Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC0280

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-12-2007
Datum publicatie
17-12-2007
Zaaknummer
AWB 07/1696
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten behoeve van de bouw van een moskee in Barneveld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 07/1696

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[A] e.a., eisers,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door K. Hilberink,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Barneveld, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 12 april 2007.

2. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 6 maart 2006, onder verlening van vrijstelling ingevolge artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan Metriek (verder: vergunninghouder) een vergunning verleend voor het bouwen van een moskee/ multifunctioneel centrum op het kadastrale perceel gemeente Barneveld, sectie E, nr. 4033, gelegen aan de Parmentierstraat te Barneveld.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder de daartegen ingediende bezwaren ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is (gezamenlijk) beroep ingesteld door [A] en zeven andere eisers, en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 november 2007. Eisers [A] en [X] zijn aldaar verschenen, bijgestaan door K. Hilberink van HDL-Beheer BV te Ede, gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Hoekstra, werkzaam bij de gemeente.

3. Overwegingen

Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan “De Burgt I” (verder: het bestemmingsplan). De gronden waarop het bouwplan is gesitueerd hebben de bestemming Dienstverlening. Artikel 14, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan luidt als volgt:

“De gronden die op de plankaart zijn aangewezen als "Dienstverlening" zijn bestemd voor (para)medische-, sociale-, educatieve-, maatschappelijke-, culturele-, recreatieve-, religieuze- en dienstverlening, niet zijnde detailhandel of horeca.”

Hoewel deze zin niet helemaal goed loopt, is de rechtbank van oordeel dat uit de bestemmingsomschrijving zonder meer duidelijk is dat gronden met de bestemming Dienstverlening zijn bestemd voor dienstverlening op de in artikel 14, eerste lid, genoemde gebieden, en dus ook voor religieuze dienstverlening.

Anders dan eisers stellen, is de rechtbank van oordeel dat onder religieuze dienstverlening dient te worden begrepen de samenkomst in een kerk of moskee, zodat het bouwplan, voor zover dat voorziet in ruimten die voor dergelijke samenkomsten (gebedsruimten) zijn bedoeld, niet in strijd is met de bestemming. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat ook het gebruik van de overige ruimten onder de bestemmingsomschrijving van artikel 14, eerste lid, van de voorschriften valt. Voor zover dat gebruik niet valt aan te merken als religieuze dienstverlening, is immers sprake van één van de andere vormen van dienstverlening die in de bestemmingsomschrijving worden genoemd.

Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals eisers gesteld hebben, in andere bestemmingsplannen voor kerken en moskeeën dikwijls andere bestemmingsaanduidingen worden gebruikt.

Uit de stukken blijkt dat het oorspronkelijke bouwplan leidde tot een overschrijding van de in het bestemmingsplan vastgelegde voorgevelrooilijn, en dat daardoor enkele vierkante meters van het gebouw op grond met de bestemming Tuin zouden worden gebouwd. In de “Notitie beoordeling ingekomen zienswijzen c.q. bedenkingen tegen …(enz.)” is onder “Ad. A3” vermeld dat het bouwplan nadien (d.d. 14 februari 2006) zodanig is gewijzigd dat het niet langer de voorgevelrooilijn overschrijdt. Bij de tekeningen van het bouwplan bevindt zich een “ontwerp terreinsituatie” met datumstempel 14 februari 2006, waaruit blijkt dat de voorgevelrooilijn niet wordt overschreden. Gelet op de verwijzing in het besluit van 6 maart 2006 naar de genoemde notitie, is duidelijk dat bouwvergunning is verleend voor het bouwplan dat de voorgevelrooilijn niet overschrijdt.

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan omdat de maximaal toegestane nok- en goothoogte wordt overschreden. Teneinde niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen heeft verweerder vrijstelling verleend op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) komt voor toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw in de bebouwde kom, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:

a. het aansluitende terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en

b. de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige bouwplan voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komt. Er is in dat verband geen aanleiding om te oordelen dat de door één van de eisers in bezwaar aangehaalde uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juni 2003 (AB 2003, 322), waaruit voortvloeit dat de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, derde lid, van de WRO niet beperkt is tot een bestaand woongebouw, niet van toepassing zou zijn op een ander gebouw in de bebouwde kom, als bedoeld in artikel 20 van het Bro 1985.

