Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB6252

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-10-2007
Datum publicatie
24-10-2007
Zaaknummer
05/900256-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De 23-jarige man, die op 23 mei 2006 in Arnhem-Zuid een 19-jarige vrouw heeft vastgebonden, overgoten met spiritus en in brand heeft gestoken, waardoor de vrouw is overleden, is wegens moord door de rechtbank Arnhem veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/900256-06

Data zitting : 9 oktober 2006, 3 januari 2007, 14 maart 2007, 9 mei 2007, 18 juli 2007

15 augustus 2007 en 10 oktober 2007

Datum uitspraak : 24 oktober 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

adres : zonder vaste woon- of verblijfplaats te Nederland.

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Arnhem", in het Huis van Bewaring "Arnhem Noord / De Berg" te Arnhem

Raadsman : mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 mei 2006 te Arnhem en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren

genomen besluit, [slachtoffer] hebben/heeft vastgebonden (aan een bed) en/of

brandbare (vloei-)stof (spiritus) over [slachtoffer] hebben/heeft

gegoten/gesprenkeld en/of (vervolgens) [slachtoffer] in brand hebben/heeft

gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 23 mei 2006 te Arnhem en/of (elders) in Nederland tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of

verdachtes mededader(s) opzettelijk [slachtoffer] hebben/heeft vastgebonden

(aan een bed) en/of brandbare (vloei-)stof (spiritus) over [slachtoffer]

hebben/heeft gegoten/gesprenkeld en/of (vervolgens) [slachtoffer] in brand

hebben/heeft gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is

overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal van een of meer goederen (-onder meer-

een portemonnaie, een bankpasje ten name van [slachtoffer], een sleutelbos

met AH-bonuskaart, een kappersschaar, een Mp3-speler, oorbellen en/of een fles

drank), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 23 mei 2006 te Arnhem en/of (elders) in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of

verdachtes mededader(s) opzettelijk [slachtoffer] hebben/heeft vastgebonden

(aan een bed) en/of brandbare (vloei-)stof (spiritus) over [slachtoffer]

hebben/heeft gegoten/gesprenkeld en/of (vervolgens) [slachtoffer] in brand

hebben/heeft gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

2.

hij, op een of meerdere tijdstippen, in of omstreeks de periode van 23 tot en

met 24 mei 2006 te Nijmegen, Arnhem en/of (elders) in Nederland tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een geldautomaat aan het Keizer

Karelplein te Nijmegen en/of een geldautomaat op Kronenburg te Arnhem) heeft

weggenomen een of meer geldbedragen (te weten, een geldbedrag van 40 euro

en/of een geldbedrag van 550 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s)

(telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas (op naam van

[slachtoffer]) met bijbehorende pincode;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 10 oktober 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem.

Als benadeelde partijen hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

• [benadeelde partij]

• [benadeelde partij2]

De officier van justitie heeft primair geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde geëist dat de rechtbank de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege van verdachte zal gelasten.

Subsidiair heeft de officier van justitie geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot het totale gevorderde bedrag van € 708,86 wordt toegewezen en heeft gevorderd dat er een schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft voorts gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij2] niet tot de kring van nabestaanden behoort en de aard van de gevorderde schade niet onder de regeling zoals in de wet bedoeld valt. De officier van justitie verzoekt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 1 primair het volgende.

De vaststaande feiten.

Op 23 mei 2006 omstreeks 11.02 uur arriveren verbalisanten bij de woning aan het [adres] te Arnhem, nadat om 10.51 uur die ochtend een melding binnengekomen was van de buurvrouw die gegil had gehoord van een meisje in de woning naast haar. Daarbij heeft de buurvrouw verklaard dat het meisje schreeuwde: maak mij niet dood . De verbalisanten konden de voordeur van de woning aan het [adres] opentrappen. De deur gaf meteen mee en sprong open. In de woning werd, naar later bleek, [slachtoffer] aangetroffen. Zij had verbrandingen over haar hele lichaam. Haar enkels waren door een elektriciteitssnoer, met daaraan een tondeuse, vastgebonden . Op 23 mei 2006 om 11.35 uur is [slachtoffer] overleden aan de gevolgen van rookschade na inademing, verbranding en hitte-inwerking .

In de woning heeft een onvolledige verbranding plaats gehad en de brand is ontstaan aan het hoofdeinde van het tweepersoonsbed in de slaapkamer en/of vlak naast het bed op de grond voor het slaapkamerraam . De brand is niet ontstaan door een technische oorzaak . Op de vloer van de slaapkamer zijn sporen aangetroffen die duiden op het sprenkelen of gieten met een brandversnellende vloeistof . Op de restanten van de verbrande kleding rondom het onderlichaam van [slachtoffer] werd de geur van brandspiritus geroken . Van de kleding op het onderlichaam zijn brandmonsters genomen .

