Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC1174

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
04-01-2008
Zaaknummer
139988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/74 met annotatie van mr. J. Quakkelaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 139988 / HA ZA 06-711

Vonnis van 5 december 2007

in de zaak van

[eiser]

in hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van

[XXX],

wonende te Arnhem,

eiser,

procureur en advocaat mr. C.W. Langereis te Zevenaar,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

procureur mr. C. Boonman,

advocaat mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser], [XXX] en Achmea worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 27 juni 2007

- het aanvullend deskundigenbericht van 24 juli 2007

- de akte van [eiser]

- de akte van Achmea

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

ongevalsgevolgen

2.1. In verband met gerezen onduidelijkheid over de medische informatie die de deskundige [naam deskundige] aan zijn deskundigenbericht ten grondslag heeft gelegd, zijn bij het laatste tussenvonnis vragen daarover aan de deskundige gesteld. In antwoord op die vragen heeft de deskundige aan de rechtbank, samengevat, het volgende geschreven. Bij zijn onderzoek heeft hij niet de beschikking heeft gehad over de patiëntenkaart van [XXX] teruggaand tot drie jaar voor het ongeval van 31 oktober 1999. De deskundige achtte zich met de wel verstrekte informatie, waaronder overige informatie van de huisarts die zich in het procesdossier bevindt, voldoende voorgelicht en heeft niet de behoefte gevoeld de volledige patiëntenkaart op te vragen. Overigens had hij wel de beschikking over een kopie van een aantal journaalregels van het huisartsendossier van [XXX], met daarin vijf aantekeningen van de huisarts over de periode 15 juli 1994 tot 6 april 1998. Op 14 januari 1998 is aangetekend “gewicht 91 Lengte 175 Q-index : 29 overgewicht (quet<30) P/dieet.” [naam deskundige] heeft meegedeeld verder te hebben beschikt over een brief van een reumatoloog van 22 januari 1999 aan de huisarts van [XXX], waarin staat dat ondanks het vermoeden van jicht, van jicht geen sprake was. Wel had die reumatoloog vastgesteld dat er sprake was van een “statische houding, slechte algehele en spierconditie; patellofemorale artrose/chondropathie”. Als laatste heeft de deskundige vermeld te hebben beschikt over een verslag over “een accidentele intoxicatie met benzine waarvoor betrokkene in het ziekenhuis Rijnstate is behandeld.”.

2.2. Namens [eiser] is in reactie hierop aangevoerd dat kennelijk sprake is van spraakverwarring over de vraag of de deskundige de beschikking over de patiëntenkaart van [XXX] heeft gehad. Hij wijst erop dat de deskundige weliswaar meedeelt niet de ‘groene kaart’ te hebben ontvangen, maar wel een aantal regels uit het huisartsenjournaal. De ‘groene kaart’ bestaat tegenwoordig als zodanig niet meer, aldus [eiser], maar conform de opdracht van de rechtbank is wel de huisartsinformatie over de drie jaar voorafgaand aan het ongeval inclusief de specialistenbrieven aan de deskundige gestuurd. Achmea meent echter dat [eiser] de opdracht van de rechtbank tot toezending aan de deskundige van de patiëntenkaart betreffende de periode van drie jaar voorafgaande aan het ongeval heeft genegeerd. Omdat de deskundige vervolgens heeft nagelaten erop toe te zien dat hem alle door de rechtbank nodig geachte stukken werden toegezonden, handhaaft zij haar (primaire) standpunt dat het rapport vanwege de wijze van totstandkoming niet als bewijsmiddel kan dienen voor de stellingen van [eiser] In herstel van het gebrek door alsnog toezending van de patiëntenkaart heeft Achmea geen vertrouwen. Overigens roept de ‘accidentele benzineintoxicatie’ die [XXX] kennelijk heeft doorgemaakt nieuwe causaliteitsvragen bij Achmea op.

2.3. Uit het antwoord van de deskundige op de vraag of hij de beschikking heeft gehad over de patiëntenkaart van [XXX] lijkt te volgen dat dat niet zo is geweest. De beschrijving van en de toelichting op de door hem ontvangen nadere medische stukken doet echter, mede bezien in het licht van hetgeen namens [eiser] is aangevoerd, sterk vermoeden dat de deskundige wél de beschikking heeft gehad over de beschikbare huisartsen- en overige medische informatie over ruim drie jaren vóór het ongeval van 31 oktober 1999. De deskundige heeft uiteengezet dat hij zich met deze en de overige informatie van de huisarts die in het procesdossier zat voldoende voorgelicht achtte om de vragen van de rechtbank te kunnen beantwoorden. Aangezien er in het onderhavige geval geen sprake was van gerichte vermoedens van (relevante) pre-existente psychiatrische of cognitieve klachten bij [XXX] - dat is althans gesteld noch gebleken - is er in zoverre geen reden te concluderen tot een gebrek in de totstandkoming van het deskundigenbericht dat aan gebruik ervan in de onderhavige procedure in de weg staat.

2.4. In zijn rapport heeft [naam deskundige], voor zover thans relevant, geschreven:

“BESCHOUWING

Betrokkene is op 31 oktober 1999 slachtoffer geweest van een ongeval. Bij dit ongeval was er sprake van een femur fractuur (linkerbeen) en een commotio cerebri (hersenschudding). Hij is na het ongeval kortdurend buiten bewustzijn geweest. (....)

Kort na het ongeval ontstond er een aantal psychische klachten. Deze problemen worden door betrokkene in de anamnese beschreven en worden door andere bronnen bevestigd. (...)

Het is jammer dat er in deze periode na het ongeval geen gerichter onderzoek heeft plaatsgevonden naar de klachten van betrokkene. (...)

Zeer waarschijnlijk is er, vanuit neurologisch gezichtspunt bekeken, sprake geweest van een postcommotioneel beeld. Ook de hoofdpijnen waar betrokkene nog steeds veel last van heeft, zijn nooit onderwerp geweest van neurologische diagnostiek en behandeling. Hierbij heeft de houding van betrokkene een rol gespeeld: hij heeft weinig vertrouwen in hulpverlening en heeft weinig pogingen gedaan om zijn problemen te laten onderzoeken of behandelen.

