht van [eiseres in conventie] levert vermogensschade op voor [eiseres in conventie].

2.8. Als uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht geldt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de situatie moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd bij correcte nakoming van de verplichtingen. Dit uitgangspunt heeft tot gevolg dat in principe moet worden uitgegaan van volledige vergoeding van de vermogensschade met dien verstande dat daarop in de wet beperkingen zijn aangebracht (artikelen 6:98, 100, 101 en 109 BW).

2.9. Voor [eiseres in conventie] betekent dit dat zij zoveel mogelijk in de situatie moet worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als haar zus [betrokkene] [woning]t niet zou hebben verkocht en geleverd. Het gemis van het genot van het recht van gebruik en bewoning van [woning]t is feitelijk niet weg te nemen en moet daarom op geld gewaardeerd worden. Daarbij geldt dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Deze bepaling biedt de rechter zoveel mogelijk vrijheid bij onder meer de keuze op welke wijze de begroting van de schade moet plaatsvinden.

2.10. [eiseres in conventie] stelt zich op het standpunt dat de schade, gelet op de aard daarvan, moet worden bepaald op basis van een abstracte schadeberekening en niet op basis van een concrete schadeberekening. Volgens [eiseres in conventie] moet in het kader van die abstracte schadeberekening dan worden uitgegaan van de huurwaarde van [woning]t.

[gedaagde sub 2 in conventie] en [gedaagde in conventie] menen dat moet worden uitgegaan van een concrete berekening van de schade die volgens [gedaagde in conventie] bestaat uit de werkelijke verhoging van de woonkosten.

2.11. De rechtbank is van oordeel dat de schade gelet op de aard daarvan moet worden vastgesteld volgens een berekening die is gebaseerd op de huurwaarde van [woning]t. Bij de door [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] voorgestane schadeberekening kan immers geen rekening worden gehouden met de derving van het woongenot van [woning]t dat mede wordt bepaald door allerlei immateriële zaken zoals de stand van de wijk, de ruimte, het uitzicht.

2.12. [eiseres in conventie] stelt dat de huurwaarde van [woning]t op 1 januari 2004 € 830,-- per maand bedroeg. Zij baseert deze stelling op het taxatierapport van 5 juli 2006 van A. Hartman, makelaar en taxateur van onroerende goederen.

[gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] betwisten de inhoud van het taxatierapport omdat dit een partijtaxatie betreft in opdracht van [eiseres in conventie] waarbij zij niet betrokken zijn. [gedaagde in conventie] wijst in dit verband nog naar een brief van [eiseres in conventie] aan haar zus [betrokkene] van 21 februari 1998 waarin [eiseres in conventie] schrijft dat volgens het puntensysteem van de Huurcommissie de maximale huurprijs voor [woning]t vanaf 1 juli 1997 fl. 462,-- per maand bedroeg.

2.13. De rechtbank kan op basis van de thans beschikbare informatie de huurwaarde van [woning]t per 1 januari 2004 niet bepalen en zij heeft daarom behoefte aan een deskundigenbericht.

2.14. Zoals hiervoor in r.o. 2.8 reeds is overwogen wordt de volledige vergoeding van de schade op grond van diverse wettelijke bepalingen beperkt.

[gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] voeren in dit verband aan dat rekening moet worden gehouden met de besparingen van [eiseres in conventie] die het vertrek uit [woning]t haar heeft opgeleverd omdat zij sindsdien [woning]t niet meer behoeft te onderhouden of daarin hoeft te investeren zoals zij in het verleden heeft gedaan. [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] begroten die besparing op € 915,-- per maand hetgeen door [eiseres in conventie] wordt weersproken.

[eiseres in conventie] meent dat geen rekening moet worden gehouden met enige besparing omdat het onderhoud en de investeringen onverplicht door haar zijn gedaan terwijl de omstandigheid dat zij in het verleden dergelijke betalingen heeft gedaan nog niet betekent dat zij dit ook in de toekomst zou hebben gedaan. Volgens [eiseres in conventie] kan zij alleen maar investeringen doen als zij voldoende draagkrachtig is en dat is volgens haar al jaren niet meer het geval.

2.15. De rechtbank overweegt op dit punt het volgende.

Volgens artikel 6:100 BW moet, voorzover dit redelijk is, bij de vaststelling van de schade rekening worden gehouden met het voordeel dat een gebeurtenis voor de benadeelde oplevert, als die gebeurtenis zowel voordeel als schade oplevert.

