Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB8754

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
21-11-2007
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
134158
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van de verkoop groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 134158 / HA ZA 05-2138

Vonnis van 21 november 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. W.D. Huizinga.

Partijen zullen hierna Dexia en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 januari 2006

- de akte uitlating tevens akte overlegging producties van [gedaagde]

- de antwoordakte van Dexia.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Dexia is de rechtsopvolger onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., gevestigd te Amsterdam, eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolger van Legio Lease B.V.

2.2. Dexia en [gedaagde] hebben twee overeenkomsten gesloten met de naam Winstverdriedubbelaar. Beide overeenkomsten hebben voor [gedaagde] een positief resultaat opgeleverd. Daarnaast hebben Dexia en [gedaagde] twee overeenkomsten gesloten, één onder contractnummer [nr.] met de naam Feestplan II d.d. 3 mei 1998 en één onder contractnummer [nr.] met de naam Korting Kado d.d. 29 maart 2000. Alle genoemde overeenkomsten zijn een vorm van aandelenlease. De overeenkomsten houden in essentie in dat de klant geld leent van Dexia, waarmee aandelen/effecten – in de overeenkomsten “waarden” genoemd – worden gekocht. De overeenkomsten waarop Dexia haar vorderingen baseert zijn aangegaan voor de duur van 10 jaar. Gedurende 36 maanden diende [gedaagde] maandelijks een bedrag aan Dexia te voldoen bestaande uit rente over de aankoopsom van de portefeuille(s). Na 36 maanden werd op de overige 84 maanden een korting gegeven op de rente op basis van de gemiddelde procentuele stijging van de waarde van het aandelenpakket. Op de overeenkomsten zijn de Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease van toepassing.

2.3. Volgens de overeenkomst met contractnummer [nr.] (Feestplan II) bedroeg de som van de aankoopbedragen f 20.141,10, de totaal over de looptijd te betalen rente f 29.808,00, de totale leasesom f 49.949,10 en het overeengekomen rentepercentage 1,23 % per maand.

Met betrekking tot de overeenkomst met contractnummer [nr.] (Korting Kado) bedroeg de som van de aankoopbedragen € 10.985,91, de totaal over de looptijd te betalen rente € 13.622,40, de totale leasesom € 24.608,31 en het overeengekomen rentepercentage 1,03 %.

2.4. Vanaf maart 2003 betaalt [gedaagde] de maandelijks bedragen zoals overeengekomen in de in r.ov. 2.3 bedoelde overeenkomsten niet meer. Dexia sommeert [gedaagde] op 18 maart 2003 schriftelijk de achterstallige bedragen te voldoen met de aankondiging dat als niet binnen de gestelde termijn wordt betaald, de aandelenportefeuille verkocht zal worden in welk geval [gedaagde] naast de achterstallige termijnen en contractuele beëindigingskosten ook de boetetermijnen en het verschil tussen de hoofdsom en de verkoopopbrengst van de effecten zal moeten betalen. Bij de brieven zijn zogenaamde Berekeningen Tussentijdse Beëindigingen gevoegd.

2.5. Dexia zendt [gedaagde] bij uitblijven van betalingen twee eindafrekeningen met koersdatum 15 december 2005. Uit de eindafrekening met betrekking tot de overeenkomst Feestplan II kan worden opgemaakt dat de verkochte aandelen € 6.310,67 hebben opgebracht, dat Dexia stelt dat [gedaagde] nog € 13.630,20 moest betalen en dat per saldo een door hem te betalen bedrag van € 7.224,69 resteert. Uit de eindafrekening van Korting Kado kan worden opgemaakt dat de verkochte aandelen € 7.000,26 hebben opgebracht, dat Dexia stelt dat [gedaagde] nog € 16.446,01 moest betalen en dat per saldo een door hem te betalen bedrag van

€ 9.358,15 resteert.

2.6. Ondanks diverse aanmaningen is [gedaagde] niet overgegaan tot betaling van de in 2.5 bedoelde bedragen. In onder meer de brief van Raetsincasso BV van 16 april 2004 aan [gedaagde] heeft Dexia aanspraak gemaakt op rente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.7. De belangenbehartiger van [gedaagde] maakt in de brief van 5 april 2007 aan notaris Kielstra te Den Haag melding van het feit dat [gedaagde] door het afleggen van een opt-out verklaring ex artikel 7:908 lid 2 BW, zich wenst te onttrekken aan de verbindendverklaring van de zogenaamde Duisenberg-regeling.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Dexia vordert € 7.224,69 (contractnummer [nr.]) en € 9.295,43 (contractnummer [nr.]) beide bedragen te vermeerderen met de contractuele rente (ad 1,23 % per maand contractnummer [nr.] en ad 1,03 % per maand voor de overeenkomst met contractnummer [nr.]), subsidiair de wettelijke rente vanaf 29 december 2003 tot en met 16 april 2004 en beide bedragen te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ad € 662,52 en € 125,88 aan BTW over de incassokosten, totaal € 18.857,73 (tot 16 april 2004), vermeerderd met rente en kosten.

