Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB7532

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
09-11-2007
Zaaknummer
151657
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Gemeente heeft zich tegen de vordering tot schadevergoeding onder meer verweerd door te stellen dat de schade van eiser niet het gevolg is van haar (onjuiste) besluit van 15 juli 2003, maar van de bouwstop van 15 januari 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151657 / HA ZA 07-180

Vonnis van 31 oktober 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. L. Paulus,

advocaat mr. C.J. Driessen te Beers,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE [woonplaats],

zetelende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. R van Bemmel te Breda.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 mei 2007

- de brief met bijlagen van 5 juni 2007 van mr. Driessen namens [eiser]

- de brief van 5 september 2007 met bijlagen van mr. Driessen namens [eiser]

- het proces-verbaal van comparitie van 14 september 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft op 30 augustus 2001 een vergunning aangevraagd ten behoeve van de herbouw van een bedrijfswoning met agrarische bedrijfsruimte aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning).

2.2. Op 15 januari 2002 heeft de Gemeente een bouwstop opgelegd, nadat was geconstateerd dat er zonder bouwvergunning - en derhalve in strijd met artikel 40 van de Woningwet - werd gebouwd. [eiser] heeft hiertegen geen rechtsmiddel aangewend.

2.3. De bouwvergunning voor de woning is verleend op 7 februari 2002.

2.4. Naar aanleiding van een bezwaarschrift van de VROM-inspectie heeft de Gemeente op 15 juli 2003 haar besluit van 7 februari 2002 ingetrokken en de vergunning voor de woning alsnog geweigerd. [eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van de rechtbank Arnhem.

2.5. Op 1 september 2003 heeft de Gemeente [eiser] een vergunning verleend in het kader van de Wet milieubeheer, voor een inrichting ten behoeve van het houden van rundvee. [eiser] had hiertoe op 10 februari 2003 een aanvraag ingediend.

2.6. Op 10 september 2003 is een tweede bouwstop opgelegd ten aanzien van de woning, nadat op 2 september 2003 was geconstateerd dat de bouw werd voortgezet zonder de benodigde vergunning. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen deze bouwstop.

2.7. Bij uitspraak van 12 mei 2004 heeft de rechtbank het beroep van [eiser] tegen het besluit van de Gemeente van 15 juli 2003 gegrond verklaard en bepaald dat de Gemeente een nieuwe beslissing op bezwaar diende te nemen. In de uitspraak is voorts opgenomen:

“Aangezien verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen en nog niet vaststaat hoe dit nieuwe besluit zal gaan luiden, ligt het thans niet op de weg van de rechtbank om zich over een mogelijke vergoeding van de schade, zoals door eiser verzocht, uit te spreken. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder bij het nieuw te nemen besluit tevens aandacht zal moeten besteden aan de vraag in hoeverre er termen zijn om de schade te vergoeden. De rechtbank wijst er op dat het op de weg van eiser ligt zijn verzoek nader richting verweerder te onderbouwen.”

2.8. Op 28 september 2004 heeft de Gemeente naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en alsnog de vergunning verleend.

2.9. Bij brief van 6 oktober 2004 (verzonden 11 oktober) heeft de Gemeente [eiser]

- samengevat - medegedeeld dat de bouwstop van 10 september 2003 is vervallen en dat

het door hem in dat verband ingestelde bezwaar niet verder zal worden behandeld.

Voorts schrijft de Gemeente dat is geconstateerd dat de woning fors afwijkt van de aanvraag en de verleende vergunning, maar dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld een nieuwe aanvraag in te dienen, zodat kan worden beoordeeld of legalisatie mogelijk is.

2.10. Op 26 oktober 2004 heeft de Gemeente [eiser] een vergunning verleend voor de bouw van een rundveestal. [eiser] had hiertoe op 24 juni 2003 een aanvraag ingediend.

2.11. Op 1 november 2004 heeft [eiser] een nieuwe bouwaanvraag voor de woning ingediend. De Gemeente heeft [eiser] bij brief van 22 maart 2005 (verzonden 29 maart) medegedeeld dat de vergunning van rechtswege is verleend.

