Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB7535

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-10-2007
Datum publicatie
09-11-2007
Zaaknummer
146065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Art. 7:23 BW klachtplicht koper. Bekwame tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 146065 / HA ZA 06-1732

Vonnis van 31 oktober 2007

in de zaak van

de rechtspersoon naar publiek recht

POLITIE REGIO ROTTERDAM-RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak te Arnhem,

advocaat mr. M.A.T. Schroots te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[ ] SCHEEPSBOUW B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. P.M. Wilmink te Arnhem,

advocaat mr. D.J.R.M. Braakenburg te Capelle aan den IJssel.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 10 januari 2007,

- het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2007,

- de akte van PRR,

- de antwoordakte van [gedaagde],

- de akte van PRR.

Daarna is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten, het geschil en de beoordeling daarvan

1. Voor de vaststaande feiten en de weergave van het geschil wordt verwezen naar hetgeen in het vonnis van 10 januari 2007 is overwogen. Abusievelijk is onder 1.9 vermeld dat het nadere onderzoek naar de trillingen van het schip heeft plaatsgevonden door JVS. Dat is gebeurd door Studio Yacht.

2. [gedaagde] heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat PRR haar niet binnen bekwame tijd nadat zij de gebreken had ontdekt, daarvan op de hoogte heeft gebracht.

3. In een geval zoals hier aan de orde dient de koper (a) ter beantwoording van de vraag of de hem afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten en (b) binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of bij een dergelijk onderzoek had behoren te ontdekken dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, hiervan kennis te geven aan de verkoper. De lengte van de onder (a) bedoelde termijn is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het onderzoek dient, gelet op de door art. 7:23 lid 1 BW beschermde belangen van de verkoper te worden ingesteld en uitgevoerd met de voortvarendheid die gelet op de omstandigheden van het geval in redelijkheid van de koper kan worden gevergd. In dat verband kunnen van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt en de deskundigheid van de koper. Onder omstandigheden kan voor de beantwoording van de vraag of de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt, een onderzoek door een deskundige nodig zijn. In beginsel mag de koper de uitslag van dit onderzoek afwachten zonder de verkoper van het onderzoek op de hoogte te brengen (HR 29 juni 2007, RvdW 2007, 636).

4. Het gaat hier om de koop van een nieuw gebouwd schip, dat op 4 april 2001 door PRR in gebruik is genomen. Als onvoldoende weersproken moet worden aangenomen dat na ongeveer drie jaar (omstreeks medio 2004) regelmatig (erge) trillingen aan het schip werden vastgesteld. Namens [gedaagde] is tijdens de comparitie wel verklaard dat de veronderstelde trillingen eerder moeten zijn opgetreden, maar zij heeft niet aangegeven wanneer dat zou zijn geweest. Bovendien blijkt uit het overgelegde scheepsjournaal dat in de periode van begin 2002 tot eind 2003 nauwelijks trillingen zijn waargenomen. Eerst in de periode van (globaal) april 2004 tot en met juli 2004 wordt in het scheepsjournaal regelmatig melding gemaakt van (erge) trillingen. Ter beoordeling van de ernst van deze gebreken heeft PRR begin augustus 2004 onderzoek naar de trillingen aan het schip laten uitvoeren door JVS en nadien door Studio Yacht, die daarover op 2 september 2004 verslag heeft uitgebracht. De conclusie daaruit was dat de trillingen werden veroorzaakt door de ondeugdelijke constructie van het schip. Aangezien de ondeugdelijke constructie van het schip ten tijde van de koop/verkoop voor PRR niet waarneembaar was en redelijkerwijs ook niet waarneembaar kon zijn, moet worden aangenomen dat de klachttermijn als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW pas is aangevangen op 2 september 2004, het moment waarop Studio Yacht haar rapport uitbracht. Dat is weliswaar meer dan drie jaren na de oplevering, maar die lange duur is inherent aan de aard van het gebrek, zoals dat ook volgt uit het rapport van Studio Yacht, waarin is neergelegd dat de constructie van een schip niet meteen zal bezwijken, maar na verloop van tijd eerst zal vervormen waardoor een herverdeling van de belasting optreedt. Het was in die situatie ook redelijk dat PRR, alvorens bij [gedaagde] te klagen over de trillingen, eerst een onderzoek liet doen door een deskundig bureau om de aard en de oorzaak van die trillingen te onderzoeken. [gedaagde] heeft nog aangevoerd dat het door PRR tijdens de bouw ingeschakelde bureau Groenendijk & Soetermeer dat gebrek had moeten ontdekken, maar aangenomen moet worden dat Groenendijk geen onderzoek heeft gedaan naar de constructie van het schip. Dat volgt genoegzaam uit de faxbrieven van A, de Bie van Groenendijk & Soetermeer aan PRR d.d. 13 en 18 april 2007. Het ligt ook niet voor de hand om aan te nemen dat Groenendijk & Soetermeer daarnaar onderzoek hebben gedaan, omdat zij eerst zijn ingeschakeld op een moment (september 2004) dat het casco van het schip al door [gedaagde] was gebouwd. Dat PRR Groenendijk opdracht had moeten geven ook de constructie van het schip te onderzoeken kan niet worden aangenomen. PRR mocht er van uitgaan dat [gedaagde], als deskundig scheepsbouwer, zou zorgen voor een deugdelijke constructie. [gedaagde] had bij het aangaan van de overeenkomst ook de verantwoordelijkheid geaccepteerd voor het volledig en goed functioneren van het schip. Dat het schip is goedgekeurd door NSI kan aan het voorgaande niet afdoen.

