Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1190

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
150541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op grond van artikel 6:94 BW is de rechter bevoegd de bedongen boete te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, met dien verstande dat niet minder kan worden toegekend dan vergoeding van de werkelijk schade. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 april 2007, NJ 2007, 262, aangegeven dat de in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, meebrengt dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 12 december 2007

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 150541 / HA ZA 07-25 van

1. [eiser 1 hoofdzaak],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2 hoofdzaak],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. M. Telderman te Almere,

tegen

1. [ged. 1 hfdz/eis.1 vrijw.],

wonende te Ede,

2. [ged. 2 hfdz./eis.2. vrijw.],

wonende te Ede,

gedaagden,

procureur en advocaat mr. M.E. Bosman,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 159513 / HA ZA 07-1350 van

1. [ged. 2 hfdz./eis.2. vrijw.],

wonende te Ede,

2. [ged. 1 hfdz/eis.1 vrijw.],

wonende te Ede,

eisers,

procureur mr. M.E. Bosman,

tegen

[ged. vrijw.],

wonende te z.b.w.o.v.p.,

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.], [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. vrijw. ] genoemd worden.

1. De procedure in de hoofdzaak

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 mei 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 26 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de vrijwaringszaak

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;

- het verleende verstek.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1. [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] hebben op 22 september 2006 met [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] een schriftelijke onderhandse koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres]. De koopprijs bedroeg € 219.500,-.

3.2. In de overeenkomst is de ontbindende voorwaarde opgenomen dat – kort gezegd - [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] voor 6 oktober 2006 geen financiering voor de aankoop zouden kunnen verkrijgen. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hebben zich niet op deze voorwaarde beroepen.

3.3. Op grond van de overeenkomst dienden [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] uiterlijk op 15 oktober 2006 een bankgarantie te stellen of een waarborgsom te storten voor een bedrag van € 21.950,-. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hebben deze zekerheid niet verschaft.

3.4. De overeenkomst bevat de volgende boeteclausules:

10.2. Ontbinding op grond van tekortkoming is slechts mogelijk na voorafgaande ingebrekestelling. Bij ontbinding van de overeenkomst op grond van toerekenbare tekortkoming zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij een zonder rechterlijke tussenkomst terstond opeisbare boete van € 21.950,00 (…) verbeuren, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal.

10.3. Indien de wederpartij geen gebruik maakt van zijn recht de overeenkomst te ontbinden en nakoming verlangt, zal de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij na afloop van de in 10.1 vermelde termijn van acht dagen voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming een onmiddellijk opeisbare boete verschuldigd zijn van drie promille van de koopprijs, onverminderd het recht op aanvullende schadevergoeding en vergoeding van kosten van verhaal. Indien de wederpartij na verloop van tijd de overeenkomst alsnog ontbindt dan zal deze boete verschuldigd zijn voor elke na afloop van de 10.1 vermelde termijn van acht dagen verstreken dag totaan de dag waarop de overeenkomst ontbonden is.

3.5. Nadat het notariskantoor Van Putten en Van Apeldoorn Notarissen enkele brieven aan [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hadden gestuurd die door dezen niet beantwoord zijn, heeft de notaris [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] bij brief van 1 december in gebreke gesteld en een laatste termijn gesteld voor het nakomen van de verplichtingen uit de overeenkomst. Daarbij is namens [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] tevens aanspraak gemaakt op de contractuele boete. Ook op deze ingebrekestelling is door [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] niet gereageerd.

3.6. Bij brief van 18 december 2006 heeft de raadsman van [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] de overeenkomst per 26 december 2006 buitengerechtelijk ontbonden en aanspraak gemaakt op de contractuele boete van € 21.950,- en verdere schadevergoeding.

3.7. [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] hebben tot zekerheid van hun vordering conservatoir beslag doen leggen op het woonhuis van [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.].

3.8. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hebben zich met betrekking tot de aankoop en het verkrijgen van een financiering laten adviseren door [ged. vrijw. ].