Daarnaast komt op vele plaatsen in het dossier naar voren dat betrokkene naar een psychiater wordt doorverwezen omdat behandeling noodzakelijk wordt geacht i.v.m. veronderstelde depressieve en psychosociale problematiek. (...)

Een in mei 2006 bij Groot Klimmendaal verricht neuropsychologisch onderzoek (zie bijlage 1) laat zien dat er op dat moment weinig neuropsychologische schade was vast te stellen bij het onderzoek.

Er worden bij anamnese en onderzoek een aantal persoonlijkheidskenmerken gevonden die het voor betrokkene zeer moeilijk hebben gemaakt om te gaan met de gevolgen van het ongeval en de postcommotionele klachten. Deze zijn ook in het verleden enige malen door andere onderzoekers genoemd en in de verrichte neuropsychologische onderzoeken naar voren gekomen. Deze persoonlijkheidskenmerken geven een gedeeltelijke verklaring voor de gang van zaken in de periode na het ongeval. Zijn persoonlijkheidskenmerken bestonden al voor het ongeval in 1999. Er waren ook toen al een aantal opvallende zaken in zijn functioneren, bijvoorbeeld m.b.t. zijn schoolcarrière en m.b.t. het aangaan van langdurende en intiemere relaties.

Betrokkene neigt tot een passieve manier van omgaan met problemen. (...)

Daarnaast gebruikt betrokkene nog een andere methode om met spanningen en onvrede om te gaan. Als de druk toeneemt, neigt hij tot somatiseren: het vertalen van spanningen in lichamelijke klachten. Deze neiging wordt ook benoemd in eerder verricht neuropsychologisch onderzoek. Met somatiseren wordt bedoeld: de onbewuste neiging om problemen te vertalen in lichamelijke klachten. Somatiseren is in principe een normaal mechanisme dat door vrijwel iedereen wordt gebruikt om spanningen die niet op een adequate wijze kunnen worden geuit, beleefd of opgelost, te vertalen in lichamelijke klachten. Door het ongeval is er een periode van ernstige problemen ontstaan in het leven van betrokkene. Voor een deel bestaan deze problemen nog steeds: een geïsoleerd bestaan, moeite om werk te vinden. De spanningen die hij ervaart, uiten zich in het blijven hangen in lichamelijke klachten.

Gezien het feit dat betrokkene voor het ongeval redelijk heeft gefunctioneerd, is er geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis in psychiatrische zin. Wel zijn er trekken van een vermijdende persoonlijkheid aanwezig.

De persoonlijkheidskenmerken van betrokkene geven hem niet de mogelijkheid om op een goede manier om te gaan met de ervaren spanningen of problemen. Na het ongeval is hij de greep op zijn leven verloren, het evenwicht is verstoord geraakt. Hij heeft dit niet zelf kunnen oplossen, waarbij het neurologische postcommotionele beeld een belangrijke rol heeft gespeeld: er was ook sprake van een neurologisch bepaald onvermogen om beter te functioneren. Hij heeft niet op adequate wijze hulp gezocht of gekregen. Hierdoor ontstonden nieuwe problemen: schulden, verlies van sociale contacten.”

Vervolgens heeft [naam deskundige] de hem gestelde vragen 1 b, e en f als volgt beantwoord:

“Er is geen voorgeschiedenis op mijn vakgebied voorafgaande aan het ongeval.” [1b]

“Bij de anamnese en het verrichte psychiatrische onderzoek komt naar voren dat betrokkene veel klachten heeft over zijn functioneren. Hoewel deze klachten slechts zeer gedeeltelijk geobjectiveerd kunnen worden, is het duidelijk dat hij ze als reëel beleeft. Er is geen sprake van het voorwenden van symptomen of bedrog. Bij psychiatrisch onderzoek is er sprake van depressieve symptomen: een berustende, inactieve opstelling, verlies van plezier en initiatief, een verminderd driftleven.

Diagnostisch is er sprake van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Bij een aanpassingsstoornis ontstaan symptomen in reactie op een aanwijsbare stressveroorzakende factor. In het geval van betrokkene zijn het ongeval, de postcommotionele problemen, het verlies van zijn werk, de schulden die zijn ontstaan en de sociale situatie waarin hij terecht is gekomen (…) duidelijke, ernstige stressveroorzakende factoren. Omdat de stoornis langer dan 6 maanden bestaat, is er sprake van een chronische aanpassingsstoornis. Daarnaast is er een aantal persoonlijkheidskenmerken die betrokkene kwetsbaar maakten voor het ontstaan van een psychiatrische stoornis, en die het herstel hebben vertraagd. Er is echter geen sprake van een persoonlijkheidsstoornis. (…)” [1e]

“Differentiaaldiagnostisch is een depressieve stoornis in engere zin te overwegen. Omdat de stressfactoren zo duidelijk aanwijsbaar zijn en zo bepalend zijn voor zijn leefsituatie, is deze mogelijkheid minder waarschijnlijk. Differentiaal diagnostisch zou een nagebootste stoornis of simulatie moeten worden overwogen. Voor de diagnose nagebootste stoornis dienen er opzettelijke klachten te worden veroorzaakt of voorgewend, met als motivatie de rol van ‘zieke’ te krijgen. Hiervan is bij betrokkene geen sprake. Bij simulatie worden ook bewust klachten voorgewend, maar is er sprake van externe motivatie, bijvoorbeeld geldelijk gewin. Ook hiervan is geen sprake. Betrokkene heeft, zowel financieel als maatschappelijk gezien, zeer grote schade geleden door zijn klachten.

