Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB8052

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
16-11-2007
Zaaknummer
488369 CV Expl. 07-2215
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARN:2010:BN7744, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering ex art. 843a Rv. Vordering afgewezen omdat zij voornamelijk materieel verweer in de hoofdzaak behelst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 488369 \ CV EXPL 07-2215 \ 282fh

uitspraak van 26 oktober 2007

Vonnis

in de zaak van

de vennootschap naar buitenlands recht [partij A]

gevestigd te Luxemburg

eisende partij in de hoofdzaak

verwerende partij in het incident

gemachtigde mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune

tegen

[partij B]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij in de hoofdzaak

eisende partij in het incident

gemachtigde mr. S.A. van Snippenburg

Partijen worden hierna [partij A] en [partij B] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 maart 2007;

- de akte houdende overlegging producties van [partij A], met producties;

- de incidentele conclusie (vorderingen ex artikel 3:94 lid 4 BW en artikel 843a Rv) van [partij B];

- de conclusie van antwoord in het incident van [partij A].

1. De vordering in de hoofdzaak

1.1. [partij A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij B] zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen € 126.483,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 januari 2003 tot aan de dag der algehele voldoening, en [partij B] zal veroordelen in de proceskosten.

1.2. De vordering is - voor zover thans van belang - gegrond op de volgende stellingen, samengevat weergegeven. [partij A] was tot 16 september enig aandeelhoudster van de besloten vennootschap Technographic B.V. (verder te noemen: Technographic). Op die datum zijn de aandelen op grond van een koopovereenkomst van 31 augustus 2004 geleverd aan de besloten vennootschap Engian Holding B.V. en aan [persoon X] (verder: Engian, respectievelijk [persoon X]). [partij B] was sinds 1 november 1997 op grond van een arbeidsovereenkomst werkzaam voor Technographic in de functie van districtmanager. De arbeidsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen en bedingen7:

Artikel 2 lid 3:

"Werknemer zal zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever tij¬dens de duur van het dienstverband geen andere betaalde werkzaamheden verrich¬ten, noch in enigerlei vorm een met het bedrijfsvan werkgever concurrerend bedrijf vestigen, drijven, mededrijven of doen drijven, hetzij direct hetzij indirect, of in wel¬ke vorm ook bij een dergelijk bedrijf belang hebben of daarin of daarvoor op eni¬gerlei wijze werkzaam zijn, hetzij tegen een vergoeding, hetzij om niet".

Artikel 9 lid 1:

"Het is werknemer verboden gedurende een periode van een jaar na de be‘indiging van het dienstverband, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever in enigerlei vorm een met het bedrijf van werkgever concurrerend bedrijf te vestigen, te drijven, mede of te drijven ofte doen drijven, direct dan wel indirect, of in welke vorm ook bij een dergelijk bedrijf enig belang te hebben of daarin of daarvoor op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen een vergoeding, hetzij om niet. Dit is alleen van toepassing indien werknemer ontslag zal nemen".

Artikel 9 lid 2:

"Bij iedere overtreding van het in lid 1 bedoelde concurrentiebeding verbeurt werknemer een duidelijk opeisbare boete van f 50.000,-- aan werkgever voor elke overtreding alsmede f 1.000,-- voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onver¬minderd de overige aan werkgever toekomende vorderingen, waaronder begrepen het recht op volledige schadevergoeding. Dit is alleen van toepassing indien werknemer ontslag zal nemen".

[partij B] heeft gedurende en na zijn dienstverband bij Technographic gehandeld in strijd met deze bepalingen. Technographic heeft [partij B] in rechte aansprakelijk gesteld voor schade en de verbeurde boete van hem gevorderd. Op 31 augustus 2005 is Technographic echter failliet verklaard, waarna de kantonrechter de aanhangige procedure ambtshalve heeft doorgehaald.

De vordering van Technographic op [partij B] is niet begrepen in de verkoop en de levering van de aandelen aan Engian en [persoon X], maar bij de overeenkomst van 31 augustus 2004 door Technographic overgedragen aan [partij A]. De koopovereenkomst bevat een bepaling van de volgende inhoud (aangehaald via de dagvaarding):

Artikel 8:

"De vennootschap (Technographic B. V., GvM) heeft een juridisch geschil met een voormalig werknemer, de heer [partij B]. De procedure zal worden voortgezet door verkoper (in casu [partij A], GvM). De kosten van deze procedure zullen geheel voor rekening komen van verkoper. Mogelijke toekomstige baten uit deze procedure zullen geheel toekomen aan verkoper.

De vennootschap is gehouden verkoper onvoorwaardelijk die medewerking te verlenen en al die informatie en stukken ter hand te stellen die verkoper in het kader van de procedure noodzakelijk acht".

[partij A] is daarom gerechtigd de vordering tegen [partij B] alsnog in te stellen, zo stelt zij.