[eiseres in conventie] heeft op de comparitie verklaard dat zij met haar zus [betrokkene] had afgesproken dat zij in [woning]t mocht blijven wonen totdat zij zou overlijden en dat zij die woning zou onderhouden. Anders dan [eiseres in conventie] meent, volgt uit die verklaring wel degelijk een verplichting van [eiseres in conventie] ten opzichte van haar zus [betrokkene], dan wel haar erfgenamen, waaronder [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie], [woning]t te onderhouden danwel daarin te investeren.

Aangenomen kan worden dat aan het onderhoud kosten verbonden zijn geweest voor [eiseres in conventie] en die kosten zijn weggevallen door het gedwongen vertrek uit [woning]t. In zoverre is dan sprake van een voordeel als hiervoor bedoeld.

2.16. Partijen twisten over de omvang van dat voordeel. De rechtbank heeft ook op dit onderdeel behoefte aan een deskundigenbericht. De deskundige zal de in redelijkheid te maken onderhoudskosten moeten begroten.

2.17. [gedaagde in conventie] heeft voorts aangevoerd dat [eiseres in conventie] ook het eigenaarsdeel van de onroerende zaak belasting voor haar rekening nam en dit is door [eiseres in conventie] niet weersproken. Hiermee dient bij de begroting van de schade rekening te worden gehouden en daarom zal [eiseres in conventie] bij akte inlichtingen moeten verschaffen over de omvang van die belasting.

2.18. [eiseres in conventie] vordert de veroordeling van [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] tot betaling van een bedrag ineens voor de door haar geleden schade en voor de nog niet ingetreden schade. [eiseres in conventie] is bij de berekening van haar vordering uitgegaan van een levensverwachting van 20 jaar gebaseerd op overlevingstafels van het CBS van 2004 en een gemiddelde huurverhoging van 3% per jaar.

2.19. [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] voeren aan dat bij de berekende levensverwachtiging geen rekening is gehouden met de mogelijkheid van een tussentijdse beëindiging van het gebruiksrecht en volgens [gedaagde in conventie] moet rekening worden gehouden met de gezondheidsproblemen van [eiseres in conventie] zoals hoge bloeddruk, overgewicht en aanleg voor suikerziekte. In dit kader hebben [gedaagde in conventie] en [gedaagde sub 2 in conventie] voor het eerst in de akte na het tussenvonnis aangevoerd dat de toekomstige schade moet worden begroot op een periodiek uit te keren bedrag.

[eiseres in conventie] hoefde hierop nog niet te reageren en zij zal daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.

2.20. In het geval [eiseres in conventie] volhardt in haar vordering tot betaling van een bedrag ineens aan schadevergoeding, heeft de rechtbank naast het voormelde deskundigenbericht behoefte aan een deskundigenbericht door een actuaris. De rechtbank zal eerst tot benoeming van een actuaris overgaan nadat [eiseres in conventie] bij akte heeft aangegeven te volharden bij haar vordering tot betaling van een bedrag ineens en na gereedkoming van het deskundigenbericht van de makelaar.

2.21. De slotsom luidt als volgt.

De rechtbank acht het nodig een deskundigenbericht in te winnen als bedoeld onder 2.13 en 2.16. Voordat daartoe wordt overgegaan, zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over de wenselijkheid van zowel dit als het onder 2.20 bedoelde deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. Tevens dient [eiseres in conventie] zich uit te laten over de schadevergoeding ineens of in termijnen (2.20). De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen.

2.22. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat met betrekking tot hetgeen hiervoor in r.o. 2.13 en 2.16 is overwogen kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige, zijnde een makelaar en taxateur van onroerend goed en lid van NVM en dat de navolgende vragen dienen te worden voorgelegd:

1. Wat was de huurwaarde van [woning]t op 1 januari 2004 ?

2. Kunt u in redelijkheid de omvang van de onderhoudskosten van [woning]t per 1 januari 2004 begroten ? En zo ja, hoeveel bedroegen die onderhoudskosten toen ?

3. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.23. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [eiseres in conventie] moeten worden betaald.

2.24. De zaak wordt op de rol geplaatst voor uitlating partijen, [eiseres in conventie] als eerste, over het onder 2.17 en 2.21 bedoelde.

in conventie en in reconventie

2.25. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 30 januari 2008 voor het nemen van een akte door [eiseres in conventie] in verband met hetgeen hiervoor in r.o. 2.17 en 2.21 is overwogen,

on conventie en in reconventie

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. M.P.C.J. van Bavel en mr. M.M. Vanhommerig en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2007.