De hoofdpijnklachten kunnen een gevolg zijn van het ongeval (na een commotio cerebri treden vaak, ook lang na het ongeval, hoofdpijnklachten op). Om dit vast te stellen is een neurologisch onderzoek noodzakelijk, teneinde andere oorzaken uit te sluiten. Zij kunnen echter ook goed passen bij de vastgestelde aanpassingsstoornis en ook een gevolg zijn van somatisatie.” [1f]

“Betrokkene leeft geïsoleerd. Zijn sociale omgeving is erg ingekrompen. Hij is niet bezig met hobby’s of sport. Hij heeft veel subjectieve klachten: snel vermoeid, moeite met concentreren, overgevoelig voor geluid, geheugenstoornissen. Deze klachten kunnen slechts ten dele geobjectiveerd worden. Zij vormen echter een grote belemmering bij pogingen tot reïntegratie. (…)” [1g]

“Ten aanzien van de psychiatrische problematiek is er geen sprake van een eindtoestand. De laatste jaren is betrokkene steeds beter gaan functioneren. Dit blijkt uit de anamnese, maar ook bijvoorbeeld uit de resultaten van de verrichte neuropsychologische onderzoeken. Het kunnen accepteren van psychiatrische hulp en het eventuele gebruik van medicatie zou de verbetering waarschijnlijk sterk bevorderen. “ [1h]

“Ik acht, zeker als betrokkene hulpverlening kan accepteren, de prognose gunstig.” [1 i]

“Dit is afhankelijk van het feit of betrokkene de stap naar de hulpverlening kan zetten.” [1 g]

“In principe acht ik het mogelijk dat betrokkene kan functioneren op het niveau voorafgaande aan het ongeval.” [1 k]

2.5. Tegen de inhoud van de hierboven geciteerde bevindingen en conclusies van de deskundige hebben de partijen geen bezwaren geuit. De rechtbank kan zich voor het overgrote deel vinden in de bevindingen en conclusies van de deskundige en maakt deze - behoudens enkele, later nog te vermelden uitzonderingen, tot de hare. Daarmee wordt voor de verdere afwikkeling van deze zaak tot uitgangspunt genomen dat de psychische klachten die [XXX] ondervindt – door [naam deskundige] gediagnosticeerd als een aanpassingsstoornis met een depressieve stemming – hoofdzakelijk als ongevalsgevolg moeten worden aangemerkt. Het is voldoende aannemelijk dat [XXX] na het ongeval geconfronteerd is met een postcommotioneel beeld, gelet op al hetgeen [naam deskundige] daarover heeft gerapporteerd en de medische informatie waarop hij dat baseert. Met de daaruit voortvloeiende neuropsychologische en overige klachten heeft [XXX] door bepaalde persoonlijkheidskenmerken niet kunnen omgaan en door die kenmerken is hij ook niet in staat geweest op adequate wijze hulp daarvoor te zoeken en/of te aanvaarden. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de genoemde stoornis.

2.6. Met betrekking tot het verweer van Achmea dat de persoonlijkheid van [XXX] en/of relatieproblemen (mede) debet zijn aan de na het ongeval van 31 oktober 1999 ontstane problemen wordt het volgende overwogen. Zoals hiervoor is vastgesteld, hebben bepaalde persoonlijkheidskenmerken van [XXX] inderdaad bijgedragen aan het ontstaan van de stoornis. In aanvulling op het hierboven al geciteerde heeft de deskundige daarover geschreven:

“(...) Deze persoonlijkheidskenmerken hebben zeker een rol gespeeld bij de gang van zaken na het ongeval. Ook het feit dat betrokkene het advies om psychiatrische hulp te zoeken niet heeft opgevolgd, hangt hier ten dele mee samen. Daarnaast speelt het postcommotionele beeld een rol bij de inadequate wijze van handelen op dit gebied.

Het feit dat betrokkene geen relatie heeft, komt ook mede voort uit zijn onvermogen om intieme contacten aan te gaan en wezenlijke zaken met een ander te delen. Hij beleeft dit echter niet als een groot probleem.” [2c].

Deze omstandigheid doorbreekt het causale verband met het ongeval van 31 oktober 1999 echter niet. Het mag zo zijn dat de bedoelde persoonlijkheidskenmerken ertoe hebben geleid dat de gevolgen van de het ongevalsletsel ernstiger en langer van duur zijn geweest dan in de normale lijn der verwachtingen ligt, maar bij een onrechtmatige daad zoals door de verzekerde van RVS gepleegd (het toebrengen van letsel) zullen de gevolgen van een door de persoonlijke predispositie van het slachtoffer bepaalde reactie op die daad in het algemeen als een gevolg van de onrechtmatige daad aan de dader moeten worden toegerekend (HR 8 februari 1985, NJ 1986, 137). Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan in het onderhavige geval hiervan zou moeten worden afgeweken. Dit verweer van Achmea wordt dan ook verworpen. Hetzelfde geldt voor het verweer dat relatieproblemen (mede) een rol hebben gespeeld. Het deskundigenbericht bevat daarvoor geen concrete aanknopingspunten.

2.7. De vraag die thans nog moet worden beantwoord is of, zoals Achmea meent, de psychische problemen van [XXX] mede zijn veroorzaakt door het crossongeval van 5 januari 2001 en/of de handgranaatexplosie in het huis van zijn buren op 2 augustus 2001 [abusievelijk staat in het tussenvonnis van 14 juni 2006 - onder 2.3 - vermeld dat die explosie op 17 september 2001 heeft plaatsgevonden; rb] of dat het causale verband door deze gebeurtenissen is verbroken. Aan de deskundige [naam deskundige] is gevraagd, samengevat, of [XXX] ook aan psychiatrische klachten zou hebben geleden of zou zijn gaan lijden als het ongeval van 31 oktober 1999 wordt weggedacht, met het verzoek bij de beantwoording van die vraag het tweede ongeval en het handgranaatincident te betrekken. Hierop heeft hij geantwoord:

“Nee. In de periode voor het ongeval leidde betrokkene zijn leven op een manier die bij hem paste. Hij kon op een voor hem redelijke wijze omgaan met de problemen die hij tegenkwam. Het evenwicht dat hij in zijn leven had, had nog zeer lang in stand kunnen blijven als het ongeluk hem niet was overkomen. (…) Op grond van de anamnese en het onderzoek is het zeer onwaarschijnlijk dat het auto-ongeval en de granaatexplosie tot de huidige klachten zouden hebben geleid. De impact en de gevolgen van deze gebeurtenissen zijn van een andere orde van grootte.” [2a en 2b]

2.8. Met het oog op de beantwoording van deze causaliteitsvraag heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 8 november 2006 aan [eiser] verzocht de deskundige de huisartsenkaart van [XXX] toe te zenden vanaf drie jaar vóór het ongeval. Hieruit volgt dat óók de huisartsgegevens van ná het eerste ongeval - tot de dag van toezending - hadden moeten worden toegezonden aan de deskundige. Vaststaat dat [eiser] hieraan niet heeft voldaan. Op grond van het aanvullend deskundigenbericht en de akte van [eiser] wordt aangenomen dat enkel de huisartsgegevens van vóór het eerste ongeval aan de deskundige zijn toegezonden. In zoverre heeft Achmea dan ook gelijk wanneer zij stelt dat [eiser] niet alle gevraagde gegevens aan de deskundige heeft overgelegd. De vraag is of hieraan het gevolg moet worden verbonden dat, zoals Achmea stelt, het deskundigenbericht (in zoverre) buiten beschouwing moet worden gelaten.

