Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC0636

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
150970
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bestuur van de huisartsendienst heeft in redelijkheid kunnen besluiten dat er gerede twijfel was over het functioneren van eiser als postarts en dat eiser van waarnemingen werd uitgesloten. Het mocht daarbij het belang van een kwalitatief goede gezondheidszorg laten prevaleren boven het financiële belang dat eiser had bij uitoefening van de werkzaamheden als waarnemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 82
JRV 2008, 184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 150970 / HA ZA 07-85

Vonnis van 12 december 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. E.L. Pasma te Utrecht,

tegen

de coöperatie

[huisartsencoöperatie],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. A.C.H. Jansen,

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [huisartsencoöperatie] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 mei 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 12 november 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in conventie] is sinds 1980 geregistreerd als huisarts. Vanaf 1990 is hij in [woonplaats] werkzaam als huisarts zonder een eigen praktijk. Hij is lid van de Huisartsengroep (“Hagro”) [.....]. Sinds 1994 is hij wetenschappelijk staflid bij het Nederlands Huisartsen Genootschap.

2.2. [huisartsencoöperatie] is in 1999 opgericht en heeft in de kern genomen tot doel het organiseren van weekend-, avond- en nachtzorg voor patiënten in de regio [woonplaats]. Er wordt onderscheid gemaakt tussen telefoonartsen, die telefonisch hulpvragen beantwoorden, consultartsen, die op de post zorg aan patiënten verlenen en visiteartsen, die bij patiënten thuis gedurende de dienst zorg verlenen. Van [huisartsencoöperatie] kunnen in het gebied gevestigde huisartsen lid worden. Omdat [eiser in conventie] geen praktijk heeft en dus niet in het gebied gevestigd is, kan hij geen lid worden van [huisartsencoöperatie]. Op grond van art. 12 lid 1 Reglement Huisartsenpost [woonplaats] (“Reglement”) is hij door [huisartsencoöperatie] geaccepteerd om als waarnemer diensten te doen. [eiser in conventie] is toen lid geworden van de kwaliteitscommissie van [huisartsencoöperatie]. [eiser in conventie] heeft vanaf 1999 vaker dan een huisarts met een normpraktijk diensten gedaan.

2.3. Op 10 juni 2000, toen [eiser in conventie] telefoonarts was, heeft de moeder van een 6-jarige jongen tweemaal met de huisartsenpost gesproken, de tweede maal, rond 8:30 uur, met [eiser in conventie]. De klachten over de toestand van de jongen waren buikpijn, koorts, braken en diarree. [eiser in conventie] heeft aan het einde van dat gesprek tegen de moeder gezegd dat zij met het kind naar het spreekuur van 12 uur die dag moest komen. Toen de moeder en de zoon om 12 uur aankwamen, was de zoon in coma. Hij is met spoed naar het Radboud-ziekenhuis vervoerd, maar daar is hij om 12:15 uur overleden. Bij obductie bleek sprake van een geperforeerde blindedarmontsteking met etterige buikvliesontsteking. Verder was er sprake van massale hoeveelheden maaginhoud in de longen. De ouders hebben [huisartsencoöperatie] aansprakelijk gesteld. Er is een regeling buiten rechte getroffen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (“Inspectie”) heeft hierover als volgt geconcludeerd:

“Ook de huisarts luisterde op zaterdag 10 juni niet goed naar de moeder. Hij heeft niet goed nagevraagd aan wie en wanneer eerder een hulpvraag was gesteld en hij heeft hetgeen de moeder zei onvoldoende beoordeeld op zijn werkelijke inhoud, maar had zich al een bepaald beeld gevormd en zag de symptomen niet meer in zijn werkelijke context.

Er moet worden geconcludeerd dat zowel de doktersassistente als de huisarts tekort geschoten zijn in hun zorg.”

2.4. Op 5 maart 2001 om ongeveer 0:30 uur, toen [eiser in conventie] telefoonarts was, belde de echtgenote van een patiënt over pijn in de onderbuik. [eiser in conventie] heeft eerst met de patiënt gesproken en daarna met de echtgenote. Hij heeft tegen hen gezegd dat de klachten geen aanleiding waren om iets met spoed te beoordelen en dat hij geen verklaring voor de klachten had. Hij raadde het echtpaar aan de eigen huisarts te bezoeken. Het echtpaar is die dag naar de eigen huisarts gegaan, die de klachten evenmin kon verklaren. De patiënt is de dag daarop overleden, vermoedelijk als gevolg van een aneurisma dissecans. De echtgenote heeft een klacht tegen [eiser in conventie] ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege te [woonplaats]. Het Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Uit de uitspraak wordt het volgende geciteerd:

“Verweerder heeft aangevoerd dat hij aan het eind van het gesprek voor zichzelf de conclusie heeft getrokken dat hij de ongerustheid van klaagster had weggenomen. Het College heeft zich afgevraagd of hij in redelijkheid tot die conclusie kon komen. Een afdoend antwoord is niet te geven, maar ondenkbaar is het, gezien de inhoud van het telefoongesprek zoals die uit de transscriptie blijkt niet, en dat laatste moet in de onderhavige procedure ten voordele van verweerder strekken. Het College heeft geen reden daaraan te twijfelen. Klaagsters stelling dat eerder tot een visite besloten moet worden indien de arts de patiënt niet kent heeft verweerder niet weersproken en onderschrijft het College. Verweerder heeft echter terecht aangegeven dat in de dienst een afweging moet worden gemaakt of een patiënt al dan niet met spoed moet worden gezien. Deze afweging heeft verweerder tijdens het telefoongesprek met patiënt en klaagster gemaakt. Het College is van oordeel dat dit telefonisch consult en de door verweerder gemaakt afweging de hiervoor weergegeven tuchtrechtelijke toetsing kan doorstaan.”

2.5. Op 7 november 2001 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser in conventie] en [betrokkene], destijds bestuurslid/medisch directeur van [huisartsencoöperatie]. Uit het daarvan door [betrokkene] gemaakt verslag wordt het volgende geciteerd:

“Aanleiding voor dit gesprek was tweeledig. Ten eerste het feit dat [voornaam eiser in conventie] ([eiser in conventie], rb) betrokken was en is bij een aantal klachten rond patiënten en ten tweede dat tijdens de evaluatie gesprekken met de dokterassistentes op de post door enkele assistentes werd aangegeven dat ze problemen ervoeren in de samenwerking met hem.

(…)

[voornaam eiser in conventie] geeft aan blij te zijn met dit gesprek. De betreffende casussen en de klachten erover hebben hem erg geraakt. Hij heeft hierover binnen de eigen Hagro regelmatig intensief gesproken en daaraan veel gehad. (…)

In zijn analyse van de voorvallen heeft hij geen specifieke “rode draad” of blinde vlekken bij hemzelf kunnen ontdekken. Wel acht hij het mogelijk dat hij misschien meer dan anderen op verzoeken om visites of consulten reageert met een telefonisch consult (geruststelling en adviezen) indien het naar zijn mening gezien de aard van de klachten daartoe beperkt kan blijven. Dit leidt soms tot wat lange gesprekken met in enkele gevallen alsnog een visite of een consult als resultaat. En soms tot ontevredenheid van patiënten die hun verzoek niet gehonoreerd zien. Daarnaast is hij natuurlijk doordat hij relatief vaak dienst doet ook vaker betrokken bij klachten van patiënten.

