Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BC0216

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
160500
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheids- en verjaringsverweer falen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 160500 / HA ZA 07-1501

Vonnis van 5 december 2007

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.V. CRITO,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. drs. S.O. Voogt te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JEKATEX B.V.,

gevestigd te Andelst, gemeente Overbetuwe,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. mr G.J. Gerrits te Nijmegen.

Partijen zullen hierna Crito en Jekatex genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 september 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

De feiten zijn voor een deel ontleend aan het tussenvonnis van 7 september 2007.

2.1. In het handelsregister van de Kamers van koophandel is ingeschreven een besloten vennootschap “B.V. Centraal Recherche Informatie Technisch Onderzoek Bureau (Crito)”, opgericht op 1 juli 1994. Deze vennootschap voert als handelsnaam Crito DDO.

2.2. Jekatex dreef haar onderneming, een groothandel in kleding en kledingaccessoires, in een bedrijfspand aan de [adres] te Kesteren, dat eigendom is of was van de besloten vennootschap Jekatex Vastgoed B.V.. Destijds was [naam directeur] (verder: [naam directeur]) directeur van Jekatex. Op 30 augustus 1998 is het bewuste bedrijfspand door brand verwoest. Over de oorzaak van de brand en de vraag of de schade zou worden vergoed, is discussie ontstaan tussen Jekatex en de brandverzekeraar, Interpolis Schade N.V. (verder: de verzekeraar).

2.3. Jekatex heeft in verband daarmee onderzoeksbureau Crito in 1998 opdracht gegeven onderzoek te doen naar de toedracht van de brand.

2.4. Crito heeft op 9 november 1998 een voorlopig onderzoeksrapport afgeleverd. Op 8 december 1998 heeft zij een brief aan de verzekeraar opgesteld en verzonden. Voor [naam directeur] heeft zij een conceptbrief gedateerd 26 januari 1999 aan de verzekeraar opgesteld. Zij heeft een aanvullend onderzoeksrapport opgesteld d.d. 12 mei 1999. Op 17 mei 1999 heeft zij een brief aan Houthoff Advocaten & Notarissen te Rotterdam gezonden waarin is vermeld dat daarbij een kopie van het aan [naam directeur] verzonden onderzoeksrapport wordt toegezonden.

2.5. Op 26 oktober 1998 heeft Crito aan Jekatex (per adres [adres], 4041 CW Kesteren) een voorschotfactuur ad fl. 11.750, - inclusief B.T.W. gezonden. Bij brief van 23 december 1998 heeft zij aan van den Hater meegedeeld:

“Bijgaand gelieve u een tweetal voorschotfacturen aan te treffen.

Van de voorschot-factuur d.d. 26 oktober 1998 werd reeds een bedrag van fl. 10.000, 00 door u voldaan. Helaas zijn wij genoodzaakt 17,5 % B.T.W. in rekening te brengen.

Wij verzoeken u derhalve alsnog de B.T.W. van deze factuur ad fl. 1750,00 aan ons over te maken.

Tot op heden, d.d. 23 december 1998, werden werkzaamheden tot een bedrag van fl. 12.065, 00 exclusief B.T.W., uitgevoerd.

Voorts doen wij u een nieuwe voorschot-factuur ad fl. 11.750, 00, inclusief B.T.W., toekomen.”

2.6. Bij brief van 8 januari 2001 heeft Crito Jekatex (per adres [adres]) aangemaand tot betaling van de voorschot-factuur van 23 december 1998 ad fl. 11.750,00

(€ 5331,92). Soortgelijke schriftelijke aanmaningen zijn gestuurd op 11 (per adres [adres]) en 22 (per adres Broekdijk 26) november en 16 december 2002 (per adres [adres], 6673 DP te Andelst, aangetekend met bericht van ontvangst). Laatstgenoemde brieven bevatten onder meer de volgende passage:

“Mocht betaling opnieuw uitblijven dan moet u er rekening mee houden dat rechtsmaatregelen jegens u zullen worden getroffen.

Tenslotte is deze brief nadrukkelijk te beschouwen als een stuiting van de verjaring ex art. 3:317 BW.”

2.7. Crito heeft bij brief van 22 november 2004 Jekatex gevraagd:

“ …

Wij zouden gaarne binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief van u vernemen of u de door u aan de heer [XXX] betaalde nota in uw administratie heeft kunnen traceren.

Indien u daarin niet kunt slagen zullen wij u helaas toch moeten belasten voor de betaling van de onderzoekskosten in deze zaak.”

Bij brief van 27 januari 2005 heeft Crito Jekatex verzocht aan voormeld verzoek voor 1 maart 2005 te voldoen.

2.8. Bij brief van 10 mei 2005 (per adres [adres]) is [naam directeur] gesommeerd om € 7728, 02 binnen 2 weken te voldoen. Deze brief sloot af met de passage:

“Voor de volledigheid merk ik op, dat met deze brief de lopende verjaring wordt gestuit.”

2.9. Bij brief van 26 mei 2005 heeft Jekatex aan Crito geantwoord de eerste voorschotfactuur reeds betaald te hebben en dat daarna door Crito geen diensten meer zijn verricht.