Nadat PRR de resultaten van het onderzoek van Studio Yacht naar de trillingen van het schip had ontvangen, heeft zij hiervan op 27 oktober 2004 kennis gegeven aan [gedaagde]. Dat is tijdig.

5. [gedaagde] heeft vervolgens opgeworpen dat de vorderingen van PRR moeten worden afgewezen omdat zij niet in verzuim is.

Vast staat dat PRR [gedaagde] niet een laatste mogelijkheid heeft geboden de gestelde gebreken aan het schip te herstellen. Zij heeft, nadat Studio Yacht haar rapport had uitgebracht, het schip uit de vaart genomen en de overeenkomst met [gedaagde] bij brief van 26 oktober 2004 ontbonden. Of een ingebrekestelling nodig was is afhankelijk van de vraag of herstel van de eventuele gebreken nog mogelijk was. PRR heeft, onder verwijzing naar de conclusies en aanbevelingen van het rapport van Studio Yacht gesteld dat herstel niet meer tot de mogelijkheden behoorde. [gedaagde] heeft dat betwist. Of herstel al dan niet mogelijk is valt op dit moment niet te beoordelen. Daarom zal dat in de vraagstelling aan de hierna te benoemen deskundige worden meegenomen.

6. [gedaagde] heeft de stelling van PRR, dat constructie van het schip van meet af aan ondeugdelijk is geweest, gemotiveerd betwist. Als de constructie van het schip al zou zijn vervormd dan is dat volgens [gedaagde] veroorzaakt door onzorgvuldig gebruik van het schip door PRR omdat:

-het schip is gebruikt op zee,

-er diverse grote schades aan (de schroef van) het schip zijn geweest die niet aan [gedaagde] zijn gemeld,

-het maximum toelaatbare toerental van 2.000 toeren per minuut zonder overleg met [gedaagde] is verhoogd naar 2.110 toeren per minuut.

7. Op basis van de thans voorhanden gegevens kan niet worden vastgesteld of het schip al dan niet aan de overeenkomst beantwoordt in de zin van artikel 7:17 BW. De rechtbank acht hiervoor een deskundigenbericht noodzakelijk. De mogelijkheid daarvan is tijdens de comparitie met de partijen besproken. Zij zijn het eens geworden over de benoeming van (iemand verbonden aan) Techno Fysica B.V., gevestigd te Barendrecht, Zuideinde 80, als deskundige. Desgevraagd heeft ir. P. Kloppenburg zich bereid verklaard het onderzoek te verrichten. Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op zijn loon en kosten bepaald op € 8.400,-- inclusief omzetbelasting. Dit bedrag dient, gezien artikel 195 Rv., ter griffie te worden gedeponeerd door PRR. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. De deskundige is voornemens eerst te proberen de aan hem te stellen vragen te beantwoorden op basis van een visuele inspectie van de P7, fysisch onderzoek van het gebruikte materiaal en de beschikbare producties. Daarop is het bedrag van het voorschot gebaseerd. Mocht nader onderzoek nodig blijken dan zal de deskundige een voorstel doen omtrent omvang, kosten en duur van het nader onderzoek.

