Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB8208

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-11-2007
Datum publicatie
20-11-2007
Zaaknummer
152128
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BI1728
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2009:BL7464, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse opzegging verzekeringsovereenkomst. Het strookt met de bedoeling van de wetgever dat de beperking van de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW ook geldt bij tussentijdse opzegging door de verzekeringnemer.

Zorgplicht loondienstagent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 19
RAV 2008, 20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 152128 / HA ZA 07-260

Vonnis van 14 november 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. M. Jongkind te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. H. Ouled Ali te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft bij RVS, onder polisnummer [nr.], een “Paraplupakket” afgesloten, bestaande uit een woonhuisverzekering, een inboedelverzekering, een glasverzekering, een aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren en een rechtsbijstandverzekering voor particulieren. In de met ingang van 1 mei 2006 geldende premie van EUR 58,14 per maand is een korting van 8% verwerkt in verband met de samenstelling van het verzekeringspakket en een korting van 5% in verband met de contractsduur voor vijf jaar. De premie is verschuldigd op de eerste dag van iedere maand. De verzekering is aangegaan tot 1 januari 2009.

2.2. Bij brief van 24 februari 2006 heeft Assurantiekantoor [naam ass.ktr.], namens [eiser], RVS verzocht de verzekering met ingang van de eerstvolgende premievervaldag, te weten

1 januari 2007, te beëindigen, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 2 sub b van de polisvoorwaarden en het nieuwe verzekeringsrecht.

2.3. Artikel 2 van de polisvoorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:

“De verzekering eindigt

a. per het einde van de op het polisblad genoemde verzekeringstermijn, indien RVS ten minste 2 maanden van tevoren een schriftelijke opzegging van de verzekering heeft ontvangen (…).

b. op de eerstvolgende premievervaldatum, indien RVS ten minste 2 maanden van tevoren een schriftelijke opzegging aan de verzekeringnemer heeft verzonden

c. na een schriftelijke opzegging door RVS, indien die opzegging plaatsvindt na een schademelding (…).

d. na een schriftelijke opzegging door RVS, indien de premie niet binnen 3 maanden nadat deze verschuldigd is geworden door RVS is ontvangen

e. op de door RVS vastgestelde wijzigingsdatum, indien de verzekeringnemer een in artikel 6 van de algemene polisvoorwaarden omschreven wijziging weigert

f. zodra de verzekeringnemer ophoudt zijn/haar woonplaats in Nederland te hebben

g. indien de verzekeringnemer binnen 14 dagen na ontvangst van de polis, de overeenkomst schriftelijk aan RVS opzegt, waarna de overeenkomst geacht wordt niet tot stand te zijn gekomen (dit geldt uitsluitend bij ingang van de verzekering)”.

2.4. Met ingang van 24 februari 2006 heeft [eiser] een Combipolis Particulieren afgesloten bij verzekeringsmaatschappij N.V. Noordhollandse van 1816 bestaande uit een gezinsongevallenverzekering en - in co-assurantie - een opstalverzekering.

2.5. Bij brief van 8 maart 2006 heeft RVS geweigerd de onder 2.1 vermelde verzekering tussentijds, met ingang van 1 januari 2007, te beëindigen.

3. De vordering

3.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank:

- primair:

van recht zal verklaren dat [eiser] de bevoegdheid had om het Paraplupakket bij brief van

24 februari 2006 tussentijds op te zeggen tegen 1 januari 2007, dat de beperking van de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW niet voor hem geldt en/of dat voor voornoemde bevoegdheid van hem niet vereist is dat er feiten en omstandigheden moeten bestaan die ernstig genoeg zijn om de beëindiging van de verzekeringsovereenkomst te rechtvaardigen,

- subsidiair:

van recht zal verklaren dat [eiser] de bevoegdheid had om het Paraplupakket bij brief van

24 februari 2006 tussentijds op te zeggen tegen 1 januari 2007, omdat voldaan is aan de voorwaarden die krachtens de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW voor opzegging door hem gelden, althans er feiten en omstandigheden bestaan die ernstig genoeg zijn om de tussentijdse beëindiging van de verzekeringsovereenkomst te rechtvaardigen,