2.12. Bij brief van 16 juni 2006 heeft mr. Driesen namens [eiser] een verzoek tot schadevergoeding ingediend bij de Gemeente, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank. Bij deze brief is een schaderapport gevoegd, opgesteld op 10 april 2006 door beëdigd rentmeester Ing. H.G.A. van Vugt van Ingenieursbureau Meander B.V. (hierna: het rapport van Meander van april 2006), waaruit blijkt dat de schade van [eiser] € 414.840,- bedraagt. De Gemeente wordt verzocht een voorschot van minimaal € 200.000,- te voldoen.

2.13. Vervolgens is over en weer gecorrespondeerd over de gevorderde schade.

2.14. Op 29 januari 2007 heeft [eiser] de onderhavige dagvaarding laten uitbrengen.

Op diezelfde datum heeft de Gemeente het verzoek van [eiser] tot vergoeding van zijn schade afgewezen, overwegende - kort gezegd - dat het stilleggen van de bouw rechtmatig was, zodat er geen grond is voor de aansprakelijkheidsstelling.

[eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de fictieve weigering van de Gemeente tot het nemen van een beslissing op het bezwaar.

2.15. Op 8 februari 2007 heeft [eiser] de Gemeente in kort geding gedagvaard ter verkrijging van een voorschot op zijn schade. Bij (gecorrigeerd) vonnis van 12 maart 2007 heeft de Voorzieningenrechter de vordering afgewezen.

2.16. Bij brief van 28 augustus 2007 heeft mr. Driessen een gewijzigd schaderapport van

Meander overgelegd, dat is opgesteld op 27 augustus 2007 (hierna: het rapport van Meander van augustus 2007). Hieruit blijkt dat de schade van [eiser] in totaal € 255.370,- bedraagt.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert de veroordeling van de Gemeente, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige daad van de Gemeente, bestaande uit het ten onrechte intrekken van de bouwvergunning voor de woning, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.

Ter comparitie heeft [eiser] nog verduidelijkt dat de grondslag van zijn schade is gelegen in het onjuiste standpunt van de Gemeente dat geen sprake is van een agrarisch bedrijf en voorts dat de schade bestaat uit een vertraging die de bouw heeft opgelopen door het intrekkingsbesluit. De schade strekt zich volgens hem uit over de periode van 10 september 2003 (beëindiging werkzaamheden als gevolg van de bouwstop) tot en met 27 oktober 2004.

3.2. [eiser] baseert zijn stellingen (onder meer) op het rapport van Meander van augustus 2007. Hieruit blijkt dat hij inkomensschade heeft geleden, bestaande uit:

- huurderving gedurende 1,1 jaar wegens het ontbreken van woongenot € 26.000,-

- inkomstenderving als gevolg van inzet arbeid improductieve uren € 9.500,-

- stagnatieschade, bestaande uit:

- exploitatieschade september 2003 t/m oktober 2004 € 15.456,-

- nationale reserve toeslagrechten 2006 t/m 2013 € 67.914,- +

Totaal € 118.870,-

En voorts dat er sprake is van bijkomende kosten:

- herstelkosten kelder, begane grond en buitenzijde € 55.000,-

- opstart bouwkosten € 25.000

- deskundigenkosten € 21.500,-

- inflatiebouwkosten € 35.000,- +

Totaal € 136.500,-

[eiser] vordert in totaal € 255.370,-, vermeerderd met rente vanaf het moment van stagnatie.

3.3. De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Uitgangspunt is dat schade die het gevolg is van een vernietigd besluit van de Gemeente door haar moet worden vergoed. Nu de rechtbank bij uitspraak van 12 mei 2004 heeft geoordeeld dat de bouwvergunning voor het woonhuis ten onrechte is ingetrokken en het besluit van de Gemeente van 15 juli 2003 heeft vernietigd, is daarmee de onrechtmatigheid van dat besluit gegeven. De Gemeente is dan ook in beginsel gehouden de schade van [eiser] die hier het gevolg van is te vergoeden.

