Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB6955

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
02-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/4058
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontvoeging in zicht van liquidatie. Op het ontvoegingstijdstip bestond reeds zicht op liquidatie van de dochtermaatschappij. Redengevend daarvoor acht de rechtbank (1) dat voorafgaand aan de ontvoeging reeds de intentie bestond de ondernemingsactiviteiten in de dochtermaatschappij te beëindigen en over te dragen aan een andere vennootschap, (2) dat de dochtermaatschappij ten tijde van de ontvoeging aanzienlijke schulden en een negatief eigen vermogen had, (3) dat het faillissement van de dochtermaatschappij binnen twee weken na ontvoeging is aangevraagd door een met haar verbonden lichaam en (4) dat de liquidatie binnen drie jaar na ontvoeging daadwerkelijk is ingetreden. Gelet op deze omstandigheden bestond op het ontvoegingstijdstip een grote mate van waarschijnlijkheid dat de dochtermaatschappij (door beëindiging van het faillissement) op termijn in liquidatie zal treden. De dochtermaatschappij bevond zich derhalve op het ontvoegingstijdstip in het zicht van liquidatie. Verweerder heeft mitsdien terecht artikel 15aj, lid 3, letter a, Wet Vpb 1969 toegepast en de vrijval van de schulden terecht tot de winst van eiseres gerekend.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 19
Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 15aj
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2008/11.15 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2083
JOR 2008/143 met annotatie van A.J. Tekstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/4058 VPB

Uitspraakdatum: 27 juni 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X] Beheer B.V., gevestigd te [Y], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2003 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslagnummer [1].V.36) opgelegd naar een belastbare winst van € 110.325.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 juni 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 14 juli 2006, ontvangen bij de rechtbank op

18 juli 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2007 te Arnhem.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door [A], werkzaam bij [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en verweerder. Verweerder heeft een uittreksel uit het handelsregister overgelegd. De rechtbank rekent de pleitnota en het uittreksel tot de stukken van het geding.

2. Feiten

De heer [E] houdt alle aandelen in Holding [E] BV, die op haar beurt alle aandelen in eiseres houdt.

Eiseres heeft tot 21 november 2003 alle aandelen gehouden in [F] BV. Laatstgenoemde vennootschap houdt zich bezig met het verwerken van bouw- en sloopafvalstoffen. Op 21 november 2003 heeft eiseres 10% van de aandelen overgedragen aan haar houdstermaatschappij.

Tot 21 november 2003 vormden eiseres en [F] BV een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.

Per 21 november 2003 heeft [F] BV voor een bedrag van € 512.495 aan schulden bij diverse gelieerde en niet-gelieerde vennootschappen en heeft zij een zichtbaar negatief eigen vermogen van € 355.106. In de door [F] BV gedreven onderneming zijn geen noemenswaardige stille reserves of goodwill aanwezig.

Op 2 december 2003 heeft de heer [E] namens Holding [E] BV, de aandeelhoudster van eiseres, het faillissement van [F] BV bij de rechtbank [Q] aangevraagd. [F] BV is door de rechtbank [Q] op 3 december 2003 in staat van faillissement verklaard.

Op 27 augustus 2004 heeft eiseres een nieuwe vennootschap, genaamd [G] BV, opgericht. Blijkens de overeenkomst van 5 maart 2004 heeft [G] BV de ondernemingsactiva van [F] BV overgenomen.

Op 2 september 2004 heeft Holding [E] BV 29,89% van haar aandelen in eiseres voor € 1 verkocht aan [H Holding] BV, een vennootschap waarvan de heer [H] alle aandelen bezit.

Voornoemde herstructurering is voorgesteld door de adviseur van eiseres. In een gespreksnotitie van een bespreking op 25 oktober 2003 is het volgende vermeld:

"Overdracht aandelen [X] Beheer B.V. aan [H].

Het memo, opgesteld door [I] over de opvolging en herstructurering van [X] Beheer B.V. wordt nu doorgenomen. In de grote lijn kan een ieder zich hierin vinden. Hoewel een aparte onderneming feitelijk de voorkeur zou verdienen, is de financiële besparing door deze transactie aanzienlijk. Indien de risico's voor [F] goed kunnen worden afgezonderd, dan scheelt dit financieel aanzienlijke bedragen. De besparing is in ieder geval de overdrachtsbelasting ad ongeveer € 20.000 en de fiscaal verrekenbare verliezen van ruim € 420.000, waarbij dan het jaar 2003 nog niet is inbegrepen. In totaal praten we zeker over €150.000. Een belangrijke voorwaarde is dat de onderneming niet mag zijn gestaakt.