- primair en subsidiair:

met veroordeling van RVS in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.2. RVS voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Kern van het geschil tussen partijen is de uitleg van artikel 7:940 lid 3 BW, dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Indien de verzekeraar de bevoegdheid heeft bedongen de overeenkomst tussentijds op te zeggen, komt de verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toe. Tenzij jegens hem is gehandeld met het opzet tot misleiding neemt de verzekeraar onderscheidenlijk de verzekeringnemer daarbij een termijn van twee maanden in acht (…). De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd”.

[eiser] meent dat het vereiste in de laatste zin van dit lid slechts van toepassing is bij tussentijdse opzegging door de verzekeraar. RVS meent dat dat vereiste zowel van toepassing is bij tussentijdse opzegging door de verzekeraar als door de verzekeringnemer.

Beide partijen doen daarbij een beroep op de parlementaire geschiedenis van voormeld artikel.

Subsidiair meent [eiser] dat er sprake is van feiten en omstandigheden die ernstig genoeg zijn om de tussentijdse opzegging van de verzekering te rechtvaardigen. Hij voert daartoe aan dat de loondienstagent van RVS, de heer van den Heuvel, jegens hem is tekortgeschoten door na te laten hem, [eiser], in te lichten over de noodzaak van het verhogen van de dekking van de opstalverzekering in verband met de verbouwing van zijn woning, en dat hij daardoor het vertrouwen in RVS heeft verloren. RVS heeft een en ander gemotiveerd weersproken.

4.2. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt, voor zover hier van belang, het volgende.

In het voorstel van Wet tot vaststelling van titel 7.17 (verzekering) en 7.18 (lijfrente) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (nummer 19529), dat op 16 mei 1986 aan de Tweede Kamer is aangeboden, was een soortgelijke bepaling als artikel 7:940 lid 3 BW nog niet opgenomen. Bij Nota van wijziging van 21 juni 2000 (kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5) is aan artikel 7.17.1.13 (het huidige artikel 7:940 BW) een derde lid toegevoegd, luidende:

“Indien de verzekeraar de bevoegdheid heeft bedongen de overeenkomst tussentijds op te zeggen, komt de verzekeringnemer een gelijke bevoegdheid toe. De verzekeraar en de verzekeringnemer nemen daarbij een termijn van twee maanden in acht”. In de toelichting op de Nota van Wijziging (p. 26-27) is opgenomen:

“Het komt nog al eens voor dat krachtens de polis de verzekeraar en de verzekeringnemer ongelijke opzegmogelijkheden hebben. Zo komt het voor dat de verzekeringnemer alleen kan opzeggen tegen de contractsvervaldatum, maar de verzekeraar ook tegen elke jaarlijkse premievervaldatum. Ook komt de verzekeraar nog al eens de bevoegdheid toe de overeenkomst tussentijds op te zeggen na het vallen van schade, terwijl die bevoegdheid de verzekeringnemer wordt onthouden. Het nieuw voorgestelde derde lid van dit artikel beoogt de opzegmogelijkheden voor beide partijen gelijk te doen zijn. Dit vooral om evenwichtige opzegmogelijkheden te creëren. Het belang daarvan voor de verzekeringnemer kan bijvoorbeeld daarin gelegen zijn dat deze ontevreden is over een afwikkeling van de schade.

De mogelijke vrees - met name bij meerjarige contracten tegen een lagere premie - dat door het gelijktrekken van de opzegmogelijkheden de verzekeringnemer onder omstandigheden te gemakkelijk de overeenkomst tussentijds kan opzeggen, kan door de verzekeraar weggenomen worden door zijn eigen opzegmogelijkheden restrictief te formuleren. (…). Overigens zij er op gewezen dat van dit nieuwe derde lid, evenals van het eerste en tweede lid, niet ten nadele van de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde kan worden afgeweken.”