Bij het onderzoek van deze monsters zijn aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van brandspiritus .

De brand moet zijn ontstaan vlak voor, tijdens, dan wel vlak na de periode van 10.53.54 uur tot 10.56.57 uur .

Er is geen sprake van braakschade die in verband kan worden gebracht met het gepleegde feit .

Verdachte was in de nacht van 22 op 23 mei 2006 in het bezit van een sleutel van de portiekhal van het flatgebouw waarin de woning van [slachtoffer] en haar vriend [betrokkene], tevens wonende aan het [adres] gelegen was. Deze sleutel had verdachte op 16 mei gestolen .

[betrokkene] heeft op 25 juli 2006 aangifte gedaan van goederen die ten tijde van de brand zijn weggenomen waaronder een zwart doosje met daarin een schaar van [slachtoffer], een MP4-speler en een laptop .

Na de aanhouding van verdachte op 28 juni 2006 werd onder hem een rugzak in beslag genomen met daarin onder meer een portemonnee. In de portemonnee werd een kluiskaartje aangetroffen met daarop de datum 23 mei 2006 te 18.11 uur en een Albert Heijn bonuskaart op naam van de ouders van [betrokkene] . Deze bonuskaart hadden [betrokkene] en [slachtoffer] gekregen van de moeder van [betrokkene] en was na de eerder genoemde door verdachte op 16 mei 2006 gepleegde diefstal nog in de woning aanwezig . In de betreffende kluis, behorend bij het nummer op het kluiskaartje, heeft een zwarte tas gestaan met twee handvatten welke verdachte volgens zijn zeggen daarin heeft geplaatst . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de tas in het kluisje heeft gezet. In de tas zaten, onder meer, de volgende goederen: 2 sleutelbossen, waarvan één van verdachte en één van [betrokkene] , kleding van verdachte , een gele en rode krulspeld, een schaar in een leren tasje, een mp-3 speler, een blikje Javaanse Jongens met inhoud van vloeitjes en plastic zakjes en een batterij .

Het doosje Javaanse jongens is van verdachte en dat heeft hij op 12 mei 2006 in de woning van [betrokkene] laten liggen .

De krulspelden in de tas zijn qua kleur, materiaal en vormgeving identiek aan de krulspelden die in de woning van [slachtoffer] in de slaapkamer zijn veiliggesteld . De schaar uit de tas is herkend door [betrokkene] als zijnde van [slachtoffer] . De MP3-speler komt qua merk, type en kleur overeen met de in de woning van [slachtoffer] en [betrokkene] aangetroffen verpakking van een MP3-speler .

De MP3-speler is van [betrokkene] en lag nog in de woning toen hij op 23 mei 2006 ’s ochtends vroeg zijn woning verliet . In de woning van [slachtoffer] en [betrokkene] is een verpakking van een soortgelijke batterij aangetroffen als de batterij uit de tas .

Verdachte was op 23 mei 2006 in de coffeeshop Happy Days te Arnhem in het bezit van een tas met spullen, waaronder een laptop, een kappersschaar in een doosje en een MP3-speler, afkomstig van [slachtoffer] en/of haar vriend [betrokkene], welke spullen die ochtend gestolen waren uit hun woning .

Verdachte heeft op 23 mei 2006 om 13.52 uur gepind met de bankpas van [slachtoffer] in Nijmegen welke bankpas na de diefstal door verdachte op 16 mei 2006 nog in de woning van [slachtoffer] en [betrokkene] aanwezig was .

Op 22 mei 2006 heeft verdachte een fiets geleend, waarvan hij de fietssleutel op de avond van 24 mei 2006 aan iemand afgegeven heeft .

De reistijd per fiets tussen de plaats van het delict en de coffeeshop bedraagt 11 á 12 minuten .

Verdachte heeft op 27 oktober 2006 tussen 11.45 uur en 12.30 uur op de luchtplaats (van het politiebureau te Arnhem) gezegd tegen de politie-informant A-1677: De politie denkt dat de brand in de woonkamer is begonnen. Dat is niet waar. Het is begonnen in de slaapkamer, waar het meisje vastgebonden lag. De politie denkt ook dat het benzine is geweest, maar het was spiritus dat in het blauwe flesje zat.

Op grond van het bevel Opnemen Vertrouwelijke Communicatie werd vertrouwelijke communicatie vastgelegd op CD-rom.

Tijdstip 20 november 2006.

Bij navraag bij P.I. De Berg bleek dat op de bezoekerslijst voor [verdachte] van maandag 20 november 2006 als bezoekster stond genoteerd [getuige2].