Met betrekking tot de vraag of verweerder in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot verlening van vrijstelling gebruik heeft kunnen maken overweegt de rechtbank het volgende.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder uiteengezet dat in de toelichting op het bestemmingsplan is vermeld dat de stedenbouwkundige uitgangspunten zullen worden uitgewerkt, en dat zulks voor de thans in geding zijnde gronden is gebeurd in de Nota Beeldkwaliteit voor de Voorzieningenstrook Plantagelaan. De rechtbank is van oordeel dat in de memo’s van de stedenbouwkundigen van de gemeente van 13 april 2005, 25 november 2005 en 25 januari 2006, en in het advies van de welstandcommissie van 13 januari 2006 voldoende is onderbouwd dat het bouwplan voldoet aan de Nota Beeldkwaliteit en dat vrijstelling uit stedenbouwkundig oogpunt acceptabel is.

Eisers hebben gesteld dat hun uitzicht vermindert door het bouwplan.

Ter plaatse van het bouwplan is een kap tot 7 meter hoogte toegestaan (nokhoogte); voor een deel is de toegestane nokhoogte 4 meter. Het gebouw wordt, afgezien van koepel en minaret, 7 meter hoog (goothoogte). Aangezien het bestemmingsplan een kap tot 7 meter hoogte toestaat, leidt het bouwplan (afgezien van koepel en minaret) vrijwel niet tot een vermindering van uitzicht. Bovendien zijn op veel kortere afstand van de woningen van eisers gebouwen toegestaan met een hoogte van 4 meter. Indien van die bouwmogelijkheid gebruik wordt gemaakt, gaat, bezien vanaf de begane grond van de woningen van eisers, het bouwplan grotendeels schuil achter die bebouwing. In dit verband verwijst de rechtbank naar de zienswijze van eisers van 7 december 2005, waarin het uitzicht vanuit de woningen van eisers in diverse tekeningen en foto’s is weergegeven.

De koepel heeft een doorsnee van 6 meter en een hoogte van 3 meter (nokhoogte 10 meter); de minaret is 13,5 meter hoog en heeft een geringe oppervlakte.

Mede in aanmerking genomen de afstand tussen het bouwplan en de woningen van eisers is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een zodanige vermindering van uitzicht dat verweerder om die reden vrijstelling had moeten weigeren.

Eisers vrezen voor hinderlijke zonreflectie op de koepel. In de bouwvergunning is als voorwaarde opgenomen dat, voordat met de bouw wordt begonnen, goedkeuring dient te zijn verkregen over de toe te passen kleur- en materiaalmonsters wat betreft de minaret en de koepel. In het bestreden besluit is vermeld dat voor de koepel een niet-reflecterend kopergroen kunststofmonster is aangeleverd, dat naar het oordeel van verweerder geen onevenredige zonreflectie zal veroorzaken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder, door het opnemen van de betreffende voorwaarde in de bouwvergunning, voldoende heeft gewaarborgd dat de koepel niet tot hinderlijke zonreflectie zal leiden. Derhalve was er voor verweerder geen reden om op deze grond de vrijstelling te weigeren.

Voorts vrezen eisers dat de gebruiker van de moskee een geluidsinstallatie zal gebruiken voor het oproepen tot gebed. Verweerder heeft erop gewezen dat, als een dergelijke geluidsinstallatie wordt gebruikt, de gemeenteraad de bevoegdheid heeft op grond van de Wet openbare manifestaties om regels te stellen met betrekking tot de duur en het geluidsniveau. Gelet hierop en gelet op het feit dat de vrijstelling niet ziet op een wijziging van het gebruik – het bestemmingsplan staat op deze plaats een moskee toe – is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit bezwaar van eisers geen reden heeft hoeven zien om de vrijstelling te weigeren.

De rechtbank concludeert dat verweerder zich in het kader van de belangenafweging op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bezwaren van eisers, ook in onderling verband beschouwd, niet zodanig zwaar wegen dat de vrijstelling geweigerd had moeten worden.

Artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Barneveld luidt als volgt:

“Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening dient te worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.”

Het bouwplan voorziet in de realisering van 30 parkeerplaatsen op het bijbehorende terrein.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder, ter beoordeling of een bouwplan voldoet aan de parkeernorm, een toetsing uitvoert op basis van de “ASVV 2004, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom” (hierna: ASVV 2004).