2.10. Bij brief van 19 juni 2006 heeft Crito Jekatex (per adres [adres]) meegedeeld dat de einddeclaratie eigenlijk €15.468, 25 inclusief B.T.W. bedraagt maar dat Jekatex de gelegenheid wordt gegeven het bij brief van 10 mei 2005 genoemde bedrag van €7728, 02 binnen twee weken te voldoen. Daarbij heeft Crito aangekondigd dat bij uitblijven van betaling een incassobureau zal worden ingeschakeld die het hogere bedrag zal invorderen.

2.11. Jekatex heeft een brief van 30 november 2006 van de heer E. [XXX], ex-directeur van Crito B.V. overgelegd waarin deze verklaard met Jekatex te hebben afgesproken dat werk is uitgevoerd tot het bedrag dat bij vooruitbetaling werd voldaan.

“Met wederzijdse instemming werden werkzaamheden door Crito beëindigd nadat het voorschot “op” was.

Naderhand werd geen afwijkende (t.o.v. voornoemde afspraak) regeling getroffen. Crito heeft geen werk meer uitgevoerd. ”

3. Het geschil

3.1. Crito vordert veroordeling van Jekatex, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 5000, 00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding en de proceskosten.

3.2. Jekatex voert verweer.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank verwerpt het verweer van Jekatex dat Crito niet-ontvankelijk zou zijn omdat Crito B.V. niet in het handelsregister van de Kamers van koophandel is opgenomen waardoor zij geen bestaande rechtspersoon is en haar hoedanigheid als eisende partij ook onzeker is. Uit het door Crito overgelegde “Uittreksel-informatie Internet” uit het handelsregister van de Kamers van Koophandel blijkt dat B.V. Centraal Recherche Informatie Technisch Onderzoek Bureau (Crito) op 1 juli 1994 is opgericht en dat deze B.V. sinds die datum ook de onderneming met als handelsnaam Crito DDO drijft. “Crito B.V.” is daarom niet de statutaire naam van eiseres. Er is dus sprake van een onjuiste partij-aanduiding van eiseres in de dagvaarding. Dit leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van Crito B.V., omdat Jekatex geen rechtens te respecteren belang heeft bij haar beroep op dit gebrek. De onjuiste partij-aanduiding was voor Jekatex kenbaar en heeft in ieder geval niet tot enige onzekerheid geleid omtrent de indentiteit van eiseres. Eiseres heeft immers in 1998/99 altijd onder de naam “Crito B.V.” met eiseres gecorrespondeerd.

4.2. De rechtbank verwerpt het beroep van Jekatex op verjaring eveneens. Beide verjaringstermijnen, die van het bedrag aan BTW over de eerste voorschotfactuur als die van de tweede voorschotfactuur, zijn in ieder geval tijdig gestuit door de brief van 16 december 2002, in welke brief Crito met zoveel woorden een beroep doet op stuiting van de verjaring in de zin van artikel 3:317 BW (zie 2.6). Deze brief is, zoals Jekatex ook heeft erkend, aangetekend en aan het juiste adres ([adres]) verzonden. Het verweer van Jekatex dat de brief weliswaar was gericht aan de bestuurder van Jekatex, [naam directeur], maar dat de brief hem nooit heeft bereikt omdat de bestuurder de brief niet zelf in ontvangst heeft genomen, gaat niet op. Het niet of niet tijdig bereiken van de betreffende bestuurder blijft in dit geval voor risico van Jekatex omdat dit het gevolg is van de handeling van mevrouw I. [naam dochter], dochter van [naam directeur] en werkneemster van Jekatex, die de brief namens Jekatex in ontvangst heeft genomen, een persoon voor wie Jekatex aansprakelijk is (3:37 lid 3 BW).

4.3. De rechtbank wijst de vordering van Crito tot betaling door Jekatex van € 5000,00 toe. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Crito stelt dat zij in opdracht en voor rekening van Jekatex werkzaamheden heeft verricht die Jekatex ten dele nog niet heeft betaald. Het betreft een bedrag aan B.T.W. over de eerste voorschotfactuur alsmede de gehele tweede voorschotfactuur inclusief B.T.W. Hoewel de einddeclaratie € 15331,92 exclusief rente bedraagt, vordert Crito uit coulance in deze procedure € 5000,00 waarbij zij zich voor het overige al haar rechten voorbehoudt.

Jekatex heeft gesteld in ieder geval het bedrag aan B.T.W. reeds betaald te hebben. Crito heeft betwist dat Jekatex de B.T.W. heeft betaald.

Hoewel Crito meermalen Jekatex heeft verzocht meer details te geven over deze betaling, heeft Jekatex niet gesteld hoe en wanneer zij dit bedrag heeft betaald. In het licht van de betwisting door Crito heeft Jekatex daarom onvoldoende feiten gesteld op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld dat Jekatex dit bedrag heeft betaald. Als al geoordeeld zou moeten worden dat Jekatex voldoende op dit punt heeft gesteld, heeft zij van deze stelling geen bewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding haar ambtshalve bewijs op te dragen. Ook om die reden is de betaling niet komen vast te staan.