4.2. Uit de stukken volgt dat de Gemeente op 28 september 2004 een nieuwe beslissing op bezwaar heeft genomen, waarbij alsnog de bouwvergunning voor de woning is verleend. Dit betekent dat de bouw als gevolg van het onjuiste besluit ongeveer veertien maanden is vertraagd en dat de schade die hieruit voortvloeit moet worden vergoed. Ter comparitie heeft [eiser] echter aangegeven dat de bouw feitelijk stil heeft gelegen van 10 september 2003 tot en met 27 oktober 2004, derhalve 13 maanden, en hij heeft zijn schade ook berekend over deze periode. Van deze periode zal dan ook worden uitgegaan hierna.

4.3. De Gemeente heeft zich onder meer verweerd door te stellen dat de schade van [eiser] niet het gevolg is van haar (onjuiste) besluit van 15 juli 2003, maar van de bouwstop van 15 januari 2002. Zij wijst hierbij op het ter zake genomen besluit waarin staat:

“Constatering

Op 14 januari 2002 is door onze ambtenaar belast met het bouw- en woningtoezicht geconstateerd dat (…) bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd zonder dat daarvoor door ons college een bouwvergunning is afgegeven.

Er is bij de bovengenoemde controle het volgende geconstateerd:

• Er is gestart met de herbouw van de op 29 mei 1999 afgebrande bedrijfswoning met agrarische

bedrijfsruimte op bovengenoemd perceel;

• Er wordt bij de uitvoering volledig afgeweken van de bij de aanvraag bouwvergunning van 30

augustus 2001 behorende bescheiden. De afwijkingen zijn gelegen in:

a. Onder de gehele woning wordt een kelderruimte gerealiseerd, in plaats van een kelder alleen onder het woongedeelte en een separate mestkelder;

b. De kelderruimte wordt voor zover op dit moment kan worden ingeschat gefundeerd op staal in plaats van de op de tekeningen en berekeningen aangegeven funderingsconstructie bestaande uit betonmortelschroefplaten.

• Er is op het perceel, achter de bestaande opstallen een schuur aangebouwd bestaande uit stalen

spanten en houten gordingen, met de afmetingen van circa 8 x 40 meter.

Bovengenoemde bouwactiviteiten zijn bouwvergunningplichtig. Bouwen zonder bouwvergunning is in strijd met artikel 40 van de Woningwet.

Bouwstop

Wij gelasten u om verdergaande overtreding van artikel 40 van de Woningwet met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden. (…)”

4.4. De Gemeente stelt met andere woorden dat [eiser] niet alleen is gaan bouwen vóórdat de vergunning op 7 februari 2002 werd verleend, maar voorts dat is gebouwd in afwijking van de aanvraag van 30 augustus 2001. Ook dit is in strijd met artikel 40 van de Woningwet en om die reden heeft de Gemeente een bouwstop opgelegd. Nu [eiser] hiertegen geen rechtsmiddel heeft aangewend heeft dit besluit formele rechtskracht, zodat van de juistheid daarvan in deze procedure moet worden uitgegaan. De schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van het stilleggen van de bouw heeft hij volgens de Gemeente aldus aan zichzelf te wijten, zodat zij niet gehouden is deze te vergoeden.

4.5. De rechtbank wijst er op dat hoewel de bouw mogelijk ook heeft stilgelegen ten gevolge van de bouwstop van 15 januari 2002, dit er op zichzelf niet aan afdoet dat [eiser] vertraging heeft opgelopen door het onjuiste besluit van 15 juli 2003.

[eiser] heeft immers, in afwachting van de nieuwe beslissing op bezwaar, gedurende lange tijd niet kunnen bouwen. Uiteindelijk is de nieuwe beslissing genomen op 28 september 2004 en vervolgens is [eiser] in de gelegenheid gesteld een nieuwe aanvraag in te dienen. De gewijzigde vergunning is daarna in maart 2005 verleend. De rechtbank acht het aannemelijk dat indien het besluit van 15 juli 2003 niet was genomen, [eiser] eerder een nieuwe aanvraag zou hebben ingediend en dat hij de gewijzigde vergunning ook eerder zou hebben ontvangen. In zoverre is er dan ook wel sprake van een vertraging die aan de Gemeente kan worden toegerekend.