3.9. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hebben met het oog op de aankoop van de woning van de [adres] hun eigen woning aan de [adres] verkocht. Omdat de aankoop van de [adres] niet is doorgegaan, hebben zij ook de verkoop van hun eigen woning geannuleerd, op grond waarvan zij de kopers een boete van € 12.800,- hebben moeten betalen. Ook hebben zij de makelaar en het taxatiebureau moeten betalen. Het totaal van de schade als gevolg van deze annulering beloopt daarmee € 16.239,55.

4. Het geschil

in de hoofdzaak

4.1. [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] vorderen samengevat - veroordeling van [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] primair tot betaling van de contractuele boete van € 21.950,- en subsidiair tot betaling van de boete van artikel 10.3 van de overeenkomst ten bedrage van € 8.560,50, een en ander vermeerderd met rente en kosten, waaronder begrepen de kosten van het beslag.

4.2. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] voeren verweer. Zij stellen dat hun adviseur [ged. vrijw. ] hen heeft verzekerd dat zij voor de aankoop een financiering zouden kunnen verkrijgen. Voorafgaande aan de tekening van het koopcontract hebben zij dit nog uitdrukkelijk aan [ged. vrijw. ] gevraagd en die heeft gezegd dat zij zonder bezwaar konden tekenen. Vervolgens heeft [ged. vrijw. ] hun niet medegedeeld dat geen financiering is verstrekt.

4.3. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] stellen voorts dat zij, mede vanwege de reeds door hen betaalde boete aan de koper van hun huidige huis, geen draagkracht hebben om de gevorderde boetes te betalen. Zij verzoeken de rechtbank uitdrukkelijk de boete te matigen.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de vrijwaringszaak

4.5. [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] vorderen samengevat - dat [ged. vrijw. ] wordt veroordeeld om aan [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] te betalen al hetgeen waartoe [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] jegens [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] in de hoofdzaak mochten worden veroordeeld, alsmede tot betaling van de door hen geleden gevolgschade van € 16.239,55, met veroordeling van [ged. vrijw. ] in de kosten van de hoofdzaak en de vrijwaring.

4.6. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] stellen hiertoe dat zij met [ged. vrijw. ] een overeenkomst van opdracht hebben gesloten waarbij [ged. vrijw. ] zich heeft verplicht een passende financiering te verzorgen. Zij stellen dat [ged. vrijw. ] hierin is tekort geschoten doordat hij hun er niet voor 6 oktober 2006 (de datum voor welke de ontbindende voorwaarde moest worden ingeroepen) op heeft gewezen dat zij vanwege een BKR registratie niet de vereiste financiering konden verkrijgen, doch desgevraagd steeds heeft medegedeeld dat de benodigde financiering zou worden verstrekt.

4.7. [ged. vrijw. ] heeft de vordering niet weersproken.

5. De beoordeling

in de hoofdzaak

5.1. Het conservatoire beslag is gelegd met inachtneming van de wettelijke formaliteiten en termijnen.

5.2. Het staat vast dat [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] de overeenkomst niet hebben ontbonden door tijdig een beroep te doen op de ontbindende voorwaarde. Zij waren dan gehouden om de overeenkomst na te komen. Dit hebben zij niet gedaan. Daarom hebben zij, nu [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] de overeenkomst hebben ontbonden, de in de overeenkomst opgenomen boete van € 21.950,- verbeurd.

5.3. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hebben niet weersproken dat zij de boete verbeurd hebben. Wel hebben zij een uitdrukkelijk beroep op matiging van de boete gedaan. Zij hebben daartoe gesteld dat zij het slachtoffer zijn van hun adviseur [ged. vrijw. ]. De overige kosten die zij door het tekortschieten hebben moeten maken belopen € 16.239,55 en hun draagkracht is uiterst gering. Na aftrek van vaste lasten geeft hun inkomen nauwelijks ruimte voor enige betaling.