Bij conclusie van repliek in conventie/conclusie van antwoord in conventie tevens akte voorwaardelijke wijziging van eis in conventie heeft Dexia haar eis voorwaardelijk gewijzigd. Voor het geval de vorderingen in conventie worden afgewezen en het beroep van [gedaagde] op vernietiging of ontbinding slaagt, wijzigt Dexia haar vordering in die zin dat zij in dat geval vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomsten genoemde effecten en de waarde van bedoelde effecten op de datum van vernietiging of ontbinding van de betreffende overeenkomsten, althans minus de waarde van deze effecten ten tijde van de verkoop ervan.

3.2. [gedaagde] voert – samengevat – de volgende verweren aan.

Primair voert [gedaagde] aan dat de overeenkomsten nietig zijn omdat de echtgenote van [gedaagde] de nietigheid van de overeenkomsten heeft ingeroepen op grond van artikel 1:88 jo 1:89 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Subsidiair beroept [gedaagde] zich op het niet naleven van de door Dexia in acht te nemen zorgplicht op grond van regelgeving en vaste jurisprudentie en op grond van de Nadere Regeling bij de Wet Toezicht effectenverkeer 1999 wat volgens [gedaagde] mee brengt dat de overeenkomsten tot stand zijn gekomen onder invloed van dwaling en dat zij op die grond vernietigbaar zijn. Voorts voert [gedaagde] aan dat Dexia op diverse punten heeft gehandeld in strijd met de Wet op het consumentenkrediet en dat de overeenkomsten op die grond nietig zijn en dat Dexia jegens [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] voert aan dat Dexia tevens onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:194 BW, nu de producten niet aan de minimale kwaliteitseisen voldoen is het volgens [gedaagde] misleidend voor dergelijke producten reclame te maken. Tevens is sprake van wanprestatie zo stelt [gedaagde].

3.3. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert na wijziging van eis – samengevat – vernietiging van de overeenkomsten op grond van het ontbreken van toestemming van de echtgenote van [gedaagde] in de zin van artikel 88 lid 1 sub d BW, dan wel vernietiging van de overeenkomsten op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden en/of strijd met de WCK, dan wel ontbinding op grond van wanprestatie. Voorts vordert hij Dexia te veroordelen tot betaling aan [gedaagde] van € 11.644,17 te vermeerderen met rente alsmede Dexia te veroordelen om binnen drie dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de registratie en de A-codering bij het BKR te doen doorhalen als ten onrechte te zijn geschied op straffe van een dwangsom.

3.5. Dexia voert verweer. Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De verdere beoordeling in conventie en reconventie

4.1. In de Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever een of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK-oud).

De onderhavige overeenkomsten kenmerken zich onder meer hierdoor dat Dexia aan [gedaagde] bedragen ter beschikking heeft gesteld, waarover [gedaagde] periodiek rente diende te betalen en welk bedragen [gedaagde] aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoen deze overeenkomsten aan bovengenoemde definitie. In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK-oud onder meer vermeldt:

Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68).

Naar het oordeel van de rechtbank dwingt ook richtlijnconforme interpretatie van artikel 1 aanhef en sub a onder 1 WCK-oud tot toepasselijkheid van deze wet. Blijkens de tiende overweging van de considerans en artikel 14 leden 1 en 2 van richtlijn 87/102 (hierna de richtlijn) dient het begrip ‘kredietovereenkomst’ in artikel 1 van de richtlijn ruim te worden geïnterpreteerd en dienen de beschermende bepalingen van de richtlijn strikt te worden toegepast. Het kan ook niet zo zijn dat de doelstelling van de richtlijn kan worden ontgaan met een beroep op de rechtszekerheid, omdat Dexia door de duidelijke bewoordingen van de richtlijn had kunnen en moeten weten dat de WCK-oud van toepassing is op de onderhavige overeenkomst. Zie Hof van Justitie 4 oktober 2007, C-429-05, Celex 62005j0429.