2. De vordering en het verweer in het incident

2.1. In het incident vordert [partij B] dat de kantonrechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [partij A] zal bevelen de volgende stukken en documenten ter hand te stellen aan [partij B] dan wel aan zijn gemachtigde, althans dat de kantonrechter in goede justitie zal bepalen de wijze waarop - zo leest de kantonrechter - inzage, afschrift of uittreksel van deze bescheiden zal worden verschaft: een gewaarmerkt uittreksel van de cessieakte en haar titel, de schriftelijke mededeling van de cessie aan gedaagde in persoon, alsmede een gewaarmerkte (in het Nederlands vertaalde) oprichtingsakte aangaande eiseres als juridische entiteit en inschrijving als deze entiteit in de daartoe bestemde publieke registers, althans gewaarmerkte (in het Nederlands vertaalde) stukken op basis waarvan in ieder geval het ontstaan en voortbestaan van eiseres als juridische entiteit kan worden vastgesteld.

2.2. Aan deze vordering ligt ten grondslag de stelling, samengevat weergegeven, dat vooralsnog onzeker is wie en wat [partij A] is, nu dit niet door raadpleging van Nederlandse openbare registers kan worden vastgesteld. In het verlengde daarvan kan niet worden vastgesteld naar welk recht de gestelde cessie moet worden beoordeeld en, aangezien [partij A] buiten Nederland gevestigd is, waaraan de kantonrechter in deze zaak zijn bevoegdheid ontleent.

2.3. [partij B] meldt in zijn incidentele conclusie tevens een vordering ex artikel 224 Rv te willen instellen, maar heeft daarvan geen akte gevraagd.

2.4. [partij A] voert gemotiveerd verweer. Hieronder zal het verweer voor zover nodig worden besproken.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Het verweer houdt ten eerste in dat [partij B], in plaats van een incidentele vordering in te stellen, aanstonds het bestaan van [partij A], de rechtsmacht van de kantonrechter en de cessie ten principale had kunnen betwisten.

3.2. Dit standpunt is wellicht niet onjuist, maar de mogelijkheid van betwisting ten principale - afgezien van de vraag welke gronden [partij B] daarvoor zou kunnen aanvoeren - staat in het algemeen het instellen van een incidentele vordering als deze niet in de weg.

3.3. Vervolgens betoogt [partij A] dat “een gewaarmerkte (in het Nederlands vertaalde) oprichtingsakte aangaande eiseres als juridische entiteit en inschrijving als deze entiteit in de daartoe bestemde publieke registers, althans gewaarmerkte (in het Nederlands vertaalde) stukken op basis waarvan in ieder geval het ontstaan en voortbestaan van eiseres als juridische entiteit kan worden vastgesteld”, niet valt aan te merken als betrekking hebbend op een rechtsverhouding waarbij [partij B] partij is, zoals artikel 843a Rv als voorwaarde stelt.

3.4. Dit verweer treft doel, omdat, hoewel het bestaan van [partij A] een voorwaarde is voor het bestaan van de rechtsverhouding die zij aan haar vordering ten grondslag legt (de cessie), [partij B] niet heeft toegelicht of, en zo ja, in hoeverre de door hem bedoelde stukken die cessie in het bijzonder aangaan. [partij B] heeft dan ook geen belang bij de gevorderde inzage in of afgifte van die stukken.

3.5. Het derde onderdeel van het verweer houdt in dat de cessie is vastgelegd in artikel 8 van de aandelenkoopovereenkomst van 31 augustus 2004, zodat geen afzonderlijke cessieakte vereist is.

3.6. Dit verweer behelst een materiële stelling, zodat het niet in het incident kan worden onderzocht maar in de hoofdzaak aan de orde kan komen. De incidentele vordering is in zoverre niet toewijsbaar.

3.7. Tenslotte voert [partij A] aan dat aan het vereiste van mededeling van de cessie aan [partij B] als de debitor cessus is voldaan door toezending van een brief van 24 oktober 2006 en een desbetreffende telefonische mededeling van de raadsman van [partij A] aan [partij B]. Uit het verweer van [partij B], zo meent [partij A], volgt dat de mededeling van de cessie hem heeft bereikt.

3.8. Ook dit verweer slaagt in zoverre dat, nu [partij B] - zoals ook uit de eigen stellingen van [partij A] volgt - nog niet ten principale verweer gevoerd heeft, dit een punt is dat in de hoofdzaak nader aan de orde kan komen.

3.9. Al het voorgaande leidt tot het oordeel dat de incidentele vordering zal worden afgewezen.

3.10. [partij B] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] begroot op € 175,- voor salaris gemachtigde.

4. De voortgang van het geding in de hoofdzaak

4.1. In de hoofdzaak is het woord aan [partij B]. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een conclusie van antwoord.

4.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter

in het incident:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [partij B] in de kosten van het incident, aan de zijde van [partij A] begroot op € 175,-;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak:

- verwijst de zaak naar de rol van 23 november 2007 voor het nemen van een conclusie van antwoord door [partij B];

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.F. Gielissen en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2007.