2.9. Juist is op zichzelf dat bij gebreke van die huisartsenkaart de deskundige niet heeft kunnen nagaan of [XXX] naar aanleiding van het tweede ongeval en/of het handgranaatincident zijn huisarts heeft geconsulteerd en zo ja, wat diens bevindingen waren. Desalniettemin heeft de deskundige met betrekking tot de rol van deze twee voorvallen bepaalde conclusies getrokken die de rechtbank ook zonder toetsing aan de huisartsenkaart valide voorkomen. Daarbij moet voorop worden gesteld dat, zoals de deskundige mede op basis van de huisartseninformatie van vóór het ongeval heeft bevestigd, [XXX] tot het ongeval van 31 oktober 1999 redelijk en op een bij hem passende manier heeft gefunctioneerd. Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat [XXX], om de hiervoor uiteen gezette redenen, aansluitend aan dit ongeval te maken heeft gekregen met de gevolgen van het postcommotioneel syndroom en daardoor toen psychische en/of cognitieve klachten ondervond. Aan die klachten en het ontstaansmoment ervan wordt gerefereerd in de brief van de neuroloog [naam neuroloog] in zijn brief van 8 augustus 2000 en in de brief van de huisarts van [XXX] van 12 december 2000. Deze klachten (én brieven) dateren van vóór het tweede ongeval en het handgranaatincident. Tegen deze achtergrond bezien is aannemelijk dat, zoals de deskundige het stelt, die twee latere voorvallen van een andere orde van grootte voor [XXX] zijn geweest. Het eerste ongeval - met de eerder omschreven, duidelijk aanwijsbare gevolgen voor [XXX] - heeft hem danig uit zijn evenwicht gebracht. Hoewel de andere twee voorvallen [XXX] niet volledig onberoerd zullen hebben gelaten - hetgeen door [eiser] op zichzelf ook wordt toegegeven - is in het licht van de op het moment van die voorvallen al bestaande klachten niet aannemelijk dat die latere voorvallen zelfstandige betekenis hebben gehad voor of wezenlijke invloed hebben gehad op de (verdere) ontwikkeling van die klachten. In de wél beschikbare informatie van ná het tweede ongeval en/of het handgranaatincident - waaronder ook van de huisarts in briefvorm afkomstige informatie - heeft de deskundige kennelijk geen aanwijzing gevonden voor een dergelijke aanname.

2.10. Mede in het licht van de vrij algemene stellingen van Achmea over deze causaliteitskwestie valt in verband met al het voorgaande redelijkerwijs niet te verwachten dat de huisartsenkaart van [XXX] van ná het ongeval van 31 oktober 1999 zodanige informatie bevat dat kennisname daarvan de deskundige [naam deskundige] (of een andere deskundige) tot een ander oordeel zou brengen. Bij de rechtbank is bovendien niet de indruk ontstaan dat aan de zijde van [XXX] bewust onvolledige informatie aan de deskundige is verstrekt. Veeleer lijkt dit op een misverstand over het verzoek van de rechtbank te berusten. Overigens maakt Achmea zelf in haar laatste akte inmiddels dezelfde vergissing, waar zij de verplichting tot overlegging van ‘de patiëntenkaart betreffende de periode van drie jaar voorafgaande aan het ongeval’ aanhaalt. Hoe dit alles ook zij, bij de huidige stand van zaken is er geen aanleiding het rapport van [naam deskundige] op dit onderdeel buiten beschouwing te laten en - dus - evenmin de partijen nader (tegen-)bewijs op te dragen met betrekking tot de causaliteitsvraag. Ook de conclusies van de deskundige met betrekking tot het ontbreken van relevante invloed van het tweede ongeval en het handgranaatvoorval op de psychische klachten neemt de rechtbank over. Het onderhavige causaliteitsverweer van Achmea faalt dus eveneens.

2.11. De stelling van Achmea dat de door de deskundige thans vermelde benzine-intoxicatie aanleiding geeft tot nieuwe causaliteitsvragen heeft zij in het geheel niet onderbouwd, zodat daaraan om die reden voorbij wordt gegaan.

2.12. Op basis van het uitgangspunt dat [XXX] door het ongeval van 31 oktober 1999 een beenbreuk en een hersenschudding met een postcommotioneel syndroom en daardoor een aanpassingsstoornis heeft ontwikkeld, wordt toegekomen aan de beoordeling van de namens hem ingestelde vorderingen. Het debat tussen de partijen daarover is nog niet volledig gevoerd. Vooruitlopend op de voortzetting daarvan wordt op grond van hetgeen nu reeds door de partijen is aangevoerd en hetgeen is gebleken uit het deskundigenbericht het volgende overwogen en beslist.

schadebeperkingsplicht

2.13. Achmea meent dat [XXX] door zich niet te onderwerpen aan de noodzakelijke psychotherapeutische en/of psychiatrische behandelingen niet voldaan heeft aan de op hem rustende schadebeperkingsplicht. Met dit ‘eigen-schuld’-verweer doelt Achmea op het bepaalde in art. 6:101 BW.