5.4. Op grond van artikel 6:94 BW is de rechter bevoegd de bedongen boete te matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, met dien verstande dat niet minder kan worden toegekend dan vergoeding van de werkelijk schade. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 april 2007, NJ 2007, 262, aangegeven dat de in deze bepaling opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts reden kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, meebrengt dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Toepassing van deze criteria brengt in het onderhavige geval mede dat een zekere matiging op zijn plaats is. Ofschoon [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] in hun relatie tot [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] in beginsel verantwoordelijk zijn voor de daden van de door hen ingeschakelde adviseur, maken het feit dat zij herhaaldelijk hebben geïnformeerd en steeds te horen hebben gekregen dat financiering wel zou worden verstrekt, het feit dat zij slechts een bescheiden draagkracht hebben en het feit dat zij vele andere kosten hebben moeten betalen als gevolg van het tekortschieten van [ged. vrijw. ] dat een onverkorte toepassing van het boetebeding tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat zou leiden.

5.5. [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] hebben een overzicht overgelegd van de schadeposten die het gevolg zijn van het niet nakomen van [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.]. Deze posten bestaan uit een lagere verkoopopbrengst, dubbele hypotheeklasten en verzekeringskosten, reiskosten van hun nieuwe adres naar Ede en extra telefoonkosten. In totaal begroten zij deze schade op € 10.657,55.

5.6. De rechtbank zal de boete daarom matigen tot een bedrag dat weliswaar boven de werkelijke schade, maar onder het bedongen bedrag ligt. In redelijkheid zal de boete worden gematigd tot het bedrag van € 14.000,-.

5.7. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] worden veroordeeld in de proceskosten.

5.8. [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] vorderen [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 97,00 voor vast recht, € 253,78 voor verschotten en € 579,00 voor salaris procureur (1 rekest x € 579,00).

5.9. [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

5.10. De kosten aan de zijde van [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] worden begroot op:

- dagvaarding € 81,71

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 388,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.737,00 (3,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.206,71

5.11. De kosten aan de zijde van [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- vast recht 485,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 1.737,00 (3,0 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 2.222,00

in de vrijwaringszaak

5.12. [ged. vrijw. ] heeft geen verweer gevoerd. Dat betekent dat de vordering, nu niet is gebleken dat deze onjuist is, kan worden toegewezen.

5.13. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [ged. vrijw. ] worden veroordeeld in de kosten van het geding in de hoofdzaak en in vrijwaring.

5.14. [ged. vrijw. ] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] worden begroot op:

- dagvaarding € 70,85

- overige explootkosten 0,00

- vast recht 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 579,00 (1,0 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 649,85

5.15. Het door [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] in de hoofdzaak gevoerde verweer diende mede ter verdediging van de belangen van [ged. vrijw. ]. De proceskosten die in de hoofdzaak voor rekening van [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] zijn gekomen, moeten daarom door [ged. vrijw. ] worden vergoed.

6. De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

6.1. veroordeelt [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] te betalen een bedrag van € 14.000,00 (veertienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 26 december 2006 tot de dag van volledige betaling;

6.2. veroordeelt [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 929,78;

6.3. veroordeelt [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] tot op heden begroot op € 2.206,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

6.4. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. wijst het meer of anders gevorderde af;

in de zaak in vrijwaring

6.6. veroordeelt [ged. vrijw. ] om aan [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] te betalen een bedrag van € 14.000,00 (veertienduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 26 december 2006 tot de dag van volledige betaling;

6.7. veroordeelt [ged. vrijw. ] om aan [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] en [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] te betalen een bedrag van € 929,78 (negenhonderdnegenentwintig euro en achtenzeventig eurocent) wegens de beslagkosten in de hoofdzaak;

6.8. veroordeelt [ged. vrijw. ] om aan [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] te betalen een bedrag van € 16.239,55 (zestienduizendtweehonderdnegenendertig euro en vijfenvijftig eurocent);

6.9. veroordeelt [ged. vrijw. ] in de proceskosten, aan de zijde van [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] tot op heden begroot op € 649,85;

6.10. veroordeelt [ged. vrijw. ] tot vergoeding aan [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] van de voor rekening van [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.] komende kosten van de hoofdzaak ten bedrage van € 2.206,71 voor [eiser 1 hfdz.] en [eiser 2 hfdz.] en € 2.222,00 voor [ged 2 hfdz./eis. 1 vrijw.] en [ged. 1 hfdz/eis. 2 vrijw.];

6.11. verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.12. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2007.