Jekatex heeft voorts gesteld dat zij de tweede voorschotfactuur niet verschuldigd is aan Crito omdat zij met de toenmalige directeur van Crito, de heer [XXX], zou hebben afgesproken dat de werkzaamheden van Crito beperkt zouden blijven tot het bedrag van het eerste voorschot zou zijn opgebruikt. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een door de heer [XXX] ondertekende verklaring van 30 november 2006 overgelegd waarin onder meer staat:

“Werk uitgevoerd tot het bedrag dat bij vooruitbetaling werd voldaan. Met wederzijdse instemming van directies werden werkzaamheden door Crito beëindigd nadat het voorschot “op” was.”

Verder heeft Jekatex gesteld dat de medewerkers van Crito, [XXX] en [XXX], na december 1998 “op persoonlijke titel”, d.w.z. als opdrachtnemers van Jekatex, vervolgwerkzaamheden hebben verricht. Jekatex zou hen (in privé) voor deze vervolgwerkzaamheden hebben betaald.

4.4. Jekatex betwist niet dat zij Crito opdracht heeft gegeven om onderzoek te doen naar de oorzaak van de brand. Uit de stukken blijkt dat Crito Jekatex ook heeft bijgestaan in de discussie over de dekking van de brandschade met verzekeraar Interpolis. Verder blijkt uit de stukken dat na december 1998 op naam van Crito rapporten zijn opgesteld en brieven zijn verstuurd.

4.5. De door Jekatex gestelde afspraak uit december 1998 dat Crito haar verdere werkzaamheden na december 1998 zou staken, zodra het voorschot van fl 10.000,00 (van de factuur van 26 oktober 1998) verbruikt zou zijn, verdraagt zich niet met de brief van Crito van 23 december 1998. Daarin heeft Crito immers geschreven dat zij tot die dag werkzaamheden tot een bedrag van fl. 12.065,00 exclusief B.T.W. heeft uitgevoerd, derhalve fl. 2.065,00 meer dan het eerder in rekening gebrachte voorschot. Met andere woorden: het voorschot was in december 1998 al ruimschoots verbruikt. De stelling dat Jekatex na december 1998 de opdracht verder heeft laten uitvoeren door [XXX] en [XXX] en niet door Crito is niet te rijmen met het feit dat de correspondentie van na die maand nog steeds op naam van Crito is gevoerd. Gezien de hier bedoelde documenten en de betwisting door Crito heeft Jekatex onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden vastgesteld dat partijen hebben afgesproken dat Crito haar werkzaamheden zou beëindigen, zodra het voorschot zou zijn verbruikt en dat de vervolgwerkzaamheden zouden zijn opgedragen aan [XXX] en [XXX]. Jekatex heeft ten slotte haar stelling dat zij honorarium aan [XXX] en [XXX] in privé heeft betaald in het geheel niet toegelicht, zodat hiervoor hetzelfde geldt als voor de betaling van de B.T.W. over het eerste voorschot. De conclusie is daarom dat Crito ook na december 1998 haar werkzaamheden in opdracht van Jekatex is blijven uitvoeren en daarvoor haar honorarium in rekening kon brengen.

4.6. Jekatex stelt nu ook nog dat zij het aanvullende rapport van Crito van 12 mei 1999 niet heeft ontvangen, omdat het is gestuurd naar het adres van het afgebrande bedrijfspand. Wat er van de juistheid van die stelling zij (Jekatex heeft ook gesteld dat alle post aan het adres van het afgebrande bedrijfspand naar het nieuwe adres werd doorgestuurd), dit enkele feit is geen grond om het aan Crito toekomende honorarium niet te betalen. Verder betwist Jekatex de door Crito opgevoerde uren. Volgens Crito zou zij volgens de door haar normaal gehanteerde tarieven € 12.998,53 exclusief BTW (€ 15.468,25 inclusief B.T.W.) in rekening mogen brengen. Jekatex heeft daarvan fl. 10.000,00 (€ 4.537,80) betaald. Het verschil is € 10.930,45 inclusief B.T.W., te vermeerderen met de rente vanaf begin 1999. Crito heeft haar vordering in deze procedure beperkt tot € 5.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Gezien deze aanzienlijke beperking van de vordering en in het licht van de werkzaamheden die Crito heeft uitgevoerd en die hun neerslag hebben gevonden in de rapporten en brieven van Crito, komt de rechtbank het gevorderde bedrag van € 5.000,00 als verder nog aan Crito toekomend honorarium redelijk voor. Dit bedrag zal tezamen met de gevorderde wettelijke rente ex art. 6:119 BW worden toegewezen.

4.7. Jekatex zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Crito worden begroot op:

- dagvaarding €71, 32

- vast recht €300, 00

- salaris procureur €1152, 00 ( 3 punt X tarief € 384,00)

_____________

Totaal €1523, 32

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Jekatex om Crito te betalen een bedrag van € 5000, 00 (vijfduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der volledige betaling,

5.2. veroordeelt Jekatex in de proceskosten, aan de zijde van Crito tot op heden begroot op €1523, 32,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wesselink en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2007.