Uit het Voorlopig Verslag van de vaste commissie voor Justitie van 31 oktober 2003 (Kamerstukken I 2003-2004, 19 529, A, p. 4-5), de Memorie van Antwoord van 5 oktober 2004 (Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, B, p. 13) en het Nader voorlopig verslag van de vaste commissie voor Justitie van 22 februari 2005 (Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, D, p. 5-6) blijkt dat tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer de vraag aan de orde is gesteld of de verzekeringnemer of uitkeringsgerechtigde wel wordt beschermd tegen een al te willekeurige opzegging door de verzekeraar. Hoewel de Minister in eerste instantie niet de noodzaak inzag van opname van een beschermingsbepaling analoog aan artikel 6:237, onder d. BW, omdat naar zijn oordeel in het algemene vermogensrecht voldoende bescherming werd geboden tegen al te willekeurige opzegging door de verzekeraar, is uiteindelijk bij Aanpassingswet van 3 juni 1995 (Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nrs. 1 en 2) aan het slot van artikel 7.17.1.13 lid 3 (het huidige artikel 7:940 lid 3) de volgende zin toegevoegd:

“De verzekeraar kan slechts tussentijds opzeggen op in de overeenkomst vermelde gronden welke van dien aard zijn dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd”.

Deze toevoeging is in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 7-8) als volgt toegelicht:

“Intussen past bij de verzekeringsovereenkomst in het algemeen wel dat de verzekeraar in beginsel terughoudend is in het hanteren van een bevoegdheid tot tussentijdse opzegging, zeker als er geen sprake is van kwade trouw bij de verzekeringnemer. Hetgeen men hier veelal ook zou kunnen afleiden uit bepalingen van het algemene vermogensrecht, leent zich ook voor een verzekeringsrechtelijke toespitsing. Men zie voor hetgeen reeds thans voor verzekeringen geldt: Asser-Clausing-Wansink nr. 150 en de daargenoemde uitspraken van de Raad van Toezicht Verzekeringen. De van verzekeraars te vergen terughoudendheid is tot uitdrukking gebracht in de voorgestelde toevoeging aan lid 3. In elk geval zal voldaan moeten zijn aan de in de verzekeringsvoorwaarden gestelde vereisten. Voorts zal de verzekeraar veelal zorgvuldig moeten overwegen of de omstandigheden voldoende ernstig zijn om opzegging te rechtvaardigen en moeten nagaan of in redelijkheid geen minder ingrijpende maatregel kan worden gevonden die evenzeer recht doet aan de belangen van beide partijen. Alvorens tot opzegging over te gaan, kan een waarschuwing op zijn plaats zijn. Ook kan gedacht worden aan het instellen van een eigen risico per gebeurtenis als voorwaarde voor het voortzetten van de verzekering. In het geval van tussentijdse opzegging zal de verzekeraar steeds gehouden zijn mee te delen welke redenen aan de opzegging ten grondslag liggen, reeds omdat de verzekeringnemer deze informatie bij het sluiten van een nieuwe verzekering nodig heeft. Voor de formulering van de voorgestelde zin is aansluiting gezocht bij artikel 6:237, onder d, BW”.

4.3. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de eerste zin van artikel 7:940 lid 3 BW is toegevoegd om evenwichtige opzegmogelijkheden te creëren voor de verzekeraar en de verzekeringnemer, omdat het nog al eens voorkwam dat de verzekeraar krachtens de polisvoorwaarden meer mogelijkheden had voor tussentijdse opzegging van de overeenkomst dan de verzekeringnemer. Om die reden zijn de opzegmogelijkheden voor beide partijen gelijkgetrokken en kreeg de verzekeringnemer dezelfde opzegmogelijkheden als de verzekeraar zich in de polisvoorwaarden had voorbehouden. Daarbij is onder ogen gezien dat door het gelijktrekken van de opzegmogelijkheden, de verzekeringnemer onder omstandigheden mogelijk te gemakkelijk de overeenkomst tussentijds zou kunnen opzeggen. In dat kader is overwogen dat de verzekeraar de vrees voor te gemakkelijke opzegging door de verzekeringnemer kan wegnemen door de opzegmogelijkheden in de polisvoorwaarden restrictief te formuleren. Voorts blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat naar aanleiding van vragen in de Eerste Kamer over de bescherming van de verzekeringnemer of de uitkeringsgerechtigde tegen al te willekeurige opzegging door de verzekeraar, de vierde volzin aan het derde lid van artikel 7:940 BW is toegevoegd. Met die toevoeging heeft de wetgever geen nieuwe regel in het verzekeringsrecht willen introduceren. In de parlementaire geschiedenis wordt er, onder verwijzing naar Asser-Clausing-Wansink nr. 150, op gewezen dat in het toen geldende verzekeringsrecht al gold dat een zekere terughoudendheid van de verzekeraar was geboden bij het tussentijds opzeggen van de verzekering en dat de verzekeraar zorgvuldig moest overwegen of de omstandigheden voldoende ernstig zijn om de opzegging te rechtvaardigen.