2.14. Voor het antwoord op de vraag of [XXX] (een deel van) zijn schade zelf moet dragen omdat die mede het gevolg is van een aan hemzelf toe te rekenen omstandigheid - het niet ondergaan van de noodzakelijke (para)medische behandelingen - acht de rechtbank van belang hetgeen de deskundige daarover heeft opgemerkt:

“Er is een indicatie voor psychiatrische/psychotherapeutische behandeling. Hierin zou het gebruik van medicatie nodig kunnen zijn. De behandeling zou zich moeten richten op reactivering en het behandelen van de aanpassingsstoornis die is vastgesteld. Daarnaast zou betrokkene in een therapie moeten leren adequater om te gaan met problemen in zijn leven.” [4a]

“Er is een gering aantal contacten geweest met een psycholoog en een psychiater. Er is echter nooit sprake geweest van een adequate en systematische behandeling of therapie.” [4b]

“Uit het dossier en uit de anamnese blijkt dat betrokkene na het ongeval op verschillende momenten door behandelaren of instanties is doorverwezen naar een psychiater. Hij heeft een aantal contacten met hulpverleners gehad, maar deze zijn steeds na korte tijd afgebroken. Hierin hebben een aantal zaken een rol gespeeld:

- Betrokkene is niet erg gemotiveerd voor hulpverlening op dit gebied. Hij verwacht er weinig van. Hij is er van overtuigd dat zijn problematiek niet door anderen wordt begrepen en dat hij het niet goed kan uitleggen. Hij wil geen medicatie gebruiken.

- Het kortstondige contact dat hij had met de psychiater [naam psychiater] heeft hem in zijn opvattingen gesterkt en zijn motivatie om de geadviseerde hulp te zoeken verder verminderd.

- Door de gevolgen van de hersenschudding (postcommotioneel syndroom) was het voor hem erg moeilijk zijn situatie te overzien en op adequate wijze stappen te ondernemen richting hulpverlening.” [4c]

“Zoals aangegeven bij de beantwoording van vraag 4c, is het feit dat er geen sprake is geweest van behandeling van de psychische problematiek, niet alleen te wijten aan de opstelling van betrokkene. Behandeling zou echter zeker een positieve uitwerking hebben gehad op de symptomatologie en de beperkingen.” [4d].

2.15. Ook deze bevindingen en conclusies van de deskundige, waarop de partijen geen kritiek hebben geuit, worden door de rechtbank overgenomen. Op grond daarvan staat op zichzelf vast dat de schade is verergerd - in die zin dat herstel langer duurt - doordat [XXX] zich niet op adequate wijze heeft laten helpen. Echter, gelet op al hetgeen de deskundige over de persoonlijkheidskenmerken van [XXX] heeft vastgesteld, wordt zijn vermogen tot het zoeken van adequate hulp daardoor tot op zekere hoogte beperkt. Bovendien waren zijn postcommotionele klachten daarop ook nog van negatieve invloed. Daarom kan niet worden gezegd dat het [XXX] kan worden aangerekend dat hij tot op heden geen adequate hulp heeft gezocht. Hij was er door de ongevalsgevolgen en door een in de risicosfeer van Achmea liggende persoonlijke predispositie (in elk geval tijdelijk) niet toe in staat, zodat het daarom redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.

2.16. Het voorgaande betekent niet dat het zoeken van adequate hulp ook thans niet van [XXX] kan worden gevergd. De deskundige ziet verbeteringen in de neuropsychologische prestaties van [XXX] en in [XXX]’s functioneren. In mei 2006 was er nog maar weinig neuropsychologische schade vast te stellen. De prognose acht de deskundige gunstig: hij acht het mogelijk dat [XXX], in geval hij de stap naar hulpverlening kan zetten, kan functioneren op het niveau voorafgaande aan het ongeval. Mede gelet op dit gunstige perspectief en in aanmerking genomen dat de negatieve invloed van het postcommotionele beeld op zijn vermogen hulp te zoeken niet langer bestaat of op zijn minst is afgenomen - de deskundige spreekt daar immers in de verleden tijd over - kan inmiddels in redelijkheid van [XXX] worden gevergd dat hij de psychiatrische en/of psychotherapeutische hulp gaat zoeken die hij nodig heeft. De keuze of hij daartoe daadwerkelijk overgaat is aan hem, maar de gevolgen van de keuze dat niet te doen zullen vanaf een - nog nader te bepalen - moment in de nabije toekomst redelijkerwijs niet meer voor rekening van Achmea kunnen worden gebracht.

Arbeidsvermogens- en pensioenschade

2.17. [eiser] heeft namens [XXX] een bedrag van EUR 416.706,00 aan verlies van arbeidsvermogen en een bedrag van EUR 48.525,00 aan pensioenschade gevorderd. Daaraan heeft hij de volgende stellingen ten grondslag gelegd. [XXX] heeft als gevolg van ongevalsgerelateerde klachten zijn baan bij [naam bedrijf] als assistent telecom engineer verloren. Die functie heeft hij tot 1 november 2002 fulltime uitgeoefend en daarmee verdiende hij op het laatst EUR 1.872,-- bruto (EUR 1.310,00 netto) per maand. Van 1 november 2002 tot 1 november 2003 heeft [XXX] 32 uur per week bij [naam bedrijf] gewerkt als technisch verkoper, tegen een lager salaris van EUR 950,00 netto per maand. Door de verslechterde marktsituatie is hij ook die baan kwijtgeraakt. Van 1 november 2003 tot 1 november 2004 heeft [XXX] een WW-uitkering ontvangen van EUR 800,00 per maand, gevolgd door een bijstandsuitkering gebaseerd op de Wet Werk en Bijstand (WWB). De schadeberekening die [eiser] in het geding heeft gebracht (productie 25 bij dagvaarding) gaat uit van de volgende uitgangspunten. Zonder het ongeval zou [XXX] zijn baan bij [naam bedrijf] tot zijn 61e hebben voortgezet. In de situatie met ongeval heeft [XXX] met ingang van 1 november 2004 geen werk meer gehad en hij zal ook geen werk meer kunnen vinden door de ongevalsgevolgen. De WWB-uitkering die hij vanaf die datum heeft ontvangen zal hij moeten terugbetalen indien en voorzover hem schadevergoeding wordt uitgekeerd, zodat die feitelijke inkomsten niet in de berekening moeten worden meegenomen. De pensioenschade is gebaseerd op het ontbreken van pensioenopbouw vanaf 1 november 2002 tot aan de 61-jarige leeftijd. Bij de kapitalisatie van het toekomstige deel wordt uitgegaan van een rekenrente van 3% en de statistische sterftekansen van [XXX].