Het voorstel is in het kort verkoop 51% belang aan [H] en/of zijn B.V.’s voor € 1,-.

Naam en statutenwijziging van de B.V. en vrijwaring door [E] en/of zijn holding B.V., van alle aanspraken uit [F] B.V.

(…)

De begroting opgesteld door [H] ziet er op zich gunstig uit. Door de verwachte winstgevendheid kan prima gebruik worden gemaakt van de fiscaal verrekenbare verliezen.

(…)”

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister is [F] BV op 14 november 2006 ontbonden door opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel.

Bij de aanslagregeling heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat op grond van artikel 15aj, lid 3, letter a, Wet Vpb 1969, onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van ontvoeging van [F] BV per 21 november 2003 de schulden van [F] BV moeten worden gesteld op de bedrijfswaarde ervan. Volgens verweerder is de bedrijfswaarde van de schulden nihil, zodat de vrijval van de schuld van € 512.495 tot de winst van (de fiscale eenheid van) eiseres moet worden gerekend.

Ter zitting is namens eiseres verklaard dat voorafgaand aan de ontvoeging reeds de intentie bestond de ondernemingsactiviteiten van [F] BV in een andere vennootschap onder te brengen.

3. Geschil

In geschil is of verweerder bij de ontvoeging van [F] BV terecht artikel 15aj, lid 3, letter a, Wet Vpb 1969 heeft toegepast. Het geschil spitst zich daarbij toe op de vraag of [F] BV in het zicht van liquidatie is ontvoegd.

Subsidiair heeft verweerder nog gesteld dat sprake is van fraus legis.

4. Beoordeling van het geschil

In artikel 15aj, lid 3, letter a, Wet Vpb 1969 is bepaald dat indien een dochtermaatschappij in het zicht van haar liquidatie wordt ontvoegd, op het tijdstip onmiddellijk voorafgaand aan het ontvoegingstijdstip de schulden van die dochtermaatschappij worden gesteld op de bedrijfswaarde als deze waarde lager is dan de nominale waarde van de schulden.

In artikel 2:19 BW is, voor zover relevant, bepaald dat een rechtspersoon wordt ontbonden door een besluit van de algemene vergadering dan wel na faillietverklaring door opheffing van het faillissement wegens de toestand van de boedel. Op grond van het vijfde lid blijft de rechtspersoon na ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. In stukken en aankondigingen die van deze rechtspersoon uitgaan, moet aan zijn naam worden toegevoegd: in liquidatie.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [F] BV in het zicht van liquidatie is ontvoegd. In dit verband acht de rechtbank van belang dat deze vennootschap op 14 november 2006 door ontbinding in liquidatie is getreden. Dat de ontbinding door faillissementsbeëindiging is geschied en niet door een besluit van de algemene vergadering, acht de rechtbank, anders dan eiseres, hierbij niet relevant.

De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of op het ontvoegingstijdstip van 21 november 2003 reeds zicht bestond op de liquidatie van [F] BV. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Redengevend daarvoor acht de rechtbank dat voorafgaand aan de ontvoeging reeds de intentie bestond de ondernemingsactiviteiten in [F] BV te beëindigen en over te dragen aan een andere vennootschap, dat [F] BV ten tijde van de ontvoeging aanzienlijke schulden en een negatief eigen vermogen had, dat het faillissement van [F] BV binnen twee weken na ontvoeging is aangevraagd door een met haar verbonden lichaam en dat de liquidatie binnen drie jaar na ontvoeging daadwerkelijk is ingetreden. Gelet op deze omstandigheden bestond op het ontvoegingstijdstip een grote mate van waarschijnlijkheid dat [F] BV (door beëindiging van het faillissement) op termijn in liquidatie zal treden. [F] BV bevond zich derhalve op het ontvoegingstijdstip in het zicht van liquidatie. Verweerder heeft mitsdien terecht artikel 15aj, lid 3, letter a, Wet Vpb 1969 toegepast.

Namens eiseres is ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat niet ter discussie staat dat op het ontvoegingstijdstip de bedrijfswaarde van de schulden op nihil kan worden gesteld. Dit brengt mee dat verweerder terecht de vrijval van de schulden ten bedrage van € 512.495 tot de winst van eiseres heeft gerekend.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, en mrs. I. Linssen en G.D. van Norden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier, op 27 juni 2007. .

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.