15.45 uur zomertijd:

O (= verdachte): Kijk in het onderzoek hadden ze mij gevraagd naar een blauwe fles … weet je … ik weet wel wat het is … spiritus … maar ja … ik deed alsof ik het niet wist … weet je … ik weet het niet, want dat had ik nooit verklaard …

Op 5 juni 2006 meldde verdachte zich als getuige bij de politie. Hij las een tekst vanaf drie velletjes A4 voor en stelde deze ter beschikking.

De door verdachte ondertekende tekst bevat onder meer de volgende passage :

“… Ik ben meerdere malen bij [betrokkene] thuis geweest. Binnen bij hem toonde hij mij een knuppel van donker eikenhout het was een oude stoel of tafelpoot. [betrokkene] uitte mij het volgende. Deze is voor [naam] … Hij overhandigde mij de knuppel, waar ik ook om vroeg … En uitte hem het volgende. [betrokkene] dit is laf … laat ’t niet uit de hand lopen … En met die knuppel vraag je om de grootste problemen. Ik overhandigde hem de knuppel die hij teruglegde op z’n slaapkamer waar hij die vandaan had.”

Op foto 52 van de foto-bijlage 04 behorende bij het onderzoek van de Technische Recherche is te zien dat op een stoel, bovenop een stapel kleding, een bruine tafelpoot ligt.

[betrokkene] verklaarde daarover dat hij de tafelpoot herkende en dat hij 100% zeker wist dat deze tafelpoot niet in zijn woning had gelegen.

[betrokkene] verklaarde tevens: Ik heb hem ([verdachte]) nooit een tafelpoot in handen gegeven. Ik heb hem wel een tafelpoot laten zien, dat was op die dinsdag 16 mei op het Gelderseplein. Hij heeft die tafelpoot niet vast gehad, dat weet ik zeker. Dat was de tafelpoot die door de politie toen in beslag is genomen.

Op 30 november 2006 werd door een PIW-er gezien dat verdachte tijdens het uitdelen van het eten een brief overhandigde aan een medegedetineerde. De PIW-er trof daarna de brief aan in de cel van die medegedetineerde. De brief, geadresseerd aan M.M. [naam] – het adres is dat van de moeder van het slachtoffer – is inbeslaggenomen.

Getuige [getuige1] verklaarde dat een jongen, die hij op een getoonde foto herkent als [verdachte], aan hem had gevraagd een brief voor hem buiten de gevangenis op de post te doen. Een bewaker had de brief uit zijn cel gehaald. Toen [verdachte] hoorde dat de brief weg was, zei hij: Oh shit, dat meen je niet. Ach nee toch, laat dat niet waar zijn, laat dat niet waar zijn.

Verweren en de verwerping daarvan:

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat verdachte op of voor 10.45 uur op 23 mei 2006 met de tassen in Happy Days moet zijn gesignaleerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende. [getuige2] heeft bij de politie verklaard dat hij nadat hij zich op 23 mei 2006 ’s ochtends tussen 11.00 en 12.00 uur ziek had gemeld op zijn werk te Huissen, naar de coffeeshop Happy Days is gereden waar hij verdachte trof en dat verdachte twee zwarte tassen bij zich droeg[getuige3] was daar ook . De adjunct-directeur van het bedrijf, waar [getuige2] gewerkt heeft, verklaart dat [getuige2] op 23 mei 2006 gewerkt heeft van 08.30 uur tot 10.30 uur . De ploegbaas van het bedrijf waar [getuige2] werkte heeft verklaard dat het tijdstip van 10.30 uur niet exact was, dat de vertrektijd van [getuige2] hooguit 10 á 15 minuten eerder kon zijn, maar zeker niet later dan 10.30 uur .

De gemiddelde reistijd vanaf het bedrijf van [getuige2] naar de coffeeshop Happy Days bedraagt per auto ongeveer 15 minuten .

Bij de rechter-commissaris plaatst [getuige2] zijn aankomsttijd rond een uur of 11, 12 of 10. Hij weet niet meer precies de volgorde, of [verdachte] of hijzelf als eerste kwam[getuige2] heeft op 12 oktober 2006 tegenover de politie verklaard dat hij op 23 mei 2006 rond 10.20 uur in de coffeeshop Happy Days aankwam. Ongeveer een half uur later kwam [getuige2] aan en ongeveer 10 á 15 minuten later nam hij verdachte met de tassen waar in de coffeeshop.

