Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB9370

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/4467
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nieuw feit. Niet aannemelijk dat ter zake van het pand een hoger afschrijvingspercentage dient te worden gehanteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4467

Uitspraakdatum: 15 maart 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde [gemachtigde],

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [00].H.17) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.830 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juni 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 5 augustus 2006, ontvangen bij de rechtbank op 8 augustus 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2007 te Arnhem. Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [gemachtigde].

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan verweerder.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser is werkzaam als dierenarts. Tezamen met [A] B.V. drijft hij een onderneming in de vorm van een maatschap, onder de naam Maatschap Dierenartsenpraktijk [Z] (hierna: de maatschap). Beide maten zijn voor 50% gerechtigd in de maatschap.

Eiser is voor 50% eigenaar van het pand aan de [a-straat] te [0000 AA] [Z] (hierna: het pand). Het pand bestaat uit een woonhuis met bedrijfspand, ondergrond, erf en tuin. De totale aankoopprijs van het pand bedroeg in 1997 € 231.881, waarvan € 129.327 kan worden toegerekend aan het woonhuis en € 102.554 aan het bedrijfspand. De waarde die aan de ondergrond van het bedrijfspand kan worden toegerekend bedraagt in totaal € 40.840.

Het pand wordt verhuurd aan de maatschap. Hiervan is in 1999 een huurovereenkomst opgemaakt. De maatschap gebruikt het gehuurde uitsluitend als praktijk- en kantoorruimte ten behoeve van haar dierenartsenpraktijk.

Eiser heeft zijn gedeelte in het pand aangemerkt als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen. Jaarlijks wordt 4% afgeschreven van de aanschafwaarde van het pand verminderd met de ondergrond. Eiser heeft de afschrijvingsgrondslag als volgt berekend:

Aanschafwaarde pand bij aankoop (50%) € 75.715

Af: waarde ondergrond bedrijfspand € 20.420 -/-

Afschrijvingsgrondslag € 55.295

In 1998 is het pand ingrijpend verbouwd voor een bedrag van in totaal € 157.856. De verbouwing is geactiveerd op de balans van de maatschap. Vanaf 1 juli 1998 wordt jaarlijks 10% van de verbouwing afgeschreven.

Zowel de aankoop van het pand als de verbouwing zijn gefinancierd met een hypothecaire geldlening.

Eiser heeft voor het jaar 2001 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.872 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47. De definitieve aanslag IB/PVV over 2001 is overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

In mei 2005 heeft verweerder bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van deze controle is ondermeer de afschrijving op het pand en de verbouwing gecorrigeerd. De controlerend ambtenaar heeft de afschrijving vastgesteld op 2,5%. De afschrijvingsgrondslag is als volgt bepaald:

Aanschafwaarde pand bij aankoop (50%) € 55.295

Verbouwing pand (50%) € 78.928

Af: waarde ondergrond bedrijfspand € 20.420 -/-

Totaal € 113.803

Verweerder heeft in 2001 een correctie ad € 17.285 toegepast voor het teveel afgeschreven bedrag vanaf de aanschaf en de verbouwing tot en met 2000.

Met dagtekening 9 februari 2006 heeft verweerder over het jaar 2001 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.830 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 47.

Eiser heeft bezwaar aangetekend tegen de opgelegde navorderingsaanslag IB/PVV 2001. In bezwaar heeft hij aangegeven dat hij -voor wat betreft de correctie ten aanzien van de afschrijving van het pand en de verbouwing- niet akkoord gaat met het afwijken van de bestendige gedragslijn.

In beroep heeft verweerder aangegeven dat de afschrijvingsgrondslag voor het pand als volgt berekend dient te worden:

Aanschafwaarde pand bij aankoop (50%) € 75.715

Verbouwing pand (50%) € 78.928

Af: waarde ondergrond bedrijfspand € 20.420 -/-

Totaal € 134.233

Restwaarde circa 15% € 20.420 -/-

Afschrijvingsgrondslag € 113.803

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de volgende vragen:

1- Is eiser ontvankelijk in zijn bezwaar?

2- Kan verweerder een navorderingsaanslag over 2001 opleggen?

3- Heeft verweerder terecht de afschrijving op het pand en de verbouwing gecorrigeerd?

4- Kan eiser zich met vrucht beroepen op het vertrouwensbeginsel?