2.18. Achmea heeft ter betwisting van de gestelde schade, onder andere, het volgende opgemerkt. [XXX] heeft ook na het ongeval van 31 oktober 1999 nog een goede beoordeling van zijn voormalige werkgever [naam bedrijf] gehad. Hij was toen niet arbeidsongeschikt en later ook niet, getuige ook zijn opmerking daarover tegen de deskundige. [XXX] is dan ook nimmer in het kader van de WAO en dergelijke (af)gekeurd. Mede gelet op de goede prognose en op de lopende reïntegratieactiviteiten valt er verbetering in de werksituatie van [XXX] te verwachten. Er is nog geen eindtoestand, zodat nog niet tot afwikkeling kan worden gekomen.

2.19. Bij de beoordeling van eventueel verlies van arbeidsvermogen gaat het erom het verschil vast te stellen tussen wat feitelijk sinds het ongeval aan inkomsten is en zal (kunnen) worden ontvangen en hoeveel dat zou zijn geweest als het ongeval niet was geschied. Hiertoe zal een vergelijking moeten worden gemaakt van de inkomenssituatie waarin [XXX] feitelijk door het ongeval is en zal komen te verkeren en de hypothetische arbeids- en inkomenssituatie van [XXX] zoals die zich zonder het ongeval van 31 oktober 1999 redelijkerwijs zou hebben ontwikkeld. Daarbij zal ter bepaling van de toekomstige feitelijke situatie en de hypothetische situatie zonder ongeval acht moet worden geslagen op goede en op kwade kansen, op basis van redelijke verwachtingen. Op grond van het voorgaande en de stellingen van de partijen tot nu toe kan thans reeds het volgende tot uitgangspunt worden genomen.

2.20. Pas per 1 november 2002 is er een wijziging gekomen in de inkomenspositie van [XXX], toen er een einde kwam aan zijn fulltime dienstverband met [naam bedrijf]. Zoals ook blijkt uit de door [eiser] overgelegde berekening, ontstaat de eventuele arbeidsvermogensschade eerst met ingang van die dag.

2.21. Direct na het einde van zijn dienstverband met [naam bedrijf] is [XXX] op 1 november 2002 voor vier dagen per week als technisch verkoper in dienst getreden van [naam bedrijf], totdat per 1 november 2003 aan dit dienstverband een einde kwam. Zowel de lagere beloning van de nieuwe functie als de kortere arbeidsduur hebben tot een verslechtering van de inkomenspositie van [XXX] geleid. Echter, blijkens de eigen mededelingen van [XXX] aan de deskundige was de directe aanleiding van zijn ontslag bij [naam bedrijf] een reorganisatie bij KPN waardoor de mensen die er gedetacheerd waren overbodig werden, terwijl bij [naam bedrijf] op dat moment geen vervangend werk voorhanden was. Dat hij deze baan is kwijtgeraakt vanwege de gevolgen van het ongeval en de invloed daarvan op zijn functioneren is, gelet daarop en op de onbetwiste stelling van Achmea dat [XXX] na het ongeval nog een goede beoordeling heeft gehad, niet aannemelijk. Het moet er daarom voor worden gehouden dat ook zonder het ongeval [XXX] van baan zou zijn gewisseld. De financiële gevolgen van deze wisseling komen daarom niet als ongevalsgevolg voor rekening van Achmea. Wel is op grond van het deskundigenbericht en de overige medische stukken van het geding, waaruit blijkt van de psychische en neuropsychologische klachten van [XXX], voldoende aannemelijk dat hij zonder het ongeval vijf dagen per week zou zijn blijven werken. Op grond hiervan komt het verschil aan inkomsten tussen vier en vijf dagen werk bij [naam bedrijf] in de periode 1 november 2002 - 1 november 2003 als arbeidsvermogensschade voor vergoeding door Achmea in aanmerking. Aan de partijen, [eiser] als eerste, wordt verzocht zich over de hoogte van dit verschil bij akte uit te laten, onderbouwd met bescheiden. De zaak zal daarvoor naar de rol worden verwezen.

2.22. Op 1 november 2003 is [XXX] bij [naam bedrijf] ontslagen wegens een dreigend faillissement van [naam bedrijf], waar hij overigens naar tevredenheid van zijn werkgever functioneerde. Hij heeft daarna tot 1 november 2004 een WW-uitkering genoten en aansluitend tot 1 november 2006 een bijstandsuitkering. Tegenover de deskundige heeft [XXX] verklaard dat hij er bij het zoeken naar werk tegenaan liep dat zijn vooropleiding ontoereikend was en hij geen specifieke vervolgopleidingen met betrekking tot computers heeft gevolgd. Mede gelet hierop kan deze periode van werkloosheid redelijkerwijs niet worden toegeschreven aan de gevolgen van het ongeval. Wel is het redelijk dat [XXX] over de periode 1 november 2003 - 1 november 2006 het (eventuele) verschil vergoed krijgt tussen hetgeen hij aan uitkeringen feitelijk heeft ontvangen en hetgeen hij aan uitkeringen zou hebben ontvangen indien hij bij [naam bedrijf] vijf dagen per week zou hebben gewerkt. Dat vloeit voort uit hetgeen hiervoor, aan het einde van rov. 2.21 is overwogen en beslist. Aan de partijen wordt verzocht zich over de hoogte van dit (eventuele) verschil eveneens bij akte uit te laten, voor zover mogelijk onderbouwd met bescheiden.

2.23. Per 1 november 2006 heeft [XXX] werk gevonden bij [naam bedrijf] in Driebergen voor vier dagen per week. In zijn laatste akte heeft [eiser] meegedeeld dat [XXX] ook thans nog betaald werk verricht. Onduidelijk is of dat het werk bij [naam bedrijf] betreft en hoeveel dagen per week [XXX] thans werkt. Aan [eiser] wordt verzocht zich ook daarover bij akte uit te laten, evenals over de netto-verdiensten van [XXX] bij een werkweek van vier dagen en die bij een hypothetische werkweek van vijf dagen, een en ander onderbouwd met schriftelijke bescheiden. Ook bij de begroting van dit deel van de arbeidsvermogensschade zal immers tot uitgangspunt worden genomen dat [XXX] zonder het ongeval vijf dagen zou hebben gewerkt, zodat het verschil in inkomsten tussen vier en vijf dagen werken bij [naam bedrijf] voor vergoeding in aanmerking komt. Echter, in verband met hetgeen hiervoor, onder rov. 2.16 is overwogen en beslist, wordt de looptijd van dit onderdeel van de schade beperkt tot 1 juli 2009. Dat is het moment waarop [XXX] in verband met psychiatrische en/of psychotherapeutische behandeling geacht wordt weer op zijn oude niveau te kunnen functioneren. Vanaf dat moment wordt hij geacht ook weer vijf dagen te kunnen werken.

