Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC0692

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-12-2007
Datum publicatie
20-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/2815
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft de gemeente Wijchen aansprakelijk gesteld voor gestelde vermogensschade. De gestelde schadeoorzaak betreft feitelijk handelen van verweerder, namelijk het nalaten van verschaffen van juiste informatie omtrent zijn aanspraken op een Ioaz-uitkering. Tegen dit handelen staat geen bezwaar open, zodat tegen de beslissing van verweerder om geen schade te vergoeden, ook geen bezwaar open staat. Verweerder had het bezwaar tegen die beslissing dan ook niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/2815

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. P.P.F. Tummers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 19 juni 2007.

2. Procesverloop

Bij beslissing van 5 februari 2007 heeft verweerder het verzoek van eiser en zijn echtgenote tot vergoeding van geleden vermogensschade afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en de eerder genoemde beslissing gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 november 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan/vertegenwoordigd door mr. P.P.F. Trummers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J.M.M. Geurts.

3. Overwegingen

Op 10 oktober 2005 heeft eiser met zijn echtgenote, in verband met de voorgenomen beëindiging van de exploitatie van zijn autorijschool, een uitkering aangevraagd op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz). Bij besluit van 19 december 2005 heeft verweerder eiser toegelaten tot de personenkring van de Ioaz. Daarbij is aangegeven dat de Ioaz-uitkering wordt toegekend onder een aantal nader genoemde voorwaarden, waaronder beëindiging van zijn bedrijf. Na de daadwerkelijke beëindiging van de exploitatie van de autorijschool heeft eiser met zijn echtgenote op 6 juni 2006 een Ioaz-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 28 augustus 2006 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat de bruto-inkomsten van de echtgenote van eiser uit haar WAO-uitkering hoger zijn dan de voor hem geldende grondslag voor de Ioaz-uitkering.

Tegen de besluiten van 19 december 2005 en 28 augustus 2006 is geen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 19 januari 2007 hebben eisers en zijn echtgenote de gemeente Wijchen aansprakelijk gesteld voor de schade die eiser en zijn echtgenote hebben geleden doordat de gemeente in haar zorgplicht tekort zou zijn geschoten. Naar het oordeel van eiser had de gemeente hem op de hoogte moeten stellen dat zijn aanvraag voor een Ioaz-uitkering nooit zou kunnen worden ingewilligd nu zijn echtgenote over een WAO-uitkering beschikt. Daarbij heeft eiser gesteld dat, als hij had geweten dat hij geen recht op een Ioaz-uitkering zou hebben, hij de exploitatie van de autorijschool niet had beëindigd, en dit bedrijf tot zijn 65ste levensjaar had voortgezet.

In overleg met de gemachtigde van eiser is deze aansprakelijkstelling door verweerder opgevat als een verzoek een zuiver schadebesluit te nemen. Bij brief van 5 februari 2007 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Daartegen hebben eiser en zijn echtgenote een bezwaarschrift ingediend, waarop bij besluit van 19 juni 2007 is beslist. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat, voor zover er al schade is, deze niet kan worden toegerekend aan enig besluit van de gemeente en ook niet aan onzorgvuldig handelen van de gemeente.

In het beroepschrift wordt deze conclusie van verweerder inhoudelijk bestreden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit vaste jurisprudentie volgt dat de bestuursrechter slechts bevoegd is te oordelen over een zelfstandig schadebesluit als het onderhavige, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over de aan dat besluit ten grondslag liggende schadeoorzaak zelf. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, staat ook geen beroep open tegen een besluit naar aanleiding van een verzoek om vergoeding van schade die daardoor is veroorzaakt.

Naar ter zitting door de gemachtigde van eiser is bevestigd, is de stelling van eiser niet dat de besluiten in het kader van de Ioaz van verweerder van 19 december 2005 en 28 augustus 2006 onrechtmatig zouden zijn – tegen die besluiten is ook geen bezwaar gemaakt – maar dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld omdat eiser niet is geïnformeerd over het feit dat een Ioaz-aanvraag in dit geval niet zou kunnen worden ingewilligd. Het gaat derhalve om het gestelde nalaten van het verschaffen van juiste informatie door de gemeente. Naar het oordeel van de rechtbank betreft dit echter handelen van feitelijke aard waartegen geen bezwaar of beroep kon worden ingesteld.

Dat betekent derhalve dat de beslissing van verweerder om in dit geval de gestelde schade, die voortvloeit uit dat feitelijk handelen, niet te vergoeden evenmin voor bezwaar en beroep vatbaar is. Verweerder had het bezwaarschrift tegen zijn afwijzing van schadevergoeding van 5 februari 2007 derhalve niet-ontvankelijk in plaats van ongegrond moeten verklaren. Nu verweerder dat heeft nagelaten, is het daartegen gerichte beroep gegrond, en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in art. 8:72, vierde lid, van de Awb en zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiser tegen de primaire beslissing alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

Gelet op art. 8:71 van de Awb wijst de rechtbank erop dat eiser zich met betrekking tot zijn aanspraak op vergoeding van schade ten gevolge van het beweerdelijk onrechtmatig handelen uitsluitend tot de burgerlijke rechter kan wenden.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan art. 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 644,= aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiser met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op art. 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het door eiser ingediende bezwaar tegen de beslissing van 5 februari 2007 niet ontvankelijk;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,= en wijst de gemeente Wijchen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

bepaalt dat de betaling van deze kosten dient te worden gedaan op bankrekening 1923.25.752 ten name van DS 533 arrondissement Arnhem, onder vermelding van het registratienummer AWB 07/2815;

bepaalt voorts dat de gemeente Wijchen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 39,= aan hem vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H.J.M. Besselink, als voorzitter, mrs. G.H.W. Bodt en S.H. Bokx-Boom als rechters, en in tegenwoordigheid van mr. J. Woestenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2007 .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 17 december 2007