Nu de overeenkomsten dateren van 1998 en 2000 en niet is gebleken dat aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK-oud niet is voldaan, geldt deze wet.

Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomsten niet voldoen aan artikel 4 lid 1 onder h WCK-oud. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van [gedaagde], reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan [gedaagde] kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK-oud (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige. De hiertegenover staande opvatting, die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder artikel 4 lid 1 onder h WCK-oud vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK-oud, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

4.2. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK-oud beschikte. Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar, aangezien art. 9 WCK-oud niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK-oud (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld:

Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.

Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK-oud (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetsgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK-oud volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

4.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om te anticiperen op het per 1 januari 2007 in werking getreden art. 1:23 Wet op het financieel toezicht, dat luidt:

De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald.

Uit de parlementaire stukken blijkt dat deze bepaling is ingevoerd omdat in de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur geen eenduidigheid bestaat over de vraag of de financiële toezichtswetgeving de strekking heeft om ermee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (kamerstukken II 2005-2006, 29 708, nr. 19, blz. 390-394).

4.4. Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties “met terugwerkende kracht” daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. De overeenkomst met de naam Winstverdriedubbelaar bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom, waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van de klant komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich mee dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia zouden zijn gebleven en dat Dexia niets te vorderen zou hebben van [gedaagde], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts zou Dexia de door [gedaagde] betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug dienen te betalen.

In de onderhavige zaak gaat het echter om producten met de naam Feestplan II en Korting Kado. [gedaagde] heeft in de akte uitlating tevens akte overlegging producties uiteengezet dat bij deze producten met de “inleg” van de klant geen aandelen werden gekocht maar dat van de “inleg” de door Dexia in rekening gebrachte rente en kosten werden betaald. [gedaagde] specificeert zijn schade als volgt. De schade bestaat volgens [gedaagde] uit het verlies van de inleg in de vorm van de maandelijkse rentebetalingen en door het ontstaan van een schuld aan Dexia. De schuld bestaat uit inleg die nog niet is betaald, beëindigingskosten en het (negatieve) verschil tussen de waarde van de aandelenpakketten en de geleende sommen. [gedaagde] stelt dat de niet betaalde rente termijnen en beëindigingskosten niet aan te merken zijn als schade voor Dexia en dat geen sprake kan zijn van beëindigingskosten in geval van nietige contracten. [gedaagde] voert aan dat bij het contract Feestplan II sprake is van een verschil tussen de waarde van de aandelenpakketten en de geleende som van € 917,00 en dat het restant van het door Dexia gevorderde bedrag bestaat uit nog niet betaalde inleg en uit beëindigingskosten. Bij het contract Korting Kado is volgens [gedaagde] sprake van een verschil tussen de waarde van de aandelenpakketten en de geleende som van € 966,00 en bestaat het restant van het door Dexia gevorderde bedrag tevens uit nog niet betaalde inleg en beëindigingskosten.

De rechtbank stelt vast dat Dexia hierop nog niet heeft kunnen reageren.

4.5. De rechtbank dient Dexia in beginsel in de gelegenheid te stellen op de in de laatste alinea van 4.4 weergegeven stellingen van [gedaagde] te reageren. De rechtbank zal die gelegenheid echter niet bieden omdat – zoals uit het hierna volgende blijkt – de rechtbank deze stellingen niet betrekt in haar eindoordeel. De rechtbank heeft bij voorbedoelde beslissing tevens meegewogen dat de procedure al heel lang loopt.

4.6. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van de verkoop groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom. Gelet hierop, in het licht van art. 6:278 lid 2 BW, zal in dat geval iedere partij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de helft van het verlies op de aandelen verminderd met de helft van de door [gedaagde] betaalde rentetermijnen, dienen te dragen. Hetgeen [gedaagde] in dit verband heeft aangevoerd over artikel 6:278 lid 2 BW (punt 65 e.v. akte uitlating tevens akte overlegging producties) leidt niet tot een ander oordeel.

4.7. Het voorgaande betekent dat in conventie toewijsbaar is de helft van het verlies op de aandelen te weten de aankoopprijs minus de opbrengst van de aandelen.

Met betrekking tot Feestplan II bedraagt het verlies: de aankoopprijs ad € 9.139,63 (= fl 20.141,10) minus de opbrengst van de aandelen ad € 6.310,67, derhalve totaal € 2.828,96. De helft van dit bedrag, te weten € 1.414,48 dient door [gedaagde] te worden betaald.