De verklaring di[getuige2] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd over het tijdstip waarop [getuige2] en verdachte op 23 mei 2006 in Happy Days aanwezig waren acht de rechtbank minder betrouwbaar dan zijn verklaringen afgelegd op 4 en 12 oktober 2006, nu hij deze verklaring op 30 mei 2007, derhalve een jaar na de ontmoeting in Happy Days, heeft afgelegd en de door [getuige2] genoemde tijdstippen niet zijn gerelateerd aan verifieerbare feiten en/of omstandigheden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank vast dat verdachte niet al op of voor 10.45 uur in Happy Days aanwezig was en dat de mogelijkheid, dat verdachte spullen van [slachtoffer] / [betrokkene] in zijn bezit had, die vóór de brand zijn weggenomen, onwaarschijnlijk is.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij in de nacht van 22 op 23 mei 2006 bij [[getuige4] in Arnhem heeft geslapen. Hij was daar alleen met [getuige4]. In die nacht heeft hij [getuige4] gevraagd naar [betrokkene] toe te gaan en hem bij zijn positieven te brengen. Verdachte heeft hiertoe de sleutels van de woning van [betrokkene] aan [getuige4] gegeven, alsmede het adres van [betrokkene], een bivakmuts, handschoenen, geld en een pistool zodat [getuige4] zichzelf als dat nodig was kon verdedigen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 23 mei 2006 tussen 09.00 uur en 10.00 uur de woning van [getuige4] heeft verlaten en naar de coffeeshop Happy Days is gegaan. Voor de coffeeshop heeft hij, op een tijdstip ruim voor de brand, de tassen met spullen van [getuige4] gekregen. Hierin zat ook de pinpas van [slachtoffer] met daarop een briefje met de pincode.

De rechtbank acht bovengenoemde verklaring van verdachte volstrekt ongeloofwaardig en overweegt hiertoe het volgende.

Verdachte heeft veel wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

Op 5 juni 2006 heeft verdachte als getuige verklaard dat hij op 22 mei 2006 met de laatste trein naar Nijmegen was gereisd en daar bij ene [naam] de nacht had doorgebracht.

Daarna heeft hij in zijn 1e verhoor als verdachte bij de politie verklaard dat hij op 23 mei 2006 vroeg in de ochtend naar Nijmegen is gegaan, daar voor 10.00 uur is aangekomen en pas ’s avonds terug is gekomen in Arnhem. In zijn 4e verhoor verklaart hij dat hij de ochtend van 23 mei 2006 naar de coffeeshop Happy Days in Arnhem is gegaan, daar [getuige2] heeft ontmoet en samen met [getuige2] per auto naar Nijmegen is gereden alwaar zij voor 10.00 uur aan kwamen. Dat deze verklaring uiterst onbetrouwbaar is blijkt uit de hierboven genoemde verklaring van de adjunct-directeur en ploegbaas van het bedrijf van [getuige2], alsook uit de hierboven genoemde verklaringen van [getuige2] e[getuige3]. In zijn 6e verhoor heeft verdachte verklaard dat hij de pas en pincode van [slachtoffer] had gekregen van ene [getuige5], een Joegoslaaf. Ook verklaart verdachte dat hij verder niets van deze [getuige5] heeft gekregen. In zijn 15e verhoor verklaart verdachte dat hij de pas van [getuige4] heeft gekregen en dat [getuige5] dezelfde is als [getuige4], terwijl hij in zijn 6e verhoor een omschrijving van het signalement van [getuige5] heeft gegeven die in ruime mate afwijkt van het signalement van [getuige4].

Bij de politie heeft verdachte verklaard in Nijmegen de tassen van [getuige4] gekregen te hebben alsook de pinpas. [getuige4] ontkent dit. Naar aanleiding van onderzoek naar de printgegevens van de mobiele telefoon van [getuige4] is gebleken dat zijn telefoon op 23 mei 2006 niet geregistreerd werd in Nijmegen en directe omgeving.

In zijn 17e verhoor ontkent verdachte de tassen met spullen aanwezig te hebben gehad in Happy Days op 23 mei 2006; hij zou de tas in Nijmegen van [getuige4] hebben gekregen.

Ter terechtzitting heeft verdachte, zoals hiervoor op bladzijde 8 weergegeven, wederom zijn verklaring gewijzigd. [naam] heeft echter verklaard dat verdachte nooit bij hem is blijven slapen.

[naam] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat verdachte ’s nachts niet bij hem en [getuige4] in de woning van [getuige4] is geweest.

Op 26 en 27 oktober 2006 heeft een politie-informant, op grond van artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering, contacten gehad met verdachte op de luchtplaats van het politiebureau te Arnhem . De informant heeft verklaard dat verdachte hem bij één van deze contacten gezegd heeft dat de politie denkt dat de brand in de woonkamer is begonnen, dat dit niet waar was en dat het begonnen was in de slaapkamer waar het meisje vastgebonden lag. Tevens heeft verdachte de informant gezegd dat de politie ook denkt dat het benzine is geweest, maar dat het spiritus was dat in het blauwe flesje zat . De informant heeft zijn verklaring bij de rechter-commissaris bevestigd.