(…)

De opmerkingen van de assistentes herkent hij. Hij ervaart ook stroefheid in het contact. Rode draad lijkt hier te zijn: de moeite die hij ermee heeft om de assistente die nav een telefoongesprek zijn hulp vraagt adequaat te adviseren en feedback te geven mede door zijn neiging tot perfectionisme. Hij is geen didacticus. Adviserende dan wel corrigerende opmerkingen richting DA’s (doktersassistentes, rb) worden door hem som als “zeuren” ervaren, mede daardoor heeft hij sterk de neiging om telefoontjes over te nemen. Waarna soms wat lange gesprekken ontstaan (zie eerder) die hem ontoegankelijk maken voor de DA. Hij vindt dan ook met name de drukke diensten als telefoonarts moeilijk, maar toch ook een uitdaging.

[voornaam eiser in conventie] geeft aan graag zo vroeg mogelijk te horen als er zaken als bovenstaande (blijven) spelen.

Hoe verder:

[voornaam eiser in conventie]:

• Zal kritisch kijken naar zijn telefonische consultvoering (via Hagro intervisie?) en trachten de lengte ervan terug te brengen.

• Investeert in een betere relatie met alle DA’s.

• Zal een training over feedback geven volgen.”

2.6. Op 25 maart 2002, toen [eiser in conventie] telefoonarts was, heeft een medewerker van een verzorgingstehuis advies aan de huisartsenpost gevraagd over een patiënte. Een visitearts heeft de patiënte die vroege ochtend gezien. De medewerkster van het verzorgingstehuis heeft op 3 april 2002 naar de huisartsenpost gebeld. Op het interne verslagleggingsformulier is het volgende met de pen geschreven: “03-04-02 Verzorgster heeft naar de [huisartsencoöperatie] gebeld. Boos over de HA (huisarts, rb). Niet goed gehandeld. Aan [voornaam eiser in conventie] doorgegeven.” en ook: “afgehandeld door [voornaam eiser in conventie] [eiser in conventie]”.

2.7. In de avond van 27 juli 2002 heeft een patiënt zich met in ieder geval zijn echtgenote en dochter gemeld bij de huisartsenpost met klachten over trage motoriek, veel slapen en hoofd- en nekpijn, wellicht ten gevolge van een val op 3 juli 2002. [eiser in conventie] heeft de patiënt als consultarts op de huisartsenpost gezien en niets alarmerends gevonden. Daarna is de patiënt met zijn familieleden naar huis gegaan. De volgende dag zijn zij weer naar de huisartsenpost gegaan. Daar zijn zij naar het ziekenhuis doorverwezen. De patiënt is daar meteen geopereerd. Op 10 oktober 2002 heeft de dochter geklaagd over de onvriendelijke bejegening door [eiser in conventie] en over een onjuiste diagnose door hem. [eiser in conventie] heeft op 7 november 2002 teruggeschreven. Uit die brief wordt het volgende geciteerd.:

“Met schrik heb ik kennis genomen van hoe het met de heer [X] verder is gegaan na het consult op 27 juli jl. op de huisartsenpost. Ik heb naar aanleiding van uw brief contact gehad met uw huisarts [......]. Van hem vernam ik dat het gelukkig inmiddels weer goed met hem gaat.

Ik betreur het ten zeerste dat het zo is gegaan en dat het tijdens dat consult op de huisartsenpost mij niet duidelijk is geworden dat de heer [X] zo’n ernstig gevaar liep. Ik begrijp goed dat u met verontwaardiging terugkijkt op dat consult.

Graag zou ik het gebeurde en uw brief daarover met u willen bespreken, bij voorkeur in een persoonlijk gesprek. Ik hoop dat u daartoe bereid bent.”

2.8. Diezelfde avond van 27 juli 2002 is een patiënte die drager is van Hemofilie-A gevallen, ten gevolge waarvan zij een bloedende hoofdwond heeft opgelopen. [eiser in conventie] heeft als visitearts bij de patiënte thuis de wond gehecht. Hij heeft geen drukverband aangelegd. De volgende ochtend heeft een andere huisarts een drukverband aangelegd en de patiënte geadviseerd dat zij naar de eerste hulp zou gaan om uit te sluiten dat zij een interne bloeding had opgelopen. Zij is per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Daar is vastgesteld dat zij geen interne bloeding had, waarna zij met de ambulance naar huis is terugvervoerd. De patiënte is enkele dagen later overleden. De echtgenoot van de patiënte heeft bij brief van 26 augustus 2002 geklaagd over het optreden van [eiser in conventie]: hij zou de patiënte onvoldoende voortvarend hebben behandeld, ten onrechte geen drukverband hebben aangelegd en haar niet naar het ziekenhuis hebben laten vervoeren om uit te sluiten dat er geen interne bloeding was en om haar stollingsfactor 8 toe te dienen. [eiser in conventie] heeft daarop bij brief van 4 oktober 2002 gereageerd. In deze brief heeft hij zijn medeleven met het overlijden van de patiënte betuigd en uiteengezet, waarom hij zijns inziens correct heeft gehandeld.

2.9. Op 10 januari 2004 was [eiser in conventie] visitearts. [eiser in conventie] kreeg via de doktersassistente het verzoek een visite aan een patiënt te brengen. Hij heeft daarop met de patiënt gebeld en de klachten via een telefonisch consult afgehandeld. Tussen partijen is daarna een discussie ontstaan of [eiser in conventie] daarmee in overeenstemming heeft gehandeld met het protocol. Volgens [huisartsencoöperatie] is het niet in overeenstemming met het protocol als een visitearts een reeds door de telefoonarts ingeplande visite alsnog afdoet met een telefonisch consult. [eiser in conventie] heeft zich erop beroepen dat hij niet wist dat de telefoonarts al een afspraak had gemaakt.

2.10. In de vroege ochtend van 21 mei 2004, toen [eiser in conventie] telefoonarts was, heeft de echtgenote van een patiënt gebeld naar de huisartsenpost met de mededeling dat haar man het niet meer hield van de pijn in de rug. [eiser in conventie] heeft op basis van de klachten toen telefonisch aanbevolen dat de patiënt paracetamol zou nemen en dat zij moest terugbellen als het niet voldoende hielp. Later die dag is de patiënt opgenomen in het ziekenhuis met een longembolie. Naar aanleiding van een aangekondigde klacht heeft [eiser in conventie] onder meer het volgende aan mevrouw [......], directeur van [huisartsencoöperatie], geschreven: “Ik heb hen die dinsdag opgebeld en mevr. [Y] mijn excuses aangeboden voor mijn foutieve interpretatie van de klachten van haar echtgenoot. (…) Los van of er nu een klacht komt of niet, ik wil graag de bandopname van het gesprek beluisteren om te achterhalen of, en zo ja, hoe ik het anders had moeten doen, ter reflectie en lering dus. Is dat mogelijk?”