Met betrekking tot Korting Kado bedraagt het verlies: de aankoopprijs ad € 10.985,91 minus de opbrengst van de aandelen ad € 7.000,26, derhalve totaal € 3.985,65. De helft van dit bedrag, te weten € 1.992,83 dient door [gedaagde] te worden betaald. Totaal wordt derhalve in conventie toegewezen € 3.407,31, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 april 2004.

Nu niet is voldaan aan de door Dexia gestelde voorwaarde zoals bedoeld in r.ov. 3.1 behoeft de voorwaardelijke eiswijziging geen behandeling.

De gevorderde contractuele rente en buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, daar de betreffende werkzaamheden betrekking hebben op een stellingname op basis van een nietige overeenkomst.

4.8. In reconventie is de helft van de betaalde bedragen toewijsbaar met de rente vanaf de data van de betaling van de maandtermijnen. Uit de conclusie van antwoord in conventie punt 2.1 volgt dat [gedaagde] meent dat 60 termijnen van € 112,72 zijn voldaan ter zake van het Feestplan II en 27 termijnen van € 113,52 ter zake van Korting Kado, totaal € 10.963,44. Dexia betwist de juistheid van deze stelling. [gedaagde] stelt in de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens uitlating akte tevens houdende akte wijziging van eis dat hij een bedrag van € 11.644,17 aan inleg heeft betaald. Dexia stelt dat [gedaagde] 59 termijnen van € 112,72 aan het Feestplan II en 36 termijnen van € 113,52 aan Korting Kado heeft betaald, derhalve totaal € 10.737,20. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] deze stelling van Dexia onbesproken heeft gelaten. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] zijn verweer ten aanzien van het meerdere heeft prijsgegeven, zodat wordt uitgegaan van de helft van € 10.737,20 te weten € 5.368,60.

[gedaagde] vordert voorts doorhaling van de A-codering bij het BKR nu de registratie ten onrechte heeft plaatsgevonden omdat [gedaagde] niets aan Dexia verschuldigd is geweest. De rechtbank overweegt dat uit het voorgaande volgt dat Dexia wel degelijk een vordering heeft gehad op [gedaagde] met de betaling waarvan [gedaagde] in verzuim was, zodat de A-codering niet ten onrechte is geschied.

4.9. [gedaagde] heeft in conventie betoogd dat de door Dexia gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad moet worden afgewezen, omdat een veroordeling tot betaling voor hem gezien zijn financiële situatie desastreus is omdat zijn inkomen geen ruimte voor enige betaling laat en dat een redelijke belangenafweging meebrengt dat [gedaagde] pas hoeft te betalen als hij in hoger beroep in het ongelijk zou worden gesteld. Voorts stelt [gedaagde] dat in geval van veroordeling tot enige betaling Dexia ex artikel 233 lid 3 Burgerlijke Rechtsvordering zekerheid dient te stellen, dit volgens [gedaagde] gelet op de claims van honderdduizenden gedupeerde contractanten die Dexia boven het hoofd hangen. Dexia heeft in reconventie hetzelfde gevorderd zij het enigszins anders onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat het belang van Dexia in conventie en van [gedaagde] in reconventie bij een veroordeling van respectievelijk [gedaagde] en Dexia zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] in conventie en het belang van Dexia in reconventie bij behoud van de bestaande toestand tot op het in te stellen rechtsmiddel is beslist. De rechtbank zal aan de veroordelingen in conventie en reconventie geen voorwaarde tot het stellen van zekerheid verbinden, nu bezien in het licht van het over en weer gestelde onvoldoende is gebleken dat onder meer sprake is van de eveneens over en weer gestelde restitutierisico’s.

4.10. De overige naar voren gebrachte stellingen en gevoerde verweren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomsten en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank geen bespreking.

4.11. De verbindendverklaring van de zogenaamde Duisenbergregeling door het Gerechtshof te Amsterdam in zijn arrest van 25 januari 2007, LJN: AZ7033 zal evenmin tot een ander oordeel leiden, reeds omdat deze regeling een ander doel en strekking heeft dan de toepassing van art. 6:2 lid 2 BW.

4.12. Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Dexia te betalen een bedrag van EUR 3.407,31 (drieduizendvierhonderdzeven euro en eenendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 17 april 2004 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van EUR 5.368,60 (vijfduizenddriehonderdachtenzestig euro en zestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag telkens vanaf de data van de betaling van de maandtermijnen,

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. M.P.C.J. van Bavel en mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2007.