Deze informatie over de plek van de brand en over de spiritus betreft naar het oordeel van de rechtbank daderinformatie die ten tijde van het afleggen van deze verklaringen nog niet in het dossier of anderszins aan verdachte bekend was gemaakt.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de informatie over de plek waar de brand begonnen is en over spiritus van [getuige6] heeft gehoord op 23 mei 2006 en dat [getuige6] hem toen had verteld dat [getuige6] de dader was van de moord op [slachtoffer]. [getuige6] en verdachte spraken af [getuige4] te benadelen. Verdachte heeft verklaard dat hij dit nooit eerder heeft verklaard omdat hij [getuige6] de hand boven het hoofd wilde houden, wat ook de reden is geweest voor zijn wisselende en, naar eigen zeggen, op leugens gebaseerde verklaringen afgelegd tegenover de politie.

De rechtbank acht deze verklaring van verdachte ongeloofwaardig nu verdachte hier pas ter terechtzitting voor het eerst over verklaart, hij zijn verklaring niet met feiten nader heeft onderbouwd en zijn verklaring voorts geen ondersteuning vindt in andere verklaringen of feiten of omstandigheden, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat er wel onderzoek heeft plaatsgevonden naar een mogelijke betrokkenheid van [getuige6] bij de brand en dat dit onderzoek geen concrete aanwijzingen heeft opgeleverd van enige betrokkenheid van [getuige6] bij de brand.

De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de kans bestaat dat tijdens een verhoor van verdachte door de politie waarvan de opnames zijn mislukt, door de politie de spiritus en de plaats van de brand is genoemd.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Uit een aanvullend proces-verbaal van 5 oktober 2007 blijkt dat bij het 18e verhoor van verdachte op 2 augustus 2006 de opnamen zijn mislukt. Dit verhoor vond plaats in het politiebureau te Arnhem.

Verdachte heeft tegenover de politie in zijn verhoor op 13 december 2006 verklaard dat hij de betreffende informatie gehoord heeft van de politie tijdens een verhoor op het politiebureau in Ede.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman.

Ten aanzien van de inzet van de politie-informant heeft de raadsman de volgende verweren gevoerd.

Het subsidiariteitsbeginsel is geschonden hetgeen zal moeten leiden tot bewijsuitsluiting, nu in het proces-verbaal voorafgaand aan het bevel tot inzetten van de informant wordt vermeld dat het wenselijk is dat artikel 126j Wetboek van Strafvordering wordt toegepast en deze wenselijkheid onvoldoende is om het verband van subsidiariteit aanwezig te achten tussen middel en feit.

De verklaring van [verdachte] tegenover de informant is in strijd met artikel 29, eerste lid Wetboek van Strafvordering en artikel 6, eerste lid EVRM verkregen nu verdachte zijn uitlatingen tegenover de informant heeft gedaan op de luchtplaats van het politiebureau tijdens korte onderbrekingen van intensieve verhoren door de politie en de gesprekken met de informant niet zijn opgenomen. Ook gelet hierop moet de verklaring van de informant uitgesloten worden van het bewijs, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Toepassing van artikel 126j Wetboek van Strafvordering komt eerst in aanmerking als de bijzondere ernst van het misdrijf dit rechtvaardigt (proportionaliteit) en andere wijzen van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden zijn (subsidiariteit).

Ten aanzien van het subsidiariteitvereiste geldt dat in casu voor het moment van inzetten van de politie-informant langdurig en zeer uitgebreid onderzoek heeft plaatsgevonden. Er is uitgebreid technisch en tactisch onderzoek verricht, er zijn veel getuigen gehoord en ook verdachte is vele malen verhoord, terwijl dat onderzoek onvoldoende duidelijke informatie opleverde omtrent de precieze toedracht rond de dood van het slachtoffer en verdachtes aandeel daarin.

Derhalve oordeelt de rechtbank dat in casu aan het subsidiairiteitsvereiste is voldaan.

De beantwoording van de vraag of de informatie die verdachte aan de informant heeft gegeven in strijd met zijn verklaringsvrijheid, weergegeven in artikel 29, eerste lid Wetboek van Strafvordering en artikel 6, eerste lid EVRM, is verkregen, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval waarbij onder meer betekenis toekomt aan de proceshouding die de verdachte met betrekking tot het strafbare feit waarvan hij wordt verdacht heeft ingenomen, aan hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt, heeft afgespeeld, aan de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (arrest HR 9-3-2004, LJN AN9195).

De rechtbank overweegt ten aanzien van de genoemde punten het volgende.