2.11. [eiser in conventie] heeft op zondag 29 augustus 2004 een patiënt gezien met klachten over buikpijn en rillingen. [eiser in conventie] heeft de patiënt onderzocht, maar heeft niets gevonden. De patiënt is vervolgens naar huis gegaan. De patiënt is in verband met het weer terugkeren van de klachten de volgende zondag opnieuw naar de huisartsenpost gegaan. Daar vermoedde de toen dienstdoende consultarts dat de klachten verband hielden met galstenen. Die huisarts heeft de patiënt doorgestuurd naar het ziekenhuis, waar werd vastgesteld dat de patiënt leed aan galstenen. De patiënt heeft er bij brief aan [eiser in conventie] van 8 september 2004 over geklaagd dat deze hem niet serieus had genomen. [eiser in conventie] heeft daarop gereageerd bij brief van 1 oktober 2004, maar die brief is niet overgelegd.

2.12. In de ochtend van 20 september 2005, toen [eiser in conventie] telefoonarts was, heeft een patiënte gebeld met de huisartsenpost wegens heftige pijn bij diep ademhalen en wegens koorts. Tijdens het gesprek heeft de doktersassistente ruggespraak gehouden met [eiser in conventie], die de patiënt op basis van de klachten naar de eigen huisarts heeft verwezen. Later is vastgesteld dat zij een longontsteking had. De patiënte heeft op 22 september 2005 gebeld en aangekondigd een klacht te zullen indienen. Het bestuur heeft de bandopname beluisterd en is van oordeel dat een consult had moeten worden afgesproken en dat [eiser in conventie] de urgentie te laag heeft ingeschat.

2.13. [eiser in conventie] heeft op 5 november 2005 een patiënt met acute myoloide leukemie als visitearts gezien die tijdens zijn chemokuur koorts had gekregen. Daarvoor had een dochter van de patiënt gebeld met de huisartsenpost, waar men had geadviseerd direct te beginnen met antibioticumkuur. Omdat de dochter dacht dat de afdeling hematologie van het ziekenhuis had aangegeven dat in zo’n geval de patiënt door een huisarts moest worden gezien, heeft zij met deze afdeling telefonisch overlegd. Tijdens dat gesprek werd de juistheid van die veronderstelling bevestigd. Daarop heeft zij weer contact opgenomen met de huisartsenpost, waarna [eiser in conventie] als visitearts de patiënt heeft onderzocht. [eiser in conventie] heeft toen niets gevonden dat spoedeisende hulp vergde. Daarna is [eiser in conventie] naar de huisartsenpost teruggegaan en heeft hij telefonisch overlegd met de afdeling hematologie van het ziekenhuis. Dit gesprek is niet in een goede sfeer beëindigd. De dochter van de patiënt heeft bij brief van 14 november 2005 een klacht ingediend met name tegen het handelen van [eiser in conventie]: hij zou de visite overbodig hebben gevonden en zou een vervelende discussie zijn begonnen met de afdeling hematologie van het ziekenhuis. [eiser in conventie] heeft bij brief van 5 december 2005 op deze klacht gereageerd. Hij heeft in deze brief uiteengezet dat hij zijns inziens juist heeft gehandeld en dat hij van geen van de aanwezige familieleden had begrepen dat zij nog ongerust waren. Hij heeft bevestigd dat het telefoongesprek met de afdeling hematologie onaangenaam was verlopen, maar dat een en ander zeker anders was dan de klaagster had begrepen.

2.14. Over hetgeen in de ochtend van 14 november 2005 is gebeurd heeft [........] op 30 november 2005 een verslag gemaakt, waaruit het volgende wordt geciteerd:

“Casus D (54) heeft betrekking op de contacten van de [huisartsencoöperatie] met een 54 jarige patiënt in de vroege ochtend van 14 november 2005. Bij deze casus waren betrokken een telefoonarts en een doktersassistente. Het betreft 2 telefonische consulten. (…)

Beide gesprekken zijn beluisterd en beoordeeld door de medisch adviseur van de [huisartsencoöperatie]. Zijn bevindingen zijn in deze bespreking verwerkt.

Casus in het kort

Patiënt (man 54 jaar) belt op 14 november 2005 om 6:50 uur met klachten van pijn in de onderbuik die enkele dagen bestaan. Nu in toenemende mate pijn/krampen. Heeft wel wat ontlasting gehad. Vermoeden buikkrampen. Niet ziek, wel zweterig. 2 paracetamol gehad, werkt niet. Patiënt verder goed gezond; gebruikt medicatie tegen hoge bloeddruk. Advies doktersassistente: warme kruik/douche, werkt dit niet dan terugbellen.

Op 14 november 2005 om 7:32 uur belt de zus van de patiënt met de [huisartsencoöperatie]. Patiënt houdt het niet uit van de buikpijn en heeft zus gebeld. Patiënt transpireert veel.

De doktersassistente overlegt met telefoonarts ([eiser in conventie], rb) over patiënt en draagt gesprek over aan de telefoonarts. Deze vraagt aan zus patiënt zelf te mogen spreken. Telefoonarts spreekt met patiënt over duur en aard van klachten en geeft aan geen alarmsignalen te constateren. Advies: nu ibuprofen, straks eigen huisarts bellen als de pijn aanhoudt of de patiënt zieker wordt.

Op 14 november 2005 om 8:10 uur belt de zus van de patiënt de eigen huisarts. De HAIO (Huisarts in opleiding, rb) gaat direct naar de patiënt, 112 is ook gebeld. Bij aankomst is het ambulancepersoneel aan het reanimeren. Patiënt waarschijnlijk overleden rond 8:20 uur. Oorzaak onbekend. Er is geen obductie gedaan.

Beoordeling medisch adviseur

1e telefonisch contact

(…)

Het contact had tot overleg met de telefoonarts horen te leiden.

2e telefonisch contact

De doktersassistente reageert niet voldoende adequaat op de door de zus aangegeven alarmsignalen (hevige pijnen, hevig transpireren), ze benoemt deze onvoldoende duidelijk in haar overleg met de telefoonarts; ze is daarbij aarzelend, zoekend naar een verklaring/oplossing.

De telefoonarts reageert weinig alert, vraagt niet adequaat door, neemt laat over.

In het contact met de patiënt zelf vraagt hij niet door op de gemelde en onder de S-regel door de doktersassistente genoemde alarmsignalen, maar lijkt in zijn vraagstelling aan te sturen op verwijzing naar de eigen huisarts zonder enige urgentie (in de loop van de ochtend, als geadviseerde ibuprofen niet helpt). In zijn beleid lijkt hij onvoldoende rekening te houden met de gemelde alarmsymptomen en met het gegeven dat de patiënt de eerste keer ’s nachts belt, vervolgens zijn zus laat komen en uiteindelijk voor een tweede keer belt.

Het contact had behoren te leiden tot een visite.

Commentaar medisch adviseur

Het lijkt niet aannemelijk dat de fatale afloop had kunnen worden vermeden door snellere actie.

Leerpunten geformuleerd door medisch adviseur

Leerpunten voor doktersassistente

(…)

Leerpunten voor de huisarts

- alerter reageren

- scherper, directer doorvragen wanneer de doktersassistente geen heldere

vraag formuleert

- actiever doorvragen bij buikklachten

- adequater reageren op gemelde alarmsymptomen

Algemene leerpunten

- opnieuw: 2e telefonisch contact voor dezelfde klacht moet leiden tot

verhoogde alarmstatus

- telefonische beoordeling van buikklachten blijft moeilijk en riskant: bij

twijfel consult of visite afspreken.”