2.24. Met betrekking tot de gevorderde pensioenschade is gesteld dat na 1 november 2002 geen pensioen meer is opgebouwd. Dit houdt echter verband met de - niet aan het ongeval toe te schrijven - wisseling van werkgever, zodat dit gat in de pensioenopbouw van [XXX] niet als ongevalsgerelateerde schade voor rekening van Achmea komt. Aan [eiser] wordt verzocht zich erover uit te laten of [XXX] per 1 november 2006 wel weer pensioen opbouwt. Zo ja, dan komt het verschil tussen de pensioenopbouw op basis van vier dagen werk en die op basis van vijf dagen werk wel als schade voor vergoeding in aanmerking, tot aan 1 juli 2009 (het moment waarop hij geacht wordt weer vijf dagen te kunnen werken).

2.25. Op grond van de hiervoor vastgestelde en nog vast te stellen uitgangspunten zal het verlies aan arbeidsvermogen en de eventuele pensioenschade van [XXX] moeten worden begroot. Met het oog hierop zal [eiser], naast de eerder al verzochte informatie, in elk geval alle relevante inkomensgegevens van [XXX] in het geding moeten brengen. Het betreft - niet limitatief - arbeidsovereenkomsten, loonstroken, uitkeringsspecificaties, jaaropgaves, belastingaangiftes en -aanslagen en/of pensioenoverzichten met betrekking tot in elk geval de periode 1 november 2002 tot op heden. Zo nodig zal de rechtbank ter berekening van deze schade een rekenkundige benoemen. De partijen kunnen zich er bij akte over uitlaten of zij het noodzakelijk achten dat een rekenkundige wordt benoemd of dat zij de schadeberekening - gelet op de relatief geringe omvang ervan - zelf (al dan niet na onderling overleg) kunnen uitvoeren. In dit laatste geval zullen zij bij hun akte een (al dan niet in/na gezamenlijk overleg opgestelde) berekening moeten overleggen. In het andere geval wordt aan de partijen verzocht zich uit te laten over de persoon van de te benoemen rekenkundige en de verdere uitgangspunten voor diens berekening voor zover daarover in dit vonnis nog niet is beslist.

Kosten bewindvoering

2.26. Namens [XXX] heeft [eiser] ook vergoeding gevorderd van de kosten in verband met de bewindvoering over het vermogen van [XXX]. Daartoe is, onder verwijzing naar verklaringen van de moeder en zus van [XXX], aangevoerd dat die door het ongeval niet meer in staat is zelf zijn financiële zaken te regelen, op grond waarvan zijn vermogen per 27 november 2001 onder bewind is gesteld. Achmea heeft bestreden dat de noodzaak tot onder bewindstelling als ongevalsgevolg kan worden aangemerkt. Achmea heeft verder bestreden dat [XXX] deze kosten daadwerkelijk verschuldigd is aan zijn bewindvoerder. Ook heeft zij aangevoerd dat deze beloning in strijd is met artikel 1:447 BW.

2.27. De noodzaak, als zodanig, tot onderbewindstelling van het vermogen van [XXX] is door Achmea niet betwist. Dat die noodzaak er was zal dan ook tot uitgangspunt worden genomen. Op grond van het deskundigenbericht is voldoende aannemelijk dat de bij [XXX] door het ongeval ontstane postcommotionele klachten, waaronder hoofdpijnen, cognitieve klachten en uiteindelijk zelfs een psychiatrische stoornis, hebben geleid tot onvermogen van [XXX] zijn financiële belangen zelf behoorlijk te behartigen. In zoverre faalt het verweer van Achmea dat causaal verband met het ongeluk ontbreekt. Echter, op grond van datzelfde deskundigenbericht en de uitkomst van het neuropsychologische onderzoek van mei 2006 is redelijkerwijs niet aannemelijk dat dat onvermogen thans nog voortduurt. Ook [XXX] zelf betwijfelt dat, getuige zijn opmerking tegenover de deskundige dat hij op dit moment ‘waarschijnlijk’ niet in staat is om zelf zijn geld te beheren. Op grond van de genoemde stukken moet het ervoor worden gehouden dat de noodzaak van het beschermingsbewind inmiddels niet meer bestaat. De omstandigheid dat de onderbewindstelling ook nu nog voortduurt en (nog) niet om opheffing daarvan is verzocht, doet hieraan op zichzelf niet af. Aangezien niet exact vastgesteld zal kunnen worden op welk moment het keerpunt is bereikt, zal de rechtbank dit schattenderwijs bepalen op 1 november 2006. Daarbij is in aanmerking genomen de datum van het laatste neuropsychologisch onderzoek en die waarop [XXX] weer aan het werk is gegaan.

2.28. Op grond van het voorgaande is nog slechts aan de orde of en zo ja, tot welk bedrag, [XXX] aanspraak heeft op vergoeding van bewindvoerdersloon over de hierboven genoemde periode van, afgerond, vijf jaar. Achmea wordt niet gevolgd in haar opvatting, geuit ter comparitie, dat er geen schade wordt geleden omdat [XXX] de bewindvoerder niet betaalt. Namens [XXX] is ter comparitie immers verklaard dat deze ‘momenteel’ niets aan de bewindvoerder betaalt en dat [XXX] een schuld heeft aan zijn bewindvoerder. Dit laatste is door Achmea niet betwist en wordt daarom tot uitgangspunt genomen. De schuld van [XXX] aan zijn bewindvoerder heeft te gelden als vermogensnadeel dat in beginsel voor vergoeding in aanmerking komt.