Verdachte heeft gedurende het onderzoek vele wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Uit het onderzoek dat heeft plaatsgevonden voor de inzet van de informant was reeds gebleken dat verdachte in het bezit was van de sleutel van de centrale toegangsdeur van het flatgebouw waarin de woning van het slachtoffer gelegen was en dat hij, kort na de periode waarin de brand is ontstaan, in het bezit was van goederen afkomstig van [slachtoffer] en [betrokkene] die de ochtend van 23 mei 2006 uit hun woning waren gestolen.

Op de dagen van de inzet van de politie-informant op 26 en 27 oktober 2006 is verdachte verhoord door de politie. Op 26 oktober 2006 heeft de politie hem verhoord vanaf 10.31 uur. Dit verhoor is onderbroken gedurende de periode van 11.23 uur tot 13.32 uur en gedurende de periode van 15.57 uur tot 17.04 uur. Op 26 oktober heeft verdachte twee gesprekken gehad met de informant en wel in de periode van 11.45 uur tot 13.30 uur en van 16.15 uur tot 16.35 uur.

Op 27 oktober 2006 is verdachte verhoord vanaf 13.03 uur waarna vanaf 14.38 uur tot 16.10 uur een onderbreking plaatsvond. Dit verhoor is om 17.18 uur beëindigd.

Op 27 oktober 2006 heeft verdachte drie gesprekken gehad met de informant en wel in de periode van 07.15 uur tot 09.15 uur, van 11.45 uur tot 12.30 uur en van 17.25 uur tot 17.45 uur.

Uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal over de inzet van de informant en de daarna volgende processen-verbaal opgemaakt door de begeleider van de informant blijkt dat de informant na ieder gesprek met verdachte zijn bevindingen weergaf aan zijn begeleider die daarvan een proces-verbaal opmaakte. De stelling van de raadsman dat de gesprekken met de informant opgenomen hadden dienen te worden, vindt geen steun in het recht. Dat bewust met een vooropgezet doel is afgezien van het opnemen van de gesprekken is niet aannemelijk gemaakt of geworden.

De informant en zijn begeleider zijn beiden door de rechter-commissaris gehoord, in aanwezigheid van de raadsman van verdachte.

Uit de genoemde verslaglegging en uit de verhoren bij de rechter-commissaris is de rechtbank het volgende gebleken.

Het was de verdachte die het initiatief nam tot de gesprekken en hij heeft heel vrijelijk en uit eigen beweging verklaard over de brand, over de plek waar de brand begonnen was en over de spiritus.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en niettegenstaande de omstandigheid dat verdachte de gesprekken met de informant gevoerd heeft voor, tijdens en na verhoren door de politie zoals hiervoor weergegeven, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte feitelijk in een zodanige situatie is gebracht dat een verklaring van hem werd verkregen die in strijd met zijn verklaringsvrijheid is afgelegd.

De rechtbank acht de betreffende verklaringen derhalve rechtmatig verkregen en verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dienaangaande.

Voorts heeft de raadsman het verweer gevoerd dat de verklaring van de informant niet bij kan dragen aan het bewijs gelet op de onbetrouwbaarheid daarvan. Hiertoe heeft hij betoogd dat de informant, als Belg, de Nederlandse taal anders beheerst dan een Noord-Nederlander en dat de informant niet zonder meer mag vertrouwen op zijn geheugen.

De rechtbank overweegt dat zij de verklaring van de informant wel betrouwbaar acht en overweegt hiertoe het volgende.

Uit de zich in het dossier bevindende processen-verbaal over de inzet van de informant, uit de verslaglegging van zijn gesprekken met de verdachte alsook uit de verklaringen die de informant en zijn begeleider tegenover de rechter-commissaris hebben afgelegd leidt de rechtbank het volgende af.

Met de informant is gesproken over de Nederlandse wet- en regelgeving. Hierbij werd specifiek aandacht geschonken aan de terughoudendheid die hij diende te betrachten en het laten van het initiatief aan de verdachte zodra over het strafbare feit zou worden gesproken. De informant sprak de Nederlandse taal goed. Zoals hiervoor is overwogen is de informant meteen na elke inzet door zijn begeleider gehoord waarna zijn verklaring vastgelegd werd door zijn begeleider in de in het dossier opgenomen processen-verbaal. Verdachte nam het initiatief tot de gesprekken en heeft uit eigen beweging verklaard over de beginplek van de brand en over de spiritus. De informant is er in getraind de feitelijkheden te onthouden en niet de school van het dochtertje bijvoorbeeld. Als de informant een woord niet begreep vroeg hij verdachte daarnaar.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank geen enkele reden te twijfelen aan de verklaringen van de informant zoals opgenomen in de processen-verbaal van zijn begeleider.

De rechtbank bezigt de verklaring van de informant waarin verdachte spreekt over het beginpunt van de brand en de spiritus dan ook tot het bewijs van het tenlastegelegde .

De raadsman heeft nog aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte tegenover zijn halfzus ([naam]), het resultaat van het opnemen van vertrouwelijke communicatie, niet als bewijs mogen worden gebruikt, omdat de halfzus verschoningsgerechtigde is.

Dit standpunt wordt verworpen, alleen al omdat bij het direct afluisteren niet van belang is of er sprake is van een familierelatie.

Conclusie:

Verdachte beschikt over specifieke daderinformatie over de plek waar de brand begonnen is en over het gebruik van spiritus daarbij. De verklaring die verdachte hiervoor heeft gegeven acht de rechtbank ongeloofwaardig.

Verdachte was op 23 mei 2006 kort na de brand in de coffeeshop Happy Days in het bezit van spullen van [slachtoffer] en [naam] die diezelfde ochtend gestolen waren uit de woning van [slachtoffer] en [naam]. De verklaring die verdachte hiervoor gegeven heeft, acht de rechtbank eveneens ongeloofwaardig.

Met betrekking tot de tafelpoot gaat de rechtbank er vanuit dat verdachte zich met zijn getuigenverklaring op 5 juni 2007 heeft willen indekken voor het geval DNA-sporen op de tafelpoot zouden worden aangetroffen. Aangezien [naam] verklaart dat de tafelpoot niet in de slaapkamer heeft gelegen, en de tafelpoot er na de brand wel is aangetroffen, beschikt verdachte daarmee over daderinformatie.

Aan het oordeel dat de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig zijn draagt ook bij de ontkenning door verdachte van de in het Huis van Bewaring aangetroffen brief, die kennelijk bestemd was voor de moeder van [slachtoffer]. Gezien de verklaringen van de PIW-er en de getuige [getuige1] is deze ontkenning door verdachte volstrekt leugenachtig.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het zich steeds verder verstrikken in wisselende verklaringen met betrekking tot het bezit van de spullen en de pincode van [slachtoffer], naar het oordeel van de rechtbank, een duidelijke bijdrage levert aan de overtuiging dat verdachte de ware toedracht omtrent de dood van [slachtoffer] en omtrent de diefstal van de spullen heeft willen verhullen.

In combinatie met de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen leiden ook de wisselende, tegenstrijdige en daardoor ongeloofwaardige verklaringen van verdachte tot het overtuigend bewijs dat verdachte op 23 mei 2006 [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en spullen uit haar woning heeft gestolen.

Gelet op de op [slachtoffer] aangetroffen sporen (spiritus, strak vastgebonden elektriciteitsnoer om haar enkels) is er sprake van voorbedachte raad, aangezien de handelingen van verdachte hem voldoende tijd moeten hebben geboden om te kunnen overdenken waar hij mee bezig was.

Ten aanzien van feit 2:

De bewezenverklaring van dit feit is gebaseerd op de navolgende wettige bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en bij de politie ,

- de door getuige L.G.M. [naam] afgelegde verklaring ,

- het proces-verbaal videoprints ABN AMRO bank en

- het proces-verbaal rekeningoverzicht ABN AMRO bank .

De rechtbank acht bewezen dat:

1.

hij op 23 mei 2006 te Arnhem, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, [slachtoffer] heeft vastgebonden en brandbare (vloei-)stof (spiritus) over [slachtoffer] heeft

gegoten/gesprenkeld en (vervolgens) [slachtoffer] in brand heeft gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden;

2.

hij, op tijdstippen, in de periode van 23 tot en met 24 mei 2006 te Nijmegen en Arnhem (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een geldautomaat aan het Keizer Karelplein te Nijmegen en een geldautomaat op Kronenburg te Arnhem) heeft

weggenomen een geldbedrag van 40 euro en een geldbedrag van 550 euro), toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte (telkens) het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas (op naam van [slachtoffer]) met bijbehorende pincode.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Moord

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 20 september 2007;

• een briefrapport van de FPD te Arnhem, gedateerd 3 juli 2006, betreffende verdachte,

• een voorlichtingsrapport van De Grift, gedateerd 18 augustus 2006, betreffende verdachte en

• een Pro Justitia rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, door dr. J.B. Seinen, psycholoog, en dr. J. Loerakker, psychiater, gedateerd 5 april 2007, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer], een jonge vrouw van 19 jaar, op gruwelijke wijze om het leven gebracht.

Verdachte heeft [slachtoffer] vastgebonden aan haar enkels, heeft haar overgoten met spiritus en haar daarna, terwijl zij nog in leven was, in brand gestoken.

De pijn en de angst die [slachtoffer] gevoeld moet hebben en waardoor verdachte zich niet heeft laten weerhouden, is niet in woorden uit te drukken.

Aan de nabestaanden van [slachtoffer] is onherstelbaar, ondraaglijk en levenslang leed toegebracht.

Tevens heeft verdachte op dezelfde dag dat hij [slachtoffer] ombracht, en een dag daarna, geld gestolen door met haar pas te pinnen.

Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt voorts dat verdachte reeds eerder ter zake van geweldsmisdrijven en vermogensdelicten is veroordeeld.

De rechtbank houdt rekening met hetgeen door dr. J.B. Seinen, psycholoog en dr. J. Loerakker, psychiater in hun rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

‘Er kan geen uitspraak gedaan worden over een eventueel verband tussen betrokkenes narcistische pathologie en het tenlastegelegde. Onduidelijk is eveneens of er sprake is van een verband tussen het tenlastegelegde en betrokkenes antisociale en psychopatische pathologie (…) Tenslotte bestaat er ook geen zicht op het feit of betrokkenes cannabismisbruik enige rol van forensische betekenis heeft gespeeld bij het tot stand komen van het tenlastegelegde, indien bewezen. Gelet op het bovenstaande kunnen wij geen uitspraak doen over een mogelijk verband tussen betrokkenes pathologie enerzijds en het tenlastegelegde – indien bewezen – anderzijds en kan geen advies worden gegeven over een behandeling of begeleiding in een strafrechtelijk kader’.

Ter terechtzitting heeft dr. J.B. Seinen, gehoord als deskundige, bovenstaande rapportage onderschreven.

De rechtbank neemt bovenstaande conclusies over.

De officier van justitie heeft primair naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ook de

maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gevorderd.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen, gelet op bovenstaande rapportage welke J.B. Seinen ter terechtzitting heeft onderschreven, of het door verdachte begane feit in enigerlei mate

onder invloed heeft gestaan van zijn stoornis, kan zij, gelet op de eisen die artikel 37b juncto

artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van de bedoelde maatregel, de

door de officier van justitie gevorderde maatregel niet opleggen. Dat sprake is van een bijzonder

ernstig feit doet hier niet aan af.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Het ontnemen van iemands leven behoort tot de zwaarste misdrijven, die in de samenleving vanouds met de zwaarste straffen worden bestraft.

De rechtbank heeft gelet op andere veroordelingen voor moord.

De rechtbank heeft verdachte beschouwd als volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf in deze zaak zwaar laten meewegen op welke afschuwelijke wijze verdachte zijn daad heeft verricht: het slachtoffer vastbinden, overgieten met spiritus, aansteken, en dat terwijl zij dit naar kan worden aangenomen bewust meemaakte. Haar verschrikkelijke lijden heeft verdachte niet van zijn gruweldaad weerhouden.

Tevens houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met het feit, dat verdachte geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn daad en niet zichtbaar of voelbaar blijk heeft gegeven van compassie met het slachtoffer en haar nabestaanden.

6a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde partij] en [benadeelde partij2] hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering, strekkende tot vergoeding van geleden schade.

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 708,86.

De vordering als zodanig is niet betwist door de verdediging en komt de rechtbank gegrond voor. De rechtbank zal de vordering dan ook, mede gelet op het bepaalde in artikel 51a lid 2 Wetboek van Strafvordering, in haar geheel toewijzen.

De rechtbank zal hierbij de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f van het Wetboek van Strafrecht toepassen en dus verdachte de verplichting opleggen het bedrag, gelijk aan het door de rechtbank toe te wijzen schadebedrag, aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partij.

De rechtbank zal de benadeelde partij [benadeelde partij2] niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering omdat de door hem geleden schade niet rechtstreeks is toegebracht door het jegens verdachte bewezenverklaarde feit en hij zich evenmin conform het bepaalde in artikel 51a lid 2 Wetboek van Strafvordering kan voegen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 57, 289, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder

punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij].

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe.

- Veroordeelt de veroordeelde tegen kwijting aan [benadeelde partij], wonende te [adres], te betalen € 708,86 (zegge zevenhonderdenacht euro en zesentachtig eurocent).

- Veroordeelt de veroordeelde tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vooralsnog begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Maatregel van schadevergoeding ad € 708,86, subsidiair 14 dagen hechtenis.

- Legt op aan veroordeelde de verplichting aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], wonende te [adres], te betalen € 708,86, (zegge zevenhonderdenacht euro en zesentachtig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

- Bepaalt dat voldoening aan de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij2], wonende te [adres].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. E.G. Smedema, rechter als voorzitter,

mr. G. Perrick, rechter,

mr. J.B.J. Driessen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2007.

De griffier is buiten staat dit vonnis

mede te ondertekenen.