Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB6954

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2007
Datum publicatie
02-11-2007
Zaaknummer
AWB 06/3443 en 06/3444
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De gebruikelijk-loonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 is ook van toepassing op eiser, nu eiser een lidmaatschapsrecht in de coöperatie heeft en dit lidmaatschapsrecht voor hem kwalificeert als een aanmerkelijk belang in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 is niet strijd met artikel 43 van het EG-Verdrag, de artikelen 2:26 en 2:53 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 11 van het EVRM.

De rechtbank is niet bevoegd om artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 te toetsen op haar grondwettigheid, innerlijke waarde of billijkheid.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, aangezien leden van een coöperatie enerzijds en eigenaren van een eenmanszaak, v.o.f. en een directeur-grootaandeelhouder van een besloten vennootschap anderzijds geen feitelijk en rechtens gelijke gevallen zijn.

Discriminatie op de grond dat ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld, doet zich slechts voor bij een overduidelijke onevenredigheid. Eiser heeft daartoe onvoldoende aangevoerd, zodat ook dit beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2026
FutD 2007-2092
Belastingadvies 2007/24.7
V-N 2008/9.1.3

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummers: AWB 06/3443 en 06/3444

Uitspraakdatum: 22 augustus 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Y], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [1].H.27) inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.

Voorts heeft verweerder aan eiser voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (aanslagnummer [1].W.27) opgelegd.

Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar van 1 mei 2006 de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brieven van 9 juni 2006, ontvangen bij de rechtbank op 12 juni 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2007 te Arnhem. De zaken met de nummers 06/3443, 06/3444, alsmede met het nummer 06/3445 ten name van de echtgenote van eiser, zijn gelijktijdig behandeld. Eisers gemachtigde [A] is verschenen, bijgestaan door [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

Eiser en verweerder hebben beiden een pleitnota overgelegd en voorgedragen, welke vervolgens tot de gedingstukken zijn gerekend.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

Eiser heeft samen met zijn echtgenote [X-Y] op 12 januari 1996 een coöperatie opgericht met de naam Coöperatieve [E] U.A. (hierna: de coöperatie). Blijkens artikel 1, derde lid, van de oprichtingsakte wordt onder de coöperatie verstaan een vereniging op coöperatieve grondslag.

Eiser en zijn echtgenote hebben een lidmaatschapsrecht in de coöperatie. Daarnaast zijn zij beiden bestuurder van de coöperatie.

Eiser heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2002 een loon uit dienstbetrekking bij de coöperatie aangegeven van € 24.596. De aanslag IB/PVV is overeenkomstig de aangifte opgelegd.

Verweerder heeft bij navorderingsaanslag het aangegeven loon uit dienstbetrekking verhoogd tot een bedrag van € 38.118, omdat naar zijn mening de gebruikelijk-loonregeling van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet) moet worden toegepast.

3. Geschil

Tussen partijen is in geschil of:

- artikel 12a van de Wet van toepassing is op de leden van de coöperatie;

- artikel 12a van de Wet in strijd is met het bepaalde in artikel 11 van het EVRM, het bepaalde in artikel 43 van het EG-Verdrag dan wel met hetgeen is bepaald in de artikelen 2:53 en 2:26 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW);

- er sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

4. Beoordeling van het geschil

Toepassing van artikel 12a van de Wet

Niet in geschil is dat het lidmaatschapsrecht van eiser in de coöperatie op grond van artikel 4.5a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) moet worden gelijkgesteld met een winstbewijs. In het eerste lid, letter b, van dit artikel is de coöperatie of vereniging op coöperatieve grondslag gelijkgesteld met een vennootschap. Blijkens de aanhef van artikel 4.5a van de Wet IB gelden deze gelijkstellingen voor de toepassing van dit hoofdstuk (hoofdstuk 4; heffingsgrondslag bij aanmerkelijk belang) en de daarop rustende bepalingen.

Voorts is niet in geschil dat eiser door de gelijkstellingsbepalingen van artikel 4.5a van de Wet IB een aanmerkelijk belang (in de coöperatie) heeft als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet IB.

Ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel d, van de Wet juncto artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: UBLB) wordt als dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene die arbeid verricht ten behoeve van een vennootschap waarin hij een aanmerkelijk belang heeft in de zin van de Wet IB.