Bij de toevoeging van de eerste en de vierde volzin aan lid 3 van artikel 7:940 BW heeft de bescherming van de verzekeringnemer dus voorop gestaan. Dat voormelde toevoegingen strekken tot bescherming van de verzekeringnemer wordt bevestigd door het feit dat artikel 7:940 lid 3 BW ingevolge artikel 7:943 lid 2 BW van dwingend recht is, waarop niet ten nadele van de verzekeringnemer kan worden afgeweken.

Dat laat onverlet dat het de bedoeling van de wetgever was om de opzegmogelijkheden voor de verzekeringnemer en verzekeraar in zoverre gelijk te doen zijn dat de verzekeraar niet méér mogelijkheden toekwamen dan de verzekeringnemer.

4.4. Wanneer de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW niet voor de verzekeringnemer zou gelden, zou hij, indien - zoals in deze zaak - in de polisvoorwaarden is opgenomen dat de verzekering tegen de eerstvolgende premievervaldatum kan worden opgezegd, zonder enige grond de verzekering tegen die termijn kunnen opzeggen, terwijl de verzekeraar slechts tegen die termijn zou kunnen opzeggen bij aanwezigheid van een grond die van dien aard is dat gebondenheid aan de overeenkomst niet meer van de verzekeraar kan worden gevergd.

Naar het oordeel van de rechtbank kan een zo vergaande verruiming van de bevoegdheden van de verzekeringnemer niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Dat zou immers impliceren dat de verzekeringnemer tussentijds zonder grond kan opzeggen, zolang hij zich maar aan de opzegtermijn houdt. Dat een zo vergaand gevolg aan artikel 7:940 lid 3 BW verbonden zou zijn, volgt niet uit de parlementaire geschiedenis en strookt niet met de bedoeling van de wetgever. Deze was immers het creëren van evenwichtige opzegmogelijk-heden voor beide partijen bij de verzekeringsovereenkomst.

4.5. In de literatuur is om die reden ook kritiek geleverd op de vierde volzin van het derde lid van artikel 7:940 BW. Wanneer men artikel 7:940 lid 3 BW als geheel beziet, is de balans tussen de bevoegdheden van de verzekeraar en de verzekeringnemer gewijzigd in het nadeel van de verzekeraar, aldus mr. T. Dorhout Mees. De eveneens door partijen aangehaalde auteur mr. F. Stadermann meent dat de bescherming die de wetgever beoogt te bieden aan de verzekeringnemer is doorgeschoten en stelt dat de oplossing simpel is, namelijk dat de vierde volzin van lid 3 van artikel 7:940 BW ook voor de verzekeringnemer dient te gelden. Ook is er kritiek op de formulering van de vierde volzin omdat daaruit kan worden afgeleid dat de verzekeraar slechts kan opzeggen op “in de overeenkomst vermelde gronden” en het praktisch gezien onmogelijk is om alle gronden in de polisvoorwaarden te vermelden. Dat wreekt zich ook in de onderhavige zaak. De termijn waartegen kan worden opgezegd is iets anders dan de grond voor de opzegging.

