Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB6163

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-09-2007
Datum publicatie
22-10-2007
Zaaknummer
06/3736
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2008:BD6080, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering handhavend optreden tegen gebruik in strijd met bestemming “Plantaardig praktijkonderzoek”. Zijn activiteiten aan deze bestemming gelieerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/3736

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

Stichting Het Lijndensche Fonds voor Kerk en Zending, eiseres,

gevestigd te Hemmen, vertegenwoordigd door mr. E.H.M. Harbers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe, verweerder,

alsmede

de stichting "Stichting DLO" en de Universiteit van Wageningen, beiden te Wageningen (hierna: DLO en de Universiteit), partijen ex artikel 8:26 van de Awb,

te Wageningen, vertegenwoordigd door mr. F.W. van Dijk.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit I van verweerder van 31 mei 2006 inzake het uitblijven van een besluit.

Besluit II van verweerder van 31 mei 2006 inzake het verzoek om handhavend op te treden.

2. Procesverloop

Bij brief van 14 september 2005, verzonden op 19 september 2005, heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat het besluit op het verzoek van 30 augustus 2005 om handhavend op te treden wordt aangehouden tot tien weken na de datum waarop de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) uitspraak zal hebben gedaan in de voorlopige voorzieningenprocedure inzake de goedkeuring van het bestemmingsplan “Proefstation Fruit- en Boomteelt 1999-2003”.

Bij besluit van 13 december 2005 heeft verweerder geweigerd om handhavend op te treden.

Bij de in rubriek 1 aangeduide besluiten (besluit I inzake het uitblijven van een besluit en besluit II inzake het verzoek om handhavend op te treden) heeft verweerder de ingediende bezwaren ongegrond verklaard en de eerder genoemde besluiten gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Bij schrijven van 20 september 2006 hebben DLO en de Universiteit zich gesteld als partijen in het geding.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 13 maart 2007. Namens eiseres is aldaar verschenen [X], bijgestaan door mr. E.H.M. Harbers, advocaat te Arnhem. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door D. van Halle. De partijen ex artikel 8:26 van de Awb zijn vertegenwoordigd door [Y], bijgestaan door mr. P.H.N. van Spanje, advocaat te Wageningen.

Bij beslissing van 28 maart 2007 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68 van de Awb het onderzoek heropend, omdat ter zitting is gebleken dat het bedrijf “Fruitconsult” als belanghebbende ten onrechte niet in de gelegenheid was gesteld om als partij aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 28 maart 2007 heeft de rechtbank Fruitconsult alsnog in de gelegenheid gesteld om als partij in de zin van artikel 8:26 van de Awb aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 16 maart (de rechtbank leest: april) 2007 heeft Fruitconsult de rechtbank medegedeeld dat zij geen behoefte heeft een nadere schriftelijke reactie te geven. Zij heeft toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.

De overige betrokken partijen hebben eveneens toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen.

De rechtbank heeft op 9 mei 2007 het onderzoek gesloten.

3. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep tegen besluit I

Bij brief van 30 augustus 2005, door verweerder ontvangen op 31 augustus 2005, is namens eiseres verzocht om handhavend op te treden.

Bij brief van 14 september 2005 heeft verweerder meegedeeld, dat op het verzoek zal worden beslist binnen 10 weken na de datum waarop de voorzitter van de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de aldaar bedoelde procedure.

De rechtbank is van oordeel dat het bezwaar van 31 oktober 2005 dient te worden aangemerkt als een bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om handhavend op te treden van 30 augustus 2005.

Aangezien verweerder op 13 december 2005 een beslissing heeft genomen op het verzoek van 30 augustus 2005 is de vraag aan de orde of eiseres nog belang heeft bij beoordeling van het beroep tegen besluit I. De rechtbank is van oordeel dat er nog procesbelang bestaat omdat het verzoek van eiseres tot vergoeding van de kosten van bezwaar bij besluit I is afgewezen en eiseres in beroep heeft gesteld dat zulks ten onrechte is geschied.

De rechtbank is van oordeel dat de brief van verweerder van 14 september 2005 niet voldoet aan de vereisten van artikel 4:14, derde lid, van de Awb, omdat de termijn waarbinnen op het verzoek van 30 augustus 2005 zal worden beslist in die brief afhankelijk is gesteld van een andere, onzekere gebeurtenis. Derhalve is in de brief van 14 september 2005 geen redelijke, concrete termijn genoemd waarbinnen op het verzoek zal worden beslist.

Het voorgaande betekent dat verweerder binnen de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb genoemde termijn van 8 weken op het verzoek om handhaving had moeten beslissen. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift van 31 oktober 2005 was deze termijn verstreken. Eiseres heeft terecht bezwaar tegen het niet tijdig beslissen ingediend, zodat verweerder de in bezwaar gemaakte proceskosten met toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, aan haar had moeten vergoeden. Het beroep tegen besluit I is gegrond en dit besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien. Nu reeds op het verzoek om handhaving is