Artikel 12a van de Wet bepaalt vervolgens dat – voor zover relevant – ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij een aanmerkelijk belang heeft, in de zin van de Wet IB, het in een kalenderjaar genoten loon ten minste wordt gesteld op € 38.118 (voor het jaar 2002).

Niet in geschil is dat eiser arbeid verricht ten behoeve van de coöperatie. Nu in voornoemde bepalingen wordt verwezen naar de begripsbepalingen van aanmerkelijk belang in de zin van de Wet IB, dient de arbeidsverhouding van eiser met de coöperatie te worden aangemerkt als een dienstbetrekking. Anders dan eiser kennelijk meent, is naar het oordeel van de rechtbank hiervoor niet relevant dat eiser arbeid verricht als bestuurder van de coöperatie en niet als eigenaar. Dit zal immers ook vaak het geval zijn bij directeur grootaandeelhouders in een besloten vennootschap.

De rechtbank merkt daarnaast op dat ook uit de parlementaire geschiedenis volgt dat de wetgever heeft beoogd leden van coöperaties onder de werking van artikel 12a van de Wet te brengen (Memorie van Toelichting bij Wet Ondernemerspakket 2001, Kamerstukken 1999/2000, nr. 27209).

Het vorenstaande leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat verweerder terecht artikel 12a van de Wet tot uitgangspunt heeft genomen bij het vaststellen van de hoogte van het in aanmerking te nemen loon uit dienstbetrekking bij de navorderingsaanslagen IB/PVV en premie WAZ. Nu in beroep geen gronden zijn aangevoerd tegen de hoogte van het in aanmerking genomen loon gaat de rechtbank uit van de juistheid van dit loon en zijn de navorderingsaanslagen derhalve terecht en tot de juiste hoogte opgelegd.

Strijd met diverse bepalingen

Het beroep van eiser dat artikel 12a van de Wet in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 43 van het EG-verdrag faalt reeds, omdat in onderhavige situatie geen sprake is van een grensoverschrijdende situatie. In dat geval komt toetsing aan het gemeenschapsrecht niet aan de orde.

Eisers stelling dat de gebruikelijk-loonregeling strijdig is met hetgeen is bepaald in artikel 2:26 dan wel artikel 2:53 van het Burgerlijk Wetboek en in artikel 11 van het EVRM kan evenmin slagen. Naar het oordeel van de rechtbank trekt eiser uit de toepassing van artikel 12a van de Wet de onjuiste gevolgtrekking dat de coöperatie verplicht is aan hem een loon uit te betalen. In onderhavig geval wordt immers slechts voor de belastingheffing uitgegaan van een (fictief) gebruikelijk loon, zonder enige verplichting tot betaling daarvan. Van enige inbreuk op het verenigingsrecht dan wel de vrijheid van vergadering en vereniging is de rechtbank niet gebleken.

Ook overigens ziet de rechtbank, gelet op al hetgeen eiser naar voren heeft gebracht, geen strijd met de door eiser genoemde bepalingen.

Tenslotte wijst de rechtbank erop dat het de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij staat om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid, respectievelijk de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen, zodat de grieven ook op deze punten niet slagen.

Gelijkheidsbeginsel

Eiser beroept zich er nog op dat er rechtsongelijkheid bestaat tussen eigenaren van een eenmanszaak, vennootschap onder firma, dan wel directeur-grootaandeelhouders van besloten vennootschappen ten opzichte van de leden van een coöperatie. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat eiser zich beroept op strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake reeds omdat er geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen.

Voor zover eiser bedoelt dat er sprake is van een ongelijke behandeling van ongelijke gevallen, overweegt de rechtbank als volgt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 21 oktober 1992 (nr. 28 548, BNB 1993/29) geoordeeld dat discriminatie op grond dat ongelijke gevallen ongelijk worden behandeld zich slechts voordoet bij een overduidelijke onevenredigheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser - met inachtneming van de verschillende rechtsvormen die elk onder een ander heffingsregime vallen - onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat hiervan sprake zou zijn. Dit betekent dat eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 augustus 2007 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. I. Linssen, voorzitter, en mrs. V.M. van Daalen-Mannaerts en M.J.R. Kuyt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Gudden, griffier.

De voorzitter,

De griffier is verhinderd deze uitspraken mede te ondertekenen.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.