8. Tijdens de comparitie is de vraagstelling aan de deskundige met de partijen besproken. Zij hebben zich akkoord verklaard met de hierna in het dictum onder a en c t/m f geformuleerde vragen.

9. PRR heeft in haar akte van 16 mei 2007 nog een aantal vragen geformuleerd. De in die akte onder 32.ii genoemde vraag komt de rechtbank relevant voor en is daarom in het dictum worden opgenomen als vraag b. De overige door PRR voorgestelde vragen worden ondervangen door de ruime formulering van de vragen in het dictum sub a, d en e.

10. [gedaagde] heeft in haar akte van 25 juli 2007 onder 1 t/m 16 aan de deskundige voor te leggen vragen geformuleerd. De vragen 1 t/m 3 worden ondervangen door de vraag in het dictum sub a. De vragen onder 4 t/m 9 en 14 betreffen niet de (on)deugdelijkheid van het ontwerp/de constructie en zullen daarom niet aan de deskundige worden voorgelegd. De vragen onder 10 en 11 zijn neergelegd in de vraag sub b, de vragen onder 12 en 13 in de vraag sub a, en de vraag onder 16 wordt ondervangen door de vraag sub f. De vraag onder 15 ten slotte is niet meer van belang omdat over het al dan niet te laat klagen door PRR al is beslist.

11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

a. voldoet het ontwerp/de constructie van het schip aan de eisen van deugdelijkheid en duurzaamheid in het licht van het programma van eisen van PRR als bedoeld in artikel 1.4 van de tussen de partijen gesloten overeenkomst d.d. 16 juni 1999 en in het licht van het beoogde gebruik van het schip als binnenvaart patrouillevaartuig?

Zo neen, welke gebreken in het ontwerp/de constructie hebt u vastgesteld?

Wilt u bij de beantwoording van deze vragen betrekken:

-de mogelijkheid dat het toerental van de motoren van het schip is verhoogd van 2.000 naar 2.110 toeren per minuut;

-de mogelijkheid dat met het schip op zee is gevaren;

-de mogelijkheid dat het schip aanvaringen heeft gehad, waaronder begrepen aanvaringen met de bodem?

b. is het schip gebouwd conform het bestek (productie 55 van PRR) en het constructieplan (productie 56 van PRR)? Wilt u daarbij in ieder geval betrekken of het schip - waaronder het (dwars)spantensysteem - is uitgevoerd volgens de berekeningen en tekeningen en of het schip is gebouwd met de omschreven vereiste materialen, waaronder begrepen de dikte en het type materiaal?

Zo neen, wat zijn de consequenties daarvan voor de deugdelijkheid van de onder a bedoelde constructie?

c. is het mogelijk de door u geconstateerde gebreken te verhelpen?

Zo ja, tegen welke kosten?

d. als het ontwerp/de constructie naar uw oordeel goed is, hoe verklaart u dan de in de rapporten van JVS en Studio Yacht van 18 augustus 2004 en september 2004 geconstateerde klachten?

e. als u trillingen constateert, waardoor worden die dan veroorzaakt?

f. wat is het bedrag van aftrek voor het gebruik van het schip gedurende 3,5 jaar?

g. welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

ir. P. Kloppenburg, werkzaam bij Techno Fysica B.V., gevestigd te Barendrecht, Zuideinde 80, tel.: 0180-620211, fax: 0180-620705, e-mail: pklopp@technofysica.nl,

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

bepaalt dat PRR voor 14 november 2007 (kopieën van) de overige processtukken en - voor zover mogelijk - de andere door de deskundige noodzakelijk geachte stukken aan de deskundige zal doen toekomen,

bepaalt dat PRR voor 14 november 2007 als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 8.400,-- ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. D. van Driel van Wageningen (telefoon 026-3592773, fax: 026-3592543, e-mail: d.van.driel.van.wageningen@rechtspraak.nl)

bepaalt dat de plaats en de tijd waar en wanneer de deskundige tot het onderzoek zal overgaan, zullen worden vastgesteld door de deskundige in overleg met de raadslieden van de partijen,

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 9 januari 2008,

bepaalt dat de deskundige tegelijk met dit schriftelijk bericht zijn declaratie ter griffie zal indienen onder vermelding van het zaak- en rolnummer,

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

verwijst de zaak naar de vierde rolzitting na de ontvangst van het deskundigenbericht voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van PRR of voor bepaling datum vonnis,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Driel van Wageningen en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2007.

Coll.: ED