2.15. De in het verslag genoemde medisch adviseur is [.......]. Hij heeft in zijn e-mail aan het bestuur van [huisartsencoöperatie] van 12 januari 2006 onder meer het volgende geschreven, nadat [eiser in conventie] had aangegeven het niet eens te zijn met zijn oordeel:

“In de gevolgde procedure heeft [voornaam eiser in conventie] niet de gelegenheid gekregen te reageren op mijn verslag. Hij beschouwt dat als een omissie onzerzijds. Ik geef hem daarin gelijk.

Om die reden heb ik het verslag met hem besproken en hebben we samen opnieuw de bandopname van het gesprek beluisterd.

Ik hecht er aan ter aanvulling enkele punten aan te stippen ter aanvulling op mijn eerder verslag.

- De patiënt presenteert zijn klacht op een weinig indringende manier: hij lijkt achteraf te dissimuleren, wat volgens de eigen huisarts wel bij hem paste

- Er zijn geen symptomen vermeld die passen bij een te verwachten spoedig overlijden

- Over de aanwezigheid van alarmsymptomen valt wisselend te denken; hevig transpireren geldt in elk geval als zodanig, maar is in dat opzicht weinig specifiek; het alarmerende karakter van het contact was vooral gelegen in:

• het tijdstip van bellen

• het inschakelen van een zus op dat tijdstip

• het binnen vrij korte tijd opnieuw bellen

- We bespraken het ontbreken van rugpijn en de betekenis daarvan voor het uitsluiten van een rupturerend aneurisma; naar mijn mening sluit het ontbreken van rugpijn een vasculair incident in de buik zeker niet uit (alhoewel uitstraling van buikpijn naar de rug regelmatig genoemd wordt als een verschijnsel bij een aneurisma-ruptuur)

- De overweging om al dan niet de eigen huisarts na achten het beleid te laten bepalen heeft verschillende aspecten:

• een contact vanuit de [huisartsencoöperatie] heeft als voordeel dat de patiënt in elk geval snel gezien wordt

• het geldt als afspraak dat een spoedeisende situatie (U1-U2) die in de dienst gemeld wordt ook door de dienstdoend arts wordt afgehandeld

• de eigen huisarts is beter in staat een klacht in te schatten binnen de context van de persoon en diens voorgeschiedenis, zeker wanneer er over dezelfde klacht al eerder contact is geweest

Bij een urgentie-inschatting U3 is het besluit om het beleid over te dragen aan de eigen huisarts terecht.

Bij een U2-urgentie (wat mijns inziens de inschatting had moeten zijn bij deze klacht met deze presentatie) had een consult of visite afgesproken moeten worden door de dienstdoende arts.

- Over de uiteindelijke doodsoorzaak bestaat onduidelijkheid; een geruptureerd aneurysma lijkt zeer wel mogelijk (b.v. angina abdominalis, gevolgd door darminfarcering en bloeding).

- [voornaam eiser in conventie] geeft aan het grondig oneens te zijn met mijn interpretatie dat hij “in zijn vraagstelling lijkt aan te sturen op verwijzing naar de eigen huisarts, zonder enige urgentie”. Ik ben het met hem eens dat deze zin onzorgvuldig is geformuleerd. Zijn vraagstelling had scherper gekund. Zijn beleid is gericht op verwijzing naar de eigen huisarts zonder urgentie (in de loop van de ochtend). Maar daaruit te concluderen dat zijn vraagstelling vooruit liep op dat beleid is onjuist. Wellicht is het verstandig de bandopnames nog eens te beluisteren.”

2.16. [.......] heeft in een brief van 16 mei 2006 een verduidelijking van zijn e-mail van 12 januari 2006 gegeven, waaruit het volgende wordt geciteerd:

“Ik wil graag aangeven dat naar mijn mening slechts sprake is van een kleine procedurele tekortkoming, die geen afbreuk doet aan de zorgvuldigheid van de procedure als zodanig, en die bovendien in tweede instantie is gecorrigeerd.

De in mijn mail aangegeven aanvullingen doen mijns inziens geen afbreuk aan de conclusies, nuanceren deze hooguit enigszins.

Wat blijft staan dat het ging om een inadequaat uitgevoerd consult, dat op basis van de vermelde alarmsymptomen en context had moeten leiden tot een afspraak met een urgentie van U2 (vanwege het tijdstip, vanwege het feit dat twee keer contact gezocht werd binnen korte tijd, de tweede keer door een zus van de patiënt, vanwege de ongerustheid die de zus uitte en vanwege de klachten op zich: onbegrepen hevige pijn in de onderbuik, met het transpireren als mogelijk teken van instabiliteit).”

2.17. [eiser in conventie] is de avond van 14 november 2005, de dag van het overlijden, naar de familie van de patiënt gegaan. Op 15 november 2005 is er overleg geweest tussen [eiser in conventie] en [........], die door de dienstdoende doktersassistente op de hoogte was gebracht van het incident. [........] heeft [eiser in conventie] gezegd dat zij van oordeel was dat de Inspectie op de hoogte moest worden gebracht van het incident. Tevens heeft zij haar twijfels geuit over het functioneren van [eiser in conventie]. Op 30 november 2005 heeft [........] onder meer aan de hand van het in [2.14] geciteerde verslag het incident aan het bestuur gemeld. Bij brief van 6 december 2005 heeft zij op verzoek van het bestuur een overzicht van eerdere klachten en interne meldingen aan het bestuur gestuurd. Een kopie van dit overzicht is aan [eiser in conventie] gestuurd. Dit overzicht eindigt met de volgende passages:

Overig

Naast de klachten en interne meldingen zijn er diverse signalen afgegeven in het doktersassistenten overleg dat met [eiser in conventie] moeizaam te communiceren is omdat hij de dingen vaak traag begrijpt. Van deze opmerkingen zijn geen formele meldingen gemaakt en dus ook niet vastgelegd.

Er is over geen enkele huisarts of waarnemer zoveel melding gemaakt als van [eiser in conventie]. Voor zover ik kan nagaan hebben alle klachten/meldingen betrekking op communicatie en/of medisch handelen. Ik twijfel aan de kwaliteit van de communicatie van deze waarnemer. Als directeur ben ik verantwoordelijk voor de kwaliteit van de dienstverlening aan patiënten. Die is hier mijns inziens in het geding.”

2.18. De bestuursleden hebben de bandopname van de gesprekken op 14 november 2005 beluisterd. Bij brief van 8 december 2005 heeft [........] aanvullende informatie, waaronder de brieven waaruit hierboven is geciteerd, aan de bestuursleden gezonden, met kopie aan [eiser in conventie].

2.19. [eiser in conventie] heeft op 6 december 2005 aan het bestuur een brief gestuurd, waaruit de volgende passage wordt geciteerd:

“Ik heb ernstig bezwaar tegen deze motie van wantrouwen.