4. Beoordeling van het geschil

1. Ontvankelijkheid bezwaar

Op grond van artikel 6:9 lid 2 Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend als deze voor het einde van de 6-wekentermijn (zoals genoemd in artikel 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) juncto 6:8 Awb) ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

De navorderingsaanslag IB/PVV 2001 heeft een dagtekening van 9 februari 2006. Dit betekent dat de bezwaartermijn voor eiser eindigde op 23 maart 2006. Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag is gedagtekend op 22 maart 2005. De rechtbank zal verweerder volgen in zijn aanname dat hier een datum van 22 maart 2006 bedoeld zal zijn. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij op 22 maart 2006 het bezwaarschrift in de brievenbus heeft gedeponeerd. De enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden, is afgestempeld op 27 maart 2006. Het bezwaarschrift is op 28 maart 2006 door verweerder ontvangen.

Verweerder acht het, gelet op de poststempel, niet aannemelijk dat het bezwaarschrift tijdig ter post is aangeboden. Naar zijn mening doet daaraan niet af dat het bezwaarschrift is gedagtekend op 22 maart 2006.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat de afstempeling door TPG Post heeft plaatsgevonden buiten de bezwaartermijn, nog niet uitsluit dat het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn ter post is bezorgd (vgl. Hoge Raad 17 juni 2005, nr. 40 737, BNB 2005/305). Nu niet reeds uit het bezwaarschrift blijkt of anderszins is komen vast te staan dat eiser het bezwaarschrift buiten de termijn ter post heeft bezorgd, rust op verweerder de bewijslast om aannemelijk te maken op grond waarvan kan komen vast te staan dat het bezwaarschrift buiten de termijn ter post is bezorgd (vgl. Hoge Raad 5 januari 2007,

nr. 42 448, NTFR 2007/85).

Nu verweerder verder niets heeft aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat eiser zijn bezwaarschrift niet tijdig ter post zou hebben bezorgd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan eisers verklaring omtrent de terpostbezorging van het bezwaarschrift. Derhalve verklaart de rechtbank eiser ontvankelijk in zijn bezwaar.

2. Navordering

Eiser heeft betoogd dat het boekenonderzoek geen nieuw feit kan opleveren dat een navorderingsaanslag over 2001 rechtvaardigt. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om destijds een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van de gehanteerde afschrijving ter zake van het pand en de verbouwing, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AWR – voor zover hier van belang – kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Een feit, dat de inspecteur bekend of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren.

In het algemeen mag verweerder erop vertrouwen dat een aangifte correct is ingevuld en hoeft er geen inhoudelijke beoordeling van de ingediende aangifte plaats te vinden. Indien hij er dan later achterkomt dat de aanslag tot een te laag bedrag is berekend, mag hij een navorderingsaanslag opleggen. Alleen indien gerechtvaardigde twijfel bestaat aan de juistheid van de op de aangifte vermelde gegevens, dient verweerder al bij het opleggen van de aanslag een nader onderzoek in te stellen (HR 6 juni 2001, nr. 36 306, BNB 2001/397).

Naar het oordeel van de rechtbank had eisers aangifte IB/PVV over 2001 geen aanleiding dienen te vormen tot het instellen van een nader onderzoek naar de juistheid van de toegepaste afschrijving. Pas in 2005 is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiser de afschrijving ter zake van het pand en de verbouwing onjuist berekent. Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat verweerder in overeenstemming met de daaraan in artikel 16, eerste lid, van de AWR gestelde eisen, een navorderingsaanslag heeft opgelegd.

3. Afschrijving pand/verbouwing

Verweerder heeft naar aanleiding van het ingestelde boekenonderzoek de navorderingsaanslag IB/PVV over 2001 opgelegd. In beroep heeft eiser aangegeven dat hij het niet eens is met de door verweerder berekende afschrijving van het pand en de verbouwing. Tussen partijen is niet in geschil de in 2001 door verweerder toegepaste inhaalafschrijving.

Artikel 3.30 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt: “De afschrijving op goederen die voor het drijven van een onderneming worden gebruikt (bedrijfsmiddelen), wordt jaarlijks gesteld op het gedeelte van de nog niet afgeschreven aanschaffings- of voortbrengingskosten dat aan het kalenderjaar kan worden toegerekend.”

Afschrijving pand

Verweerder heeft de afschrijving van het pand verlaagd tot 2,5% van de afschrijvingsgrondslag. Hierbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er, gelet op de aard en de bouw van het pand, in dit geval sprake is van een duurzaam gebouwd object met een verwachte levensduur van nog minimaal 40 jaren. Naar het oordeel van verweerder zijn er geen bijzondere elementen in het gebouw aanwezig, bijvoorbeeld een showroom, die een snellere afschrijving rechtvaardigen. Daarnaast heeft verweerder de afschrijvingsgrondslag berekend met inachtneming van een restwaarde van 15% van de oorspronkelijke aanschafwaarde van het pand verminderd met de grond.