In het memo “Parkeergelegenheid Moskee” van 24 november 2005 is vermeld dat in de grote gebedsruimte maximaal 130 mensen aanwezig kunnen zijn, en is dit aantal als uitgangspunt gehanteerd voor de berekening van de parkeerbehoefte. Gesteld noch gebleken is dat dit uitgangspunt onjuist is. De ASVV-norm is 0,20 parkeerplaats per zitplaats. Bij een kerk in de omgeving is in de praktijk een norm gebleken van 0,26 parkeerplaats per zitplaats. Mede in aanmerking genomen het aantal leden van de Turkse Vereniging, die de gebruiker van de moskee wordt, heeft verweerder de parkeereis vastgesteld op 30 parkeerplaatsen, wat neerkomt op 0,23 parkeerplaats per zitplaats.

De rechtbank acht het niet onjuist of onredelijk dat verweerder bij de beoordeling van de parkeerbehoefte de richtlijnen van de ASVV 2004 hanteert. Uit het genoemde memo blijkt dat het aantal parkeerplaatsen is gebaseerd op een hogere norm dan de maximale norm in de ASVV 2004 voor een moskee. Aldus kan niet gezegd worden dat het bouwplan niet voldoet aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening.

De gemachtigde van eisers heeft een rapport opgesteld gedateerd 21 december 2006.

In dit rapport wordt gesteld dat verweerder van te smalle parkeerplaatsen is uitgegaan en dat, indien van bredere parkeerplaatsen wordt uitgegaan, op eigen terrein slechts 20 parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Blijkens het memo van 27 februari 2007, dat is opgesteld naar aanleiding van het rapport van de gemachtigde van eisers, is verweerder ervan uitgegaan dat voor een parkeerplaats een breedte van 2,50 meter voldoende is. In het memo is er op gewezen dat dit conform de richtlijnen van de ASVV 2004 is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aldus voldoende heeft gemotiveerd dat een breedte van 2,50 meter voldoende is. Bovendien wijst de rechtbank er op dat met deze breedte wordt voldaan aan de breedte-eis die in artikel 2.5.30, tweede lid, van de bouwverordening aan een parkeerplaats wordt gesteld.

In het rapport van de gemachtigde van eisers is voorts gesteld dat bij de moskee 140 parkeerplaatsen nodig zijn. De rechtbank is van oordeel dat in het genoemde memo van 27 februari 2007 voldoende is onderbouwd dat de berekening van de gemachtigde van eisers is gebaseerd op verouderde normen, waarbij de parkeerbehoefte wordt berekend op basis van vierkante meters bruto vloeroppervlak in plaats van het aantal zitplaatsen, en dat daarop ten onrechte enkele “verhogingen” zijn toegepast.

Het voorgaande betekent dat aan het rapport van de gemachtigde van eisers voorbij dient te worden gegaan.

Met betrekking tot de vraag of het bouwplan aan redelijke eisen van welstand voldoet overweegt de rechtbank het volgende.

Bij de stukken bevindt zich het advies van de welstandscommissie van 9 februari 2006, waarbij het bouwplan is getoetst aan het onderdeel van de Welstandsnota dat ziet op het onderhavige gebied. De uitkomst is dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat dit advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het niet aan het besluit tot verlening van bouwvergunning ten grondslag gelegd had mogen worden. Door eisers is geen andersluidend advies van een onafhankelijk te achten deskundig(e) persoon of instelling overgelegd.

Derhalve heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat er in het kader van de welstandstoetsing geen reden is om de bouwvergunning te weigeren.

Eisers hebben nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar (de antecedenten van) de vergunninghouder. De rechtbank ziet niet in op grond van welke wettelijke regels verweerder gehouden was om een dergelijk onderzoek te doen. Duidelijk is dat de Turkse Vereniging de gebruiker van de moskee wordt. Voor de beoordeling van het toekomstig gebruik was het derhalve niet nodig om onderzoek te doen naar vergunninghouder.

In het beroepschrift zijn diverse opmerkingen gemaakt over de in de ogen van eisers onjuiste gang van zaken met betrekking tot de verlening van vrijstelling, en met betrekking tot de behandeling van het bezwaar.

De rechtbank overweegt dat niet gebleken is dat de procedure met betrekking tot de verlening van vrijstelling of de bezwaarprocedure tekortkomingen vertoonden die er toe moeten leiden dat het beroep gegrond wordt verklaard. Met betrekking tot de bezwaarprocedure merkt de rechtbank nog op dat de vertegenwoordiger van verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat bij de gemeente Barneveld geen sprake is van een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Dit verklaart derhalve waarom het horen geschiedde door een lid van het college van burgemeester en wethouders.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. D.J. Post, als voorzitter, en mrs. W.F. Bijloo en M.J.P. Heijmans, als rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007 in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 december 2007