Het gaat in deze drie gevallen (10 juni 2000, 5 maart 2001 en 14 november 2005, rb) om zeer ongelijksoortige incidenten. Zo was in het recente incident de afspraak van toepassing om bij de tweede keer bellen door de patiënt bij voorkeur een visite of consult af te spreken, maar bij de eerdere casus speelde dat geen rol. Verder is het belangrijk om op te merken dat het incident in 2001 indertijd door het tuchtcollege is beoordeeld naar aanleiding van een klacht die de betrokken familie tegen mij indiende. Het college heeft de klacht toen afgewezen, Ik heb sindsdien steeds aangenomen dat deze klacht daarmee was afgesloten en ik vind het onterecht dat deze situatie alsnog wordt opgerakeld.

Ook dient in ogenschouw genomen te worden dat ik, sinds mijn hagro is gaan deelnemen aan de [huisartsencoöperatie] in 1999, daar in een bovengemiddelde frequentie dienst doe door waarnemingen voor meerdere collega’s van de hagro en ook van daarbuiten. Daardoor is de kans die iedere dienstdoende huisarts nu eenmaal loopt betrokken te raken bij een incident voor mij helaas aanmerkelijk groter.”

2.20. De bestuursleden M. [betrokkene], destijds voorzitter, en [betrokkene 2], hebben op 15 december 2005 en 12 januari 2006 met [eiser in conventie] gesproken. Bij deze gesprekken was [betrokkene 3], vertrouwenspersoon voor [eiser in conventie] en lid van de Hagro van [eiser in conventie], aanwezig. Aan het einde van het tweede gesprek hebben de bestuursleden meegedeeld dat [eiser in conventie] met ingang van 15 januari 2006 geen werkzaamheden meer als waarnemer voor [huisartsencoöperatie] meer mocht verrichten en dat hij met onmiddellijke ingang werd uitgesloten als lid van de commissie Kwaliteit van [huisartsencoöperatie]. Dit een en ander is bevestigd bij brief van 16 januari 2006 die als volgt luidt:

“Ter bevestiging van het gesprek van donderdag 12 januari jl. dit nadat we op 15 december 2005 reeds met jou over de casus D (54) hadden gesproken, berichten we je het volgende. Het bestuur van de [huisartsencoöperatie] heeft grote zorgen omtrent je functioneren als waarnemend huisarts op de [huisartsencoöperatie]. Deze zorgen worden ingegeven door het aantal klachten van patiënten, die een beroep deden op de [huisartsencoöperatie], waarbij jij betrokken was. Het aantal en de inhoud van de klachten baren ons grote zorgen. Het aantal is substantieel hoger, vergeleken met andere huisartsen in de [huisartsencoöperatie], ook als rekening wordt gehouden met de hoeveelheid diensturen die je bij de [huisartsencoöperatie] hebt gewerkt.

Tevens ontving de directie van de [huisartsencoöperatie] signalen van doktersassistenten dat de communicatie met jou als arts vaak moeizaam verloopt.

Kijkend naar de inhoud van de klachten dan is een deel toegespitst op de medisch-inhoudelijke kant van de casussen, een ander deel heeft te maken met communicatie met patiënten, en ook met doktersassistenten werkzaam op de post.

Het bestuur van de [huisartsencoöperatie] heeft enige jaren geleden de toenmalige medisch directeur, [voornaam] [betrokkene], gevraagd een gesprek met jou te hebben over je functioneren. Daar zijn een aantal verbeterpunten uit geformuleerd. Het bestuur constateert nu dat nog steeds dezelfde problemen bestaan. Het bestuur leidt daaruit af, dat het perspectief op verbetering ontbreekt. Het bestuur ziet zich daarom genoodzaakt te besluiten, dat je met ingang van zondag 15 januari 2006 voor de [huisartsencoöperatie] geen werkzaamheden als waarnemend huisarts meer mag verrichten. In dit verband verwijzen we naar artikel 32 van de statuten van de [huisartsencoöperatie] en artikel 12, lid 9 van het reglement [ ] [woonplaats]. Verder heeft het bestuur besloten je met onmiddellijke ingang uit te sluiten als lid van de commissie Kwaliteit.

Ik begrijp dat dit besluit voor jou hard aankomt. Het bestuur heeft echter geen andere keuze gelet op zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid voor verantwoorde zorgverlening voortvloeiend uit de wet “Kwaliteitswet Zorginstelling”.

In de statuten van de [huisartsencoöperatie] is vermeld dat er een commissie van beroep in het leven kan worden geroepen wanneer een lid van de [huisartsencoöperatie] betrokken is bij een disciplinaire bestuursmaatregel. Dit artikel geldt formeel niet voor waarnemers maar alleen voor leden van de [huisartsencoöperatie]. Indien je desondanks toch gebruik wilt maken van deze mogelijkheid, wil het bestuur dat in overweging nemen, mede gezien je lange staat van dienst bij de [huisartsencoöperatie]."

2.21. [eiser in conventie] heeft de aangeboden mogelijkheid aanvaard en heeft beroep tegen het besluit van 12/16 januari 2006 ingesteld bij de Commissie van beroep Coöperatieve Huisartsenpost [woonplaats] u.a. (“de Commissie”). Beide partijen hebben bedongen dat de uitspraak voor hen niet bindend zou zijn. De Commissie heeft op 14 augustus 2006 uitspraak gedaan, waaruit de volgende passages worden geciteerd:

“De vraag ligt voor of er sprake is van disfunctioneren van de heer [eiser in conventie]. Onder disfunctioneren wordt in artikel 32 lid 1 van de statuten verstaan: problemen in het functioneren, die de zorg voor patiënten en/of de samenwerking op de post schaden.

(…)

De commissie overweegt dat gezien de beschreven casus en de overigens verkregen informatie, in het bijzonder uit de verschillende bandopnames, sprake is van problemen bij het functioneren van de heer [eiser in conventie] als postarts. Vervolgens is de vraag of die problemen van zodanige aard en omvang zijn dat de genomen maatregel wordt gerechtvaardigd. De [huisartsencoöperatie] dient immers in te staan voor de kwaliteit van de geleverde zorg.

De commissie overweegt daarbij dat in de functie van telefoonarts t.o.v. hulpvragers medisch-inhoudelijk bij het functioneren van de heer [eiser in conventie] sprake is van niet goed hulpverlenerschap, althans van lacunes in zijn functioneren, en voorts dat het hem daarbij aan communicatieve vaardigheden ontbreekt. De commissie vond in het beschikbare materiaal geen bewijs voor het bestaan van een slechte samenwerking met de doktersassistentes op de huisartsenpost.

De vraag is of de heer [eiser in conventie] ook in de andere taken als visitearts en als consultarts disfunctioneert. Hiervan is de commissie op basis van de door [huisartsencoöperatie] aangeleverde informatie niet overtuigd. Het besluit is te verstrekkend in die zin dat de uitsluiting zonder meer van de visite- en consultdienst niet wordt gedragen door een vastgesteld tekort schieten als hulpverlener.

Het besluit kan derhalve niet in volle omvang in stand blijven en de commissie maakt gebruik van de bevoegdheid van artikel 6 lid 5 van het Reglement van de Commissie van Beroep tot het nemen van een vervangend besluit.

Er is aan de commissie niet gebleken dat er sprake is van zodanige problemen in het functioneren, dat dit de uitsluiting van de visitediensten en consultdiensten zou kunnen rechtvaardigen. Anderzijds is de commissie niet overtuigd van het functioneren van de heer [eiser in conventie] als visitearts en consultarts in die zin, dat vast is komen te staan dat de vereiste kwaliteit wel wordt geleverd.