4.6. Uit hetgeen [eiser] ter comparitie heeft opgemerkt volgt echter dat hij, in weerwil van de opgelegde bouwstop, de bouw van de woning op 7 februari 2002 heeft hervat.

De rechtbank is met de Gemeente van oordeel dat nu [eiser] geen rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een bouwstop, dit besluit formele rechtskracht heeft. Dit brengt mee dat er in deze procedure van moet worden uitgegaan dat het besluit zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. De opmerkingen die [eiser] ter comparitie heeft gemaakt ten aanzien van de (on)rechtmatigheid van de bouwstop behoeven om die reden dan ook geen bespreking.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat er geen plaats is voor een uitzondering op dit beginsel nu de Gemeente, door op 7 februari 2002 alsnog een vergunning te verlenen, daarmee niet heeft erkend dat de bouwstop ten onrechte is opgelegd. Evenmin is gebleken dat [eiser] dit wel heeft afgeleid uit verklaringen of gedragingen van de Gemeente

(HR 18 juni 1993, NJ 1993, 642). De enkele opmerking van [eiser] dat op 7 februari 2002 door de Gemeente zou zijn gezegd dat ‘alles goed was en dat hij mocht doorbouwen’ is in dit verband onvoldoende, nog daargelaten of aan een dergelijke opmerking - zo die al is gemaakt - rechtsgevolgen kunnen worden verbonden.

4.7. Het vorenstaande brengt mee dat [eiser] door op 7 februari 2002 de bouw te hervatten, in strijd heeft gehandeld met artikel 40 van de Woningwet. De vergunning die op die datum is verleend had immers alleen betrekking op de aanvraag van 30 augustus 2001 en niet op de geconstateerde afwijkingen. Ten aanzien van deze afwijkingen, die volgens

de Gemeente op dat moment in ieder geval bestonden uit een gewijzigde afmeting en fundering van de kelder, had [eiser] een nieuwe aanvraag moeten indienen. Dit heeft hij echter pas gedaan in november 2004, waarna de vergunning in maart 2005 is verleend,

zodat geconcludeerd moet worden dat tot die tijd is gebouwd in strijd met de Woningwet.

4.8. [eiser] heeft aangegeven dat de werkzaamheden aan de woning daadwerkelijk zijn gestaakt op 10 september 2003. Dit brengt ten aanzien van de genoemde afwijkingen mee dat gedurende twintig maanden (januari 2002 tot september 2003) is gebouwd zonder vergunning. De rechtbank is van oordeel dat het nadeel dat [eiser] heeft geleden bij de vertraging in de bouw als gevolg van het besluit van 15 juli 2003 hierdoor ruimschoots wordt gecompenseerd. Dit heeft ook gevolgen voor de gevorderde schade.

Inkomensschade

4.9. Het vorenstaande brengt mee dat er geen schade is in de zin van huurderving wegens het ontbreken van woongenot. Tegenover de vertraging ten gevolge van het intrekkingsbesluit staat immers het voordeel dat [eiser] heeft behaald door gedurende twintig maanden verder te bouwen, terwijl hij hiertoe niet gerechtigd was. Daardoor is [eiser] feitelijk verder gekomen met de woning dan hij zou zijn geweest als hij zich aan de bouwstop had gehouden, zodat hij - nadat de gewijzigde vergunning alsnog in maart 2005 werd verleend - het project sneller kon afronden en de woning kon betrekken. Met het voordeel dat [eiser] hierdoor heeft gehad dient rekening te worden gehouden.

Ook ten aanzien van de gevorderde exploitatieschade geldt dat nu de bouw is voortgezet ondanks de bouwstop, er feitelijk geen sprake is van een vertraging in de ingebruikname van het bedrijf en dus in het genereren van omzet, zodat ook hierdoor geen schade is ontstaan.