[XXX] is van mening dat de vierde volzin van het derde lid van artikel 7:940 BW ook voor de verzekeringnemer geldt. Hij legt de nadruk op de wederzijdse gelijkheid van rechten van de verzekeraar en de verzekeringnemer en leidt daaruit af dat de verzekeringnemer niet als “free rider” zonder enige redengeving de overeenkomst zal kunnen opzeggen.

4.6. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het strookt met de bedoeling van de wetgever dat de beperking van de vierde volzin van artikel 7:940 lid 3 BW ook geldt bij tussentijdse opzegging door de verzekeringnemer. De primair gevorderde verklaring van recht zal dan ook worden afgewezen.

4.7. Voor de beoordeling van de subsidiaire vordering van [eiser] is van belang of de loondienstagent, de heer [XXX], [eiser] erop heeft geattendeerd dat de verbouwingen aan zijn woning gevolgen hadden voor de dekking van zijn opstalverzekering, die onderdeel uitmaakt van het paraplupakket.

Een loondienstagent is met betrekking tot zijn zorgplicht ten opzichte van de verzekeringnemer gelijk te stellen aan een assurantietussenpersoon. Volgens vaste rechtspraak dient een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat - kort gezegd - de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voor zover in deze zaak van belang, een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon met betrekking tot een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een beroep op risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren (Hoge Raad 10 januari 2003, NJ 2003, 375).

De rechtbank is van oordeel dat, indien komt vast te staan dat [XXX] niet aan deze zorgplicht heeft voldaan, [eiser] een voldoende gegronde reden had om de verzekering tussentijds op te zeggen wegens het tekortschieten van [XXX]. Van hem kan dan immers niet gevergd worden dat hij gebonden bleef aan de overeenkomst met een verzekeraar, voor wie [XXX] optrad.

4.8. Vaststaat dat [eiser] in de periode juni 2003 tot december 2005 verbouwingen aan zijn woning heeft uitgevoerd en dat [XXX] [eiser] in de periode vanaf 2003 een aantal malen heeft bezocht, voor het laatst op 4 januari 2006. [eiser] voert aan dat hij in 2003 op advies van [XXX] de verzekerde som van zijn opstalverzekering heeft laten verhogen, maar dat [XXX] hem nadien niet meer heeft geadviseerd de opstalverzekering aan te passen, dat hij nimmer bericht heeft ontvangen van [XXX] over het risico van onderverzekering en de gevolgen daarvan en dat zijn woning door het nalaten van [XXX] was onderverzekerd. RVS heeft een en ander gemotiveerd betwist en stelt dat [XXX] [eiser] herhaaldelijk heeft gewezen op de noodzaak om zijn opstalverzekering aan te passen in verband met de verbouwingen aan de woning, maar dat [XXX] dat pas wilde doen nadat de gehele verbouwing zou zijn afgerond. Voorts betwist RVS dat [eiser] was onderverzekerd.

Nu [XXX] zich beroept op de gevolgen van zijn stellingen dat [XXX] hem niet deugdelijk heeft geïnformeerd en dat zijn woning daardoor was onderverzekerd, rust op hem ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv. de bewijslast hiervan. De rechtbank zal hem dan ook opdragen dit bewijs te leveren.

4.9. Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.10. De rechtbank ziet aanleiding om verlof te verlenen om van dit tussenvonnis hoger beroep in te stellen, gelet op het principiële karakter van het oordeel over de uitleg van artikel 7:940 lid 3 BW.

4.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat de loondienstagent van RVS, de heer [XXX], heeft nagelaten hem, [eiser], na 2003 te adviseren om in verband met de verbouwingen aan zijn woning de verzekerde som van de opstalverzekering van zijn woning aan te passen en dat zijn woning daardoor was onderverzekerd,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 november 2007 voor uitlating door [eiser] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eiser], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [eiser], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, de partijen en hun advocaten in de maanden december 2007 tot en met februari 2008 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van de daartoe tot rechter-commissaris benoemde mr. S.J. Peerdeman in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

5.8. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J.D.A. Den Tonkelaar, M.P.C.J. van Bavel en

S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2007.