(volgt een vervangend besluit, waarin wordt bepaald dat [eiser in conventie] vijf visitediensten en consultdiensten zal draaien onder begeleiding, waarna zal worden beslist of [eiser in conventie] definitief tot deze diensten zal worden toegelaten of uitgesloten.)

De commissie merkt daarbij op dat de heer [eiser in conventie] de indruk wekte met de door hem gegeven beschrijving van de casus, met de door hem gegeven toelichting ter zitting en met de eigen antwoorden van de heer [eiser in conventie] ter zitting, de ernst van de problematiek en de daaraan verbonden gevolgen niet geheel te onderkennen.

Voor het overige overweegt de commissie op basis van de door de [huisartsencoöperatie] gevolgde procedure dat het besluit niet onzorgvuldig tot stand is gekomen, evenmin in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, althans onrechtmatig of onevenredig voor de heer [eiser in conventie]. Daarbij is de meest verstrekkende overweging van de commissie dat de [huisartsencoöperatie] heeft in te staan voor goede zorg, en op basis van de Kwaliteitswet verplicht was tot actie over te gaan.

(…)

Het niet bestaan van een beoordelings- en functioneringssysteem bij de [huisartsencoöperatie] is niet van zodanige zwaarte dat dit met zich zou brengen dat het besluit niet in stand kan blijven. Daarbij geldt dat geen van de artsen op de post in dienst van de [huisartsencoöperatie] is, maar dat de artsen als lid van de coöperatieve vereniging c.q. waarnemer functioneren.”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser in conventie] vordert samengevat -

(1) vernietiging van het besluit van [huisartsencoöperatie] van 16 januari 2006 onder veroordeling van [huisartsencoöperatie] om [eiser in conventie] weer als waarnemer toe te laten

(2) vernietiging van de uitspraak van de Commissie van 14 augustus 2006

(3) een verklaring voor recht dat [huisartsencoöperatie] door middel van het bestreden besluit onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de dientengevolge door [eiser in conventie] geleden schade

(4) veroordeling van [huisartsencoöperatie] tot betaling van een voorschot op de schade van € 31.000,00 bruto en € 25.000,00 netto,

vermeerderd met kosten.

3.2. [huisartsencoöperatie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [huisartsencoöperatie] vordert samengevat -

(1) een verklaring voor recht dat zij gerechtigd was om [eiser in conventie] uit sluiten van alle verdere werkzaamheden op de huisartsenposten van [huisartsencoöperatie],

(2) vernietiging van de uitspraak van de Commissie van 14 augustus 2006,

vermeerderd met kosten.

3.4. [eiser in conventie] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Het bestuur van [huisartsencoöperatie] heeft [eiser in conventie] bij besluit van 12/16 januari 2006 uitgesloten om als waarnemer op te treden op haar huisartsenposten. Deze procedure gaat over de geldigheid van dit besluit en over de geldigheid van art. 12 lid 9 Reglement, waarop het bestuur van [huisartsencoöperatie] zijn besluit heeft gebaseerd. Het artikellid luidt als volgt:

“Indien bij de [ ]commissie en/of het Bestuur gerede twijfel bestaat over het functioneren van de (geaccepteerde) waarnemer, kan de [ ]commissie en/of het Bestuur de betrokken waarnemer met onmiddellijke ingang uitsluiten van verdere werkzaamheden op de Huisartsenposten.”

4.2. [eiser in conventie] gaat voor een serie juridische ankers liggen: art. 12 lid 9 Reglement is niet van toepassing of niet rechtsgeldig of moet op grond van art. 2:8 lid 2 BW buiten toepassing worden gelaten; het besluit van 12/16 januari 2006 is nietig, o.m. wegens strijd met de statuten (art. 2:14 BW) of vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (art. 2:15 BW) of onrechtmatig (art. 6:162 BW) of toepassing ervan is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 2:8 lid 2 of 6:2 lid 2 of 6:248 lid 2 BW). [eiser in conventie] heeft in de kern genomen vier bezwaren tegen de regeling en het daarop gebaseerde besluit:

(1) een zware maatregel als uitsluiting mag niet worden gebaseerd op een subjectief criterium als “gerede twijfel over het functioneren”;

(2) er is voorafgaande aan het nemen van het besluit geen hoor en wederhoor toegepast;

(3) [huisartsencoöperatie] heeft geen objectief en onafhankelijk feitenonderzoek laten uitvoeren;

(4) er bestond geen redelijke grond voor uitsluiting van [eiser in conventie].

4.3. Beide partijen vorderen daarnaast vernietiging van de uitspraak van de Commissie van 14 augustus 2006. Leden van [huisartsencoöperatie] kunnen bij de Commissie in beroep tegen disciplinaire maatregelen, genomen op grond van art. 32 van de statuten van [huisartsencoöperatie]. [eiser in conventie] is geen lid, omdat hij niet als huisarts is gevestigd in het gebied, waarin [huisartsencoöperatie] werkzaam is. Voor hem staat deze beroepsmogelijkheid in beginsel niet open. [huisartsencoöperatie] heeft in haar brief van 16 januari 2006 aangegeven dat zij de procedure toch voor [eiser in conventie] zou openstellen als hij daaraan behoefte had. [eiser in conventie] heeft van die mogelijkheid gebruikt gemaakt, maar gestipuleerd dat de uitspraak ten opzichte van hem niet bindend zou zijn. Vervolgens heeft [huisartsencoöperatie] aangegeven dat de uitspraak dan ook niet ten opzichte van haar bindend zou zijn. De Commissie heeft in haar uitspraak overwogen dat haar uitspraak bindend is voor partijen. Dat oordeel is onjuist. Die bevoegdheid had zij in dit geval niet: beide partijen hadden haar gevraagd om een niet-bindende uitspraak. Omdat [eiser in conventie] geen lid is van [huisartsencoöperatie], verschaften de statuten de Commissie geen bevoegdheid een bindende uitspraak te doen. Dit betekent dat de uitspraak van 14 augustus partijen niet bindt. Daaruit volgt weer dat de in conventie en in reconventie gevorderde vernietiging van de uitspraak zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang. Tijdens de comparitie is deze consequentie aan de orde gekomen en hebben partijen daarmee ingestemd. Voor alle duidelijkheid: de overweging van de Commissie om [eiser in conventie] weer toe te laten als consult- en visitearts en hem op proef vijf van dergelijke diensten te laten draaien, bindt partijen dus niet en is te beschouwen als een advies. Het staat partijen vrij dat advies al of niet op te volgen.

4.4. De Commissie heeft getoetst of er van disfunctioneren van [eiser in conventie] in de zin van art. 32 lid 2 statuten sprake was (“problemen in het functioneren, die de zorg voor patiënten en/of de samenwerking op de post schaden”) en vervolgens of er aanleiding was om een disciplinaire maatregel in de zin van art. 32 lid 2 statuten te treffen. De Commissie heeft daarmee niet getoetst of het bestuur gezien het bepaalde in art. 12 lid 9 Reglement [eiser in conventie] terecht van waarnemingen heeft uitgesloten. Dat is wel de toets die de rechtbank moet uitvoeren. Dat betekent dat hetgeen de Commissie heeft overwogen voor deze procedure minder bruikbaar is. De rechtbank zal er daarom verder aan voorbijgaan. Het feit dat het bestuur in zijn brief van 16 januari 2006 ook naar art. 32 statuten heeft verwezen, maakt dat niet anders.