4.10. Ten aanzien van de nationale reserve toeslagrechten overweegt de rechtbank als volgt. Uit het rapport van Meander van augustus 2007 volgt dat alleen aanspraak kan worden gemaakt op deze rechten indien vóór 15 mei 2004 is geïnvesteerd in grond en/of gebouwen. Zoals hiervoor reeds is overwogen acht de rechtbank het aannemelijk dat indien de Gemeente het intrekkingsbesluit niet zou hebben genomen, [eiser] eerder een gewijzigde bouwvergunning voor de woning zou hebben aangevraagd en verkregen. Niet valt uit te sluiten dat hij alsdan vóór 15 mei 2004 de noodzakelijke investeringen zou hebben kunnen doen en dat hij in aanmerking zou zijn gekomen voor de toeslag. De Gemeente heeft er echter terecht op gewezen dat het verkrijgen van deze toeslag niet alleen afhankelijk is van de bouwvergunning voor de woning, maar tevens van de vergunning in het kader van de Wet milieubeheer en de bouwvergunning voor de stal. Deze vergunningen heeft [eiser] verkregen op respectievelijk 1 september 2003 en 26 oktober 2004. Wellicht had [eiser] laatstgenoemde vergunning ingevolge artikel 46 lid 1 sub b van de Woningwet reeds eerder fictief verkregen, maar in dit verband heeft [eiser] opgemerkt dat een fictieve vergunning onvoldoende was om een lening te krijgen bij de bank. Uitgangspunt is dan ook dat [eiser] pas kon investeren nadat ook deze vergunning definitief was verleend. Dit brengt mee dat het feit dat [eiser] niet voor 15 mei 2004 heeft kunnen investeren niet het gevolg is van het intrekkingsbesluit, maar van de overschrijding van de beslistermijn ten aanzien van de vergunning voor de rundveestal. De stelling van [eiser] dat deze termijnoverschrijding óók is veroorzaakt door het gewraakte besluit, omdat de aanvraag was stilgelegd vanwege de rechtszaak, wordt verworpen, nu dit niet nader is onderbouwd en bovendien door de Gemeente is betwist. Gelet op het vorenstaande wordt dit deel van de vordering afgewezen.

4.11. Ten aanzien van de gestelde inkomstenderving als gevolg van inzet arbeid improductieve uren geldt dat deze post niet is onderbouwd, zodat dit deel van de vordering reeds om die reden moet worden afgewezen.

Bijkomende kosten

4.12. [eiser] vordert onder meer vergoeding voor de kosten van herstel van het pand.

In dat verband overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het rapport van Meander van augustus 2007 volgt dat de gevorderde kosten zien op herstel van schade aan de kelder, begane grond en buitenzijde van de woning. Volgens [eiser] is deze schade ontstaan vanwege de lange periode van afbouwstopzetting.

Zoals hiervoor reeds is overwogen is het feit dat de bouw is stilgelegd echter niet het gevolg van het (onjuiste) intrekkingsbesluit, zoals [eiser] stelt, maar van de door de Gemeente opgelegde bouwstop, waarvan de rechtmatigheid in deze procedure niet ter discussie staat.

Dit brengt mee dat er geen sprake is van causaal verband tussen de gestelde schade en het besluit van 15 juli 2003, zodat ook dit deel van de vordering wordt afgewezen.

4.13. Nu ook de gevorderde opstartkosten als gevolg van het voor de tweede keer aan- en afvoeren van materialen en dergelijke samenhangen met het hervatten van de bouw na de opgelegde bouwstop, ontbreekt ook ten aanzien hiervan het causale verband met het besluit van 15 juli 2003. Deze kosten worden derhalve eveneens afgewezen.

4.14. De gevorderde inflatiebouwkosten van de stal zijn niet nader zijn onderbouwd, zodat deze reeds om die reden worden afgewezen.

4.15. Ten aanzien van de gevorderde juridische, taxatie- en rentekosten overweegt de rechtbank dat nu de vordering van [eiser] tot vergoeding van zijn schade wordt afgewezen ook deze kosten - wat daar ook van zij - niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.16. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op € 251,- aan vast recht en € 4.000,- (2 punten x € 2.000,-) aan salaris procureur.

4.17. De rechter ten overstaan van wie de comparitie is gehouden heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op € 4.251,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2007.