Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1186

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-12-2007
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
161459
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afkoop levensverzekering door de curator; hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2008, 30
PJ 2011/11 met annotatie van W.M.A. Kalkman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 161459 / HA RK 07-243

Beschikking van 6 december 2007

in het hoger beroep van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

procureur mr. W.R.H. Jager,

advocaat mr. C. van den Bergh te Rotterdam,

tegen de beschikking in de zin van artikel 22a lid 2 van de Faillissementswet (Fw) van de rechter-commissaris van de rechtbank te Arnhem in het faillissement van appellant.

1. De procedure:

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift ex artikel 67 Fw d.d. 28 september 2007 met producties, op deze datum per fax en later per gewone post ingekomen

- het aanvullend beroepschrift d.d. 4 oktober 2007

- het op 21 november 2007 ingekomen verweerschrift, tevens voorwaardelijk antidotaal rekest, van na te noemen curator mr. Houtman met producties

- de op 21 november 2007 gefaxte nadere producties van appellant

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank, gehouden op 22 november 2007, waarbij appellant en zijn advocaat en de curator zijn verschenen en hun standpunten hebben toegelicht.

1.2. De rechtbank heeft de uitspraak van haar beschikking op heden bepaald.

2. De feiten:

2.1. Bij vonnis van deze rechtbank van 20 april 2005 is appellant in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. R.A. Boon tot rechter-commissaris en mr. A.C. Zondervan tot curator. Nadien is mr. D.M.I. de Waele benoemd tot rechter-commissaris en mr. C.W. Houtman tot curator.

2.2. In het faillissement vallen drie verzekeringen, die appellant op zijn leven heeft gesloten bij AEGON Levensverzekering N.V., te weten:

- polisnummer L 262 14951 met ingangsdatum 12 december 1985 en einddatum 12 december 2005 met een gegarandeerde einduitkering van € 121.792,00 en een huidige afkoopwaarde van € 88.705,00;

- polisnummer L 263 73207 met ingangsdatum 15 augustus 1991 en einddatum 15 augustus 2021 met een gegarandeerde einduitkering van € 168.168,00 en een huidige afkoopwaarde van € 86.778,00;

- polisnummer L102 55179 met ingangsdatum 1 april 1996 en einddatum 1 april 2018 met een gegarandeerde einduitkering van € 210.554,00 en een huidige afkoopwaarde van € 67.286,00.

2.3. De curator heeft de rechter-commissaris verzocht om tot afkoop van deze levensverzekeringen te mogen overgaan en de rechter-commissaris heeft hem bij de bestreden beschikking toestemming gegeven om de eerste twee levensverzekeringen af te kopen, aangezien de derde levensverzekering in beginsel reeds in een afdoende oudedagsvoorziening voorziet. Ten aanzien van deze derde verzekering heeft de rechter-commissaris haar beslissing tot afkoop aangehouden in afwachting van een nadere toelichting met bewijsstukken van appellant.

3. De beoordeling

3.1. Het hoger beroep is tijdig en op de juiste wijze ingesteld. De aanhouding van de beslissing op het verzoek om de derde levensverzekering af te kopen is evenwel geen beschikking ex artikel 22a lid 2 juncto artikel 67 Fw, zodat appellant in zoverre niet-ontvankelijk is in zijn beroep. In verband hiermee komt de rechtbank niet toe aan hetgeen de curator in het voorwaardelijk antidotaal rekest heeft aangevoerd.

3.2. Met betrekking tot de eerste twee verzekeringen overweegt de rechtbank als volgt.

Het uitgangspunt is dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor zijn schulden en dat in het kader van de afwikkeling van zijn faillissement dat gehele vermogen wordt vereffend. Uitzonderingen hierop zijn neergelegd in de artikelen 21 en 22a Fw. Voor een belangrijk deel strekken deze uitzonderingen ertoe te waarborgen dat de gefailleerde over het hoogstnoodzakelijke voor zijn levensonderhoud kan beschikken (zie ook Hoge Raad 22 november 2002, NJ 2003, 32). Tot die uitzonderingen behoort het recht op het doen afkopen van levensverzekeringen indien door het te gelde maken c.q. afkopen daarvan de verzekeringnemer onredelijk wordt benadeeld.