4.5. Op grond van art. 12 lid 9 Reglement heeft onder meer het bestuur van [huisartsencoöperatie] de bevoegdheid een waarnemer uit te sluiten van werkzaamheden op de huisartsenposten bij gerede twijfel over het functioneren van de waarnemer. Uitgangspunt is dat [huisartsencoöperatie] terecht een regeling in het Reglement heeft opgenomen over uitsluiting van een waarnemer als deze onvoldoende functioneert. [huisartsencoöperatie] is immers op grond van de art. 2-4 Kwaliteitswet zorginstellingen verplicht goede zorg aan te bieden. Het is aanvaardbaar dat [huisartsencoöperatie] tot een dergelijke uitsluiting overgaat als er sprake is van “gerede twijfel” over het functioneren van de waarnemer. Het belang van een goede zorgverlening brengt mee dat de samenwerking met een waarnemer mag worden beëindigd, ook als niet onomstotelijk vaststaat dat de waarnemer disfunctioneert, maar als daarover gerede twijfel bestaat.

4.6. [eiser in conventie] maakt bezwaar tegen het criterium “gerede twijfel over het functioneren” omdat dit te subjectief is. Zoals in deze procedure blijkt, kan een beslissing om een waarnemer uit te sluiten van werkzaamheden op de huisartsenposten voor die waarnemer verstrekkende gevolgen hebben. Dit betekent dat zo’n besluit niet mag worden genomen op basis van een subjectief en niet geconcretiseerd gevoel van de bestuursleden van [huisartsencoöperatie]. Deze “gerede twijfel over het functioneren” moet kunnen worden herleid tot objectieve feiten, waarbij het bestuur tevens moet motiveren waarom deze feiten bij hem gerede twijfel over het functioneren van de waarnemer hebben doen ontstaan. Aldus uitgelegd is art. 12 lid 9 Reglement rechtsgeldig en (dus) van toepassing als grondslag voor het besluit van het bestuur van 12/16 januari 2006. Hierna zal worden onderzocht of het bestuur op juiste en toereikende gronden heeft kunnen besluiten dat er van gerede twijfel over het functioneren van [eiser in conventie] sprake was.

4.7. [eiser in conventie] heeft betoogd dat het besluit van 12/16 januari 2006 in strijd is met de statuten. Hij heeft echter niet aangegeven met welke statutaire bepaling het besluit in strijd zou zijn. De rechtbank kan deze stelling daarom niet onderzoeken, zodat zij wordt verworpen.

4.8. [eiser in conventie] heeft vervolgens gesteld dat het besluit van 12/16 januari 2006 vernietigbaar in de zin van art. 2:15 lid 1 sub b BW is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 2:8 BW worden geëist. Zijn bezwaren zijn in 4.2 onder (2) t/m (4) weergegeven.

4.9. [eiser in conventie] is geen lid van [huisartsencoöperatie], maar via zijn huisartsengroep als waarnemer werkzaam voor [huisartsencoöperatie]. De positie van waarnemer wordt weliswaar niet in de statuten geregeld, maar wel in het Reglement, waarnaar in de statuten wordt verwezen. Dit betekent dat een waarnemer een persoon is die krachtens de statuten bij de organisatie van [huisartsencoöperatie] is betrokken, zoals bedoeld in art. 2:8 BW. Daaruit volgt weer dat een besluit vernietigbaar is als dat tegenover de waarnemer strijdig is met de redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in art. 2:15 lid 1 sub b BW.

4.10. Het bestuur heeft een zekere vrijheid bij de beoordeling of er gerede twijfel is over het functioneren van een waarnemer. De rechtbank moet toetsen of het bestuur in redelijkheid tot de uitsluiting van [eiser in conventie] heeft kunnen besluiten (marginale toetsing).

4.11. [eiser in conventie] verwijt het bestuur in de eerste plaats dat het geen hoor en wederhoor heeft toegepast. Hij heeft niet voldoende gelegenheid gehad om zich te reageren op het kritische standpunt dat [........] over hem tegenover het bestuur had ingenomen. Ook zouden de bestuursleden, [betrokkene] en [betrokkene], met wie hij op 15 december 2005 en 12 januari 2006 heeft gesproken, van tevoren hun standpunt al hebben bepaald.

4.12. Deze stelling wordt verworpen. [eiser in conventie] heeft in de gesprekken van 15 december 2005 en 12 januari 2006 de gelegenheid gekregen zijn standpunt kenbaar te maken over de mogelijke uitsluiting om als waarnemer werkzaam te zijn. Dat [betrokkene] en [betrokkene] toen mogelijk al van oordeel waren dat de feiten zo ernstig waren dat uitsluiting noodzakelijk was, betekent niet dat er van een serieus hoor en wederhoor geen sprake was. Tijdens die gesprekken heeft [eiser in conventie] immers de gelegenheid gehad [betrokkene] en [betrokkene] te wijzen op feiten die zij mogelijk nog niet in hun afweging hadden betrokken en die tot een andere beslissing zouden moet leiden.

4.13. Ook de stelling dat er geen objectief en onafhankelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, wordt verworpen. Op het bestuur rustte de verplichting om het besluit tot uitsluiting van [eiser in conventie] als waarnemer werkzaam te zijn, zorgvuldig voor te bereiden. Dat hoeft overigens niet noodzakelijk te betekenen dat dit onderzoek geheel of gedeeltelijk door een onafhankelijke persoon wordt uitgevoerd. De bestuursleden hebben van [........] de dossiers met klachten en interne meldingen toegestuurd gekregen. Twee dossiers waren te omvangrijk en zijn ter inzage gelegd op het kantoor van [huisartsencoöperatie]. De bestuursleden hebben verschillende bandopnames van de gesprekken die [eiser in conventie] met de doktersassistentes en de patiënten heeft gevoerd, beluisterd. Ten slotte is het voorval van 14 november 2005 ook getoetst door een medisch adviseur van het bestuur van [huisartsencoöperatie]. Dit een en ander betekent dat het bestuur zijn besluit van 12/16 januari 2006 voldoende zorgvuldig heeft voorbereid.

4.14. Verder stelt [eiser in conventie] dat het bestuur in redelijkheid niet had kunnen besluiten tot zijn uitsluiting over te gaan. Hij werkt dit onder meer uit met de stelling dat het bestuur de klachten van de patiënten te zeer voor waar heeft aangenomen, terwijl het maar de vraag is of de klachten terecht waren. Deze stelling wordt verworpen. Het bestuur heeft zijn besluit genomen na raadpleging van de dossiers en het afluisteren van de banden. In de dossiers bevonden zich de brieven de [eiser in conventie] als antwoord op de klacht heeft geschreven aan de klager. Verder hebben [betrokkene] en [betrokkene] aan [eiser in conventie] de gelegenheid geboden zijn mening over de casussen te geven. Het bestuur heeft aldus ook kennis genomen van het standpunt van [eiser in conventie].