2.29. Er is geen grond de vergoeding voor de bewindvoerder op EUR 3.600,00 per jaar te stellen. [eiser] heeft in het geheel niet duidelijk gemaakt hoe hij op dit bedrag komt. Voor het geval hij zijn vordering heeft gegrond op de 5%-regel van art. 1:447 BW wordt het volgende overwogen. Die regel houdt in dat de beloning voor de bewindvoerder 5% van de netto-opbrengst van de vruchten van het vermogen bedraagt. De vruchten van het vermogen zijn bijvoorbeeld de verkregen rente of het dividend. In het onderhavige geval is onvoldoende gesteld en ook niet aannemelijk dat er ‘vruchten’ van het onder bewind gestelde vermogen zijn waarover de 5%-regel kan worden toegepast en nog minder dat toepassing van die regel tot een bedrag van EUR 3.600,- per jaar zou leiden. In zo’n geval kan de kantonrechter op verzoek van de bewindvoerder een beloning toekennen. Het moet ervoor worden gehouden dat de bewindvoerder van [XXX] (nog) geen verzoek om vaststelling van een beloning heeft gedaan. Dit staat er op zichzelf niet aan in de weg, gelet op de ter zake door [XXX] jegens hem erkende schuld, de schade vast te stellen op het bedrag waarop de kantonrechter, naar redelijke verwachting, die beloning zou bepalen. Daarvoor wordt aansluiting gezocht bij de door de kantonrechter gehanteerde richtlijn, die is gebaseerd op een aanbeveling uit landelijk kantonrechtersoverleg. Voor de niet-professionele bewindvoerder, zoals hier, bedraagt dat tarief per 1 januari 2005 (in beginsel) niet meer dan EUR 500,00 per jaar. Het voor vergoeding door Achmea in aanmerking komende deel van deze schadepost komt daarmee op (vijf jaren x EUR 500,00 =) EUR 2.500,00.

Smartengeld

2.30. Onder verwijzing naar volgens hem vergelijkbare gevallen in de smartengeldgids heeft [eiser] namens [XXX] een bedrag van EUR 30.000,-- aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Als relevante aspecten noemt hij de psychische klachten als gevolg van het ongeval maar ook de houding van Achmea, die weigert de ernst van de gevolgen te erkennen en vrijwel geen schadevergoeding heeft betaald. Achmea daarentegen vindt de door [eiser] aangehaalde gevallen niet met het onderhavige geval vergelijkbaar. Met een beroep op het geringe percentage functionele invaliditeit dat ooit door de neuroloog Beijersbergen (prod. 17 dagvaarding) is vastgesteld acht zij een smartengeld van EUR 3.500,00 passend

2.31. Uit het deskundigenbericht valt af te leiden dat [XXX] als gevolg van het ongeval inderdaad psychische en cognitieve klachten heeft ondervonden en tot op zekere hoogte nog steeds ondervindt. Op grond van datzelfde rapport is echter aannemelijk dat deze klachten bij aanvaarding van adequate behandeling niet van blijvende aard zullen te zijn. Ook is niet aannemelijk dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid - voor één dag per week - die zich als gevolg van ongevalsgerelateerde klachten heeft gemanifesteerd, blijvend is. Het bovenbeenletsel heeft tot operatieve behandeling(en) geleid, maar het leidt kennelijk (dagvaarding onder 5) niet of nauwelijks meer tot beperkingen. Niet valt in te zien dat de houding van Achmea dermate onredelijk is geweest dat dit een hoger smartengeld rechtvaardigt, wat er van die grondslag voor smartengeld overigens ook zij. De hoogte van de reeds betaalde voorschotten (waarover later meer), bezien in het licht van de te verwachten omvang van de totale schade, nopen niet tot die conclusie. Gelet op al het voorgaande en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen, acht de rechtbank een schadevergoeding van € 3.800,-- passend bij de immateriële schade die [XXX] als gevolg van het ongeval lijdt en heeft geleden.

materiële schade

2.32. Op het schadeoverzicht van [eiser] prijkt een post ‘geleden schade materieel’ ad EUR 1.603,70. Expliciete onderbouwing daarvan ontbreekt. Echter, in zijn algemene toelichting op het schadeoverzicht heeft [eiser] verwezen naar een als productie 27 bij dagvaarding overgelegd stuk. Dat stuk blijkt een brief te zijn van Achmea van 22 januari 2001, waarin zij diverse materiële schadeposten met een totaal beloop van EUR 1.603,70 erkent en [XXX] een voorschot in het vooruitzicht stelt. Dit bedrag maakt dan ook deel uit van de totale schade die Achmea aan [XXX] moet vergoeden, zij het dat rekening zal moeten worden gehouden met de door Achmea al betaalde voorschotten.

Buitengerechtelijke kosten/bevoorschotting

2.33. [eiser] heeft voorts de nog niet vergoede buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor [XXX] gevorderd, ad EUR 3.523,31. Hij heeft gesteld dat in totaal door Achmea EUR 25.250,-- aan voorschotten is betaald en dat daaruit een deel van de buitengerechtelijke kosten is voldaan. Volgens Achmea is in totaal EUR 22.500,-- aan voorschotten betaald, náást de vergoeding van de redelijke buitengerechtelijke kosten die volgens haar rechtstreeks aan de belangenbehartigers van [XXX] zijn voldaan.

2.34. Op grond van de stellingen van de partijen is niet duidelijk (1) hoe hoog de totale buitengerechtelijke kosten zijn, (2) waaruit zij bestaan (advocaatkosten en/of kosten rekenkundige NRL), (3) welk deel van de buitengerechtelijke kosten reeds is betaald door Achmea, (4) of de betaling(en) van de buitengerechtelijke kosten al dan niet deel uitmaakten van een meer omvattende voorschotbetaling en, in dat verband, (5) hoeveel er nu eigenlijk in totaal door Achmea aan voorschotten is uitgekeerd en (6) ten titel waarvan precies. Aan de partijen wordt verzocht zich hierover op begrijpelijke wijze uit te laten, onderbouwd met bescheiden.

2.35. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 januari 2008 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder rov. 2.21 tot en met 2.25 en 2.34,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007.

Coll. CL