3.3. Dit laatste is thans neergelegd in artikel 22a lid 1 aanhef en sub a. Fw. Blijkens de Vierde Nota van Wijziging op de voorloper van dit artikel (Tweede Kamer, vergaderjaar 1994-1995, 22 969, nr. 20 pagina’s 5/6) is met onredelijke benadeling bedoeld, de uitwinning van een levensverzekering met een verzorgingskarakter waarvoor in andere regelingen geen of onvoldoende bescherming bestaat. Daarbij is onder meer van belang of een dergelijke voorziening nog noodzakelijk is naast eventueel reeds elders bestaande aanspraken, zoals die ingevolge de Algemene Ouderdomswet etc. Is - aldus nog steeds de wetgever - met andere woorden de verzekering niet de enige oudedags- of nabestaandenvoorziening, dan zal afkoop doorgaans eerder kunnen worden toegestaan. In de Nadere Memorie van Antwoord (Eerste Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 22 969 en 23 429, nr. 297 pagina 2) heeft de Minister nader geëxpliciteerd dat het criterium ‘onredelijke benadeling’ toestaat dat levensverzekeringen die niet of niet geheel nodig zijn ter verzorging van de oude dag of nabestaanden (geheel of gedeeltelijk) uitwinbaar zijn.

3.4. Op grond van deze wetsgeschiedenis mogen de verzekeringen worden afgekocht indien zij geen verzorgingskarakter hebben, dit wil zeggen niet bestemd zijn ter verzorging van de oude dag of nabestaanden. Daarbij kunnen in dit geval de nabestaanden van appellant buiten beschouwing blijven, omdat hij ter zitting heeft opgegeven dat zijn kinderen meerderjarig zijn en dat zijn echtgenote over voldoende eigen vermogen beschikt. Het gaat dus om de oude dag van appellant zelf. In deze is van doorslaggevend belang met welk doel de verzekeringen destijds zijn aangegaan en doet in beginsel niet ter zake welke bestemming appellant nu aan de toekomstige uitkeringen wil geven, nu inmiddels, met uitzondering van het AOW-pensioen, andere oudedagvoorzieningen al dan niet door eigen toedoen zijn vervallen of illusoir gebleken, hij in staat van faillissement is verklaard en zijn andere vermogensbestanddelen geheel of ten dele worden vereffend.

3.5. Met betrekking tot het karakter van de verzekeringen overweegt de rechtbank dat de polissen niet zijn overgelegd. Aan de hand van de toelichtingen van appellant en de curator en op grond van de overgelegde opgave van AEGON Levensverzekering N.V. d.d. 27 december 2006 kan evenwel als vaststaand worden aangenomen dat het sommenverzekeringen betreft, die niet leiden tot periodieke uitkeringen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd van appellant, maar tot eenmalige uitkeringen op de overeengekomen einddata dan wel op eerdere datum ingeval van vooroverlijden van appellant. Voorts blijkt uit die toelichtingen en de overgelegde hypotheekoffertes van AEGON Nederland N.V. d.dis 4 december 1984 en 13 februari 1996 dat de verzekeringen gekoppeld waren aan de hypothecaire leningen, die appellant en zijn echtgenote bij AEGON hebben afgesloten in verband met de aankoop en verbouwingen van hun landgoed met vrijstaand woonhuis en dependance, erf, tuin en onder- en omliggende grond te Kekerdom aan de Botsestraat 13. De rechten uit die gemengde verzekeringen zijn (aanvankelijk gecedeerd en later) verpand aan AEGON Nederland N.V. en in de laatste offerte is uitdrukkelijk bedongen dat de lening van in totaal f. 1.300.000,00 dient te worden afgelost door middel van (deze twee en de derde) onder de zekerheden genoemde gemengde verzekeringen. Hieruit volgt dat de verzekeringen niet zijn aangegaan als oudedagvoorziening, maar ter aflossing van de hypothecaire leningen. De omstandigheid dat appellant, zoals hij stelt, er op speculeerde dat hij bij het opeisbaar worden van de leningen deze op andere wijze zou kunnen aflossen, in het bijzonder uit de waardestijging van het onroerend goed, en dat daardoor de uitkeringen vrij zouden vallen, maakt de primair door de bank bedongen en door appellant aanvaarde doelstelling van de verzekeringen niet anders.

3.6. Op grond van het vorenstaande moet worden aangenomen dat de verzekeringen het vereiste verzorgingskarakter ontberen, zodat appellant niet onredelijk wordt benadeeld door de afkoop daarvan. Het hoger beroep tegen de afkoop van de eerste twee polissen wordt mitsdien ongegrond verklaard en de beschikking van de rechter-commissaris wordt op dit onderdeel bekrachtigd, zij het op andere gronden.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1. Verklaart appellant niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris, voor zover hierbij de beslissing tot toestemming voor de afkoop van de levensverzekering met polisnummer L102 55179 is aangehouden;

4.2. Verklaart het hoger beroep voor het overige ongegrond en bekrachtigt de toestemming van de rechter-commissaris tot afkoop van de levensverzekeringen met polisnummers L 262 14951 en L 263 73207.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N.W. Huijgen, M.M. Vanhommerig en J.R. Veerman en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2007.

Tegen deze beschikking staat beroep in cassatie open binnen 10 dagen na de uitspraak.