4.15. Verder beroept [eiser in conventie] er zich op dat het niet redelijk is de casussen uit 2000 en 2001 erbij te halen, vooral ook omdat de tuchtrechter de klacht naar aanleiding van het incident uit 2001 ongegrond heeft verklaard en omdat het toen om andere kwesties ging dan hetgeen speelde in het incident van 14 november 2005. Die stelling gaat niet op. Het bestuur had de vrijheid om in zijn afweging alle casussen te betrekken waarin over [eiser in conventie] een klacht was ingediend of een interne melding was gedaan, ook al hadden zij al enige jaren daarvoor plaatsgevonden en ook al betrof het andersoortige problematiek. Ook de omstandigheid dat tussen 7 november 2001, toen het gesprek tussen [betrokkene] en [eiser in conventie] plaatsvond (zie 2.5) en eind 2005 geen gesprekken over het functioneren [eiser in conventie] hebben plaatsgevonden, belette het bestuur niet om op 12/16 januari 2006 te besluiten [eiser in conventie] uit te sluiten van waarnemingswerkzaamheden. [eiser in conventie] is geen lid of werknemer van [huisartsencoöperatie], maar als opdrachtnemer van zijn hagro werkzaam op de huisartsenpost. Het bestuur kon toen zwaarder laten wegen dat een goede zorgverlening met het voortduren van de waarnemingswerkzaamheden door [eiser in conventie] niet was gewaarborgd, dan het feit dat recent niet vaker met hem over eventueel tekortschieten in de hulpverlening was gesproken.

4.16. Het bestuur heeft zijn besluit gebaseerd op het feit dat er tegen [eiser in conventie] relevant meer klachten zijn ingediend dan tegen andere huisartsen, ook als men in aanmerking neemt dat [eiser in conventie] meer diensten deed dan andere huisartsen. Dit feit is door [eiser in conventie] niet weersproken.

4.17. Het bestuur heeft zijn besluit ook gebaseerd op het ontbreken van voldoende communicatieve vaardigheden als telefoonarts, zowel tegenover de doktersassistentes als tegenover de patiënten. Als voorbeeld heeft [huisartsencoöperatie] gewezen op het gesprek dat [eiser in conventie] op 14 november 2005 voerde met de doktersassistente, de patiënt met buikklachten en diens zuster. Het gesprek met de doktersassistente verliep langdradig en niet concreet, hoewel de doktersassistente meermalen had aangegeven gealarmeerd te zijn en niet te weten hoe verder te handelen. [huisartsencoöperatie] heeft er verder op gewezen dat er op 7 november 2001 een gesprek was geweest met [betrokkene], bestuurslid van [huisartsencoöperatie], vooral over de communicatieve vaardigheden, dat er toen verbeterpunten waren afgesproken, maar dat is gebleken dat die verbeteringen niet zijn opgetreden. Voorts heeft [huisartsencoöperatie] ernstige bezwaren geuit tegen de onaangename manier waarop [eiser in conventie] op 5 november 2005 een telefoongesprek heeft gevoerd met een verpleegkundige van de afdeling hematologie van het ziekenhuis.

4.18. In de kern genomen heeft [eiser in conventie] deze bezwaren niet en zeker niet genoegzaam weersproken. Het bestuur mocht bij de afweging die het maakte, groot gewicht toekennen aan het ontbreken van toereikende communicatieve vaardigheden van [eiser in conventie] als telefoonarts. Juist communicatieve vaardigheden zijn belangrijk voor het werk op een huisartsenpost, waar patiënten bellen met klachten die zeer spoedeisend kunnen zijn, maar ook loos alarm kunnen betekenen.

4.19. Verder heeft het bestuur zijn besluit gebaseerd op medisch-inhoudelijke fouten van [eiser in conventie]. [eiser in conventie] heeft zich daartegen in de dagvaarding niet verweerd. Wel heeft hij in zijn beroepschrift voor de Commissie voor iedere casus aangegeven, waarom hij volgens hem medisch niet onjuist heeft gehandeld. Het bestuur heeft in zijn verweerschrift en ook in de conclusie van antwoord in deze procedure aangegeven, dat er wel sprake was van medisch onjuist handelen.

4.20. De Inspectie heeft naar aanleiding van de casus van 10 juni 2000 geoordeeld dat [eiser in conventie] is tekortgeschoten. De medisch adviseur van [huisartsencoöperatie] heeft over de casus van 14 november 2005 geoordeeld dat [eiser in conventie] een onjuiste urgentie aan de klachten van de patiënten heeft toegekend. In een aantal casussen staat het standpunt van het bestuur tegenover dat van [eiser in conventie]. Niet gezegd kan worden dat het verweer van [eiser in conventie] zodanig sterk is dat het bestuur in redelijkheid zijn besluit niet op een of meer van deze casussen had mogen baseren.

4.21. De conclusie is dat het bestuur in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat er gerede twijfel was over het functioneren van [eiser in conventie] als postarts en dat [eiser in conventie] van waarnemingen werd uitgesloten. Het mocht daarbij het belang van een kwalitatief goede gezondheidszorg laten prevaleren boven het financiële belang dat [eiser in conventie] had bij uitoefening van de werkzaamheden als waarnemer.

4.22. Dit betekent dat het besluit niet vernietigbaar is, zoals bedoeld in art. 2:15 lid 1 sub b BW. Om die redenen stuit ook het beroep op schending van art. 6:162 en art. 2:8 lid 2 of 6:2 lid 2 of 6:248 lid 2 BW af. Een en ander brengt ook mee dat de gevorderde verklaring voor recht en schadevergoeding zullen worden afgewezen.

4.23. Omdat het om vakinhoudelijke redenen beëindigen van de samenwerking met een waarnemer/arts een handeling is die mededingingsrechtelijk geen enkele relevante trekken heeft, wordt het beroep op art. 6 en 24 Mededingingswet verworpen.

4.24. Het voorgaande betekent dat de vordering in conventie zal worden afgewezen. Van de vordering in reconventie zal de verklaring voor recht dat [huisartsencoöperatie] gerechtigd was om [eiser in conventie] uit sluiten van alle werkzaamheden op de huisartsenposten van [huisartsencoöperatie] worden toegewezen en het overige worden afgewezen.

4.25. [eiser in conventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. De kosten aan de zijde van [huisartsencoöperatie] worden als volgt begroot:

griffierecht EUR 1.450,00

salaris procureur EUR 1.788,00 (2 x tarief IV van EUR 894,00)

totaal EUR 3.238,00

4.26. In reconventie is de vordering van [huisartsencoöperatie] niet geheel toegewezen. Daarin ziet de rechtbank aanleiding de kosten te compenseren.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser in conventie] in de kosten van het geding in conventie, tot op heden aan de zijde van [huisartsencoöperatie] begroot op EUR 3.238,00,

5.3. verklaart het onder 5.2 bepaalde uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4. verklaart voor recht dat [huisartsencoöperatie] gerechtigd was om [eiser in conventie] uit sluiten van alle werkzaamheden op de huisartsenposten van [huisartsencoöperatie],

5.5. compenseert de kosten van het geding in reconventie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.6. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries, mr. A.E.B. ter Heide en mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2007.