Eiser heeft betoogd dat de omstandigheid dat het pand op een industrieterrein is gelegen een waardeverminderende factor vormt. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat niet met zekerheid gesteld kan worden dat de bestemming van het pand een dierenartsenpraktijk zal blijven. Deze omstandigheden zouden volgens eiser een afschrijvingspercentage van 4% rechtvaardigen. Eiser heeft voor zijn stelling dat de restwaarde van het pand op nihil gesteld dient te worden geen nader bewijs aangevoerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk gemaakt dat ter zake van het pand een hoger afschrijvingspercentage dan 2,5% dient te worden gehanteerd. De enkele stelling dat niet met zekerheid kan worden gesteld of de bestemming van dierenartsenpraktijk in de toekomst zal worden gecontinueerd is daartoe onvoldoende, evenmin als de omstandigheid dat het bedrijfspand op een industrieterrein is gelegen. Voorts oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de opstal 25 ofwel 40 jaren na de verwerving volledig teniet zal zijn gegaan. De rechtbank acht de door verweerder berekende afschrijving redelijk en ziet geen reden om een hogere afschrijving in aanmerking te nemen dan bij de bestreden uitspraak in aanmerking is genomen. Derhalve dient eisers beroep op dit punt ongegrond te worden verklaard.

Activering verbouwing

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 maart 1997 (nr. 31 911, BNB 1997/162) ten aanzien van de afschrijving op een winkelpand in rechtsoverweging 3.4 het volgende overwogen:

“Indien een belastingplichtige bij aankoop van een pand daaraan verbouwingswerkzaamheden doet verrichten, teneinde het in de staat te brengen, waarin hij het voor zijn bedrijf wil gebruiken, moeten de met die werkzaamheden gemoeide kosten –als deel uitmakende van de aanschaffingskosten van het pand- in beginsel tezamen met de aankoopkosten van het pand worden geactiveerd, terwijl op het totaalbedrag van de aanschaffingskosten dan de in artikel 10 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bedoelde jaarlijkse afschrijving dient te worden toegepast. Goed koopmansgebruik verzet zich echter niet ertegen dat op onderdelen van een pand, die voldoende zelfstandigheid bezitten en die een van het pand afwijkende levensduur hebben, apart wordt afgeschreven (…).”

Op grond van het voormelde arrest kunnen de verbouwingskosten apart geactiveerd worden, mits de componenten voldoende zelfstandigheid bezitten en een van het pand afwijkende levensduur hebben. Eiser heeft niets aangevoerd waaruit blijkt dat de verbouwing als een afzonderlijk bedrijfsmiddel kan worden aangemerkt.

Nu niet is gebleken dat er sprake is van onafscheidelijke delen van het bedrijfspand, oordeelt de rechtbank dat slechts afschrijving is toegestaan op het bedrijfspand als geheel. Dit brengt met zich mee dat voor de aanschaffingskosten van het pand en de verbouwingskosten in beginsel hetzelfde, op de gehele onroerende zaak toepasselijke afschrijvingspercentage geldt en dat de verbouwingskosten tezamen met de aanschafwaarde van het bedrijfspand bij eiser als buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen geactiveerd dient te worden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder derhalve terecht de afschrijving van de verbouwingskosten gecorrigeerd en dient eisers beroep op dit punt ongegrond te worden verklaard.

4. Vertrouwensbeginsel

Eiser heeft aangegeven dat hij vanaf 1 januari 2004 is ingedeeld bij Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk. Voorheen was Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem competent. Eiser beroept zich op de continuïteit ten aanzien van de afschrijvingsmethodiek, nu de verschillende eenheden van de Belastingdienst een ander standpunt hieromtrent zouden innemen. Voor zover eiser hiermee een beroep heeft willen doen op het vertrouwensbeginsel, overweegt de rechtbank als volgt.

Voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel is meer vereist dan het volgen van de aangifte bij het regelen van de aanslag voor eerdere jaren. Niet gebleken is dat de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem een weloverwogen standpunt heeft ingenomen omtrent de door eiser gehanteerde afschrijvingsmethodiek. Daarnaast heeft eiser geen bijkomende omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de afschrijvingsmethodiek uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de Belastingdienst/Rivierenland, kantoor Arnhem is voorgelegd. Het vorenstaande is wel vereist voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel. Derhalve faalt deze beroepsgrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. drs. L.B.M. Klein Tank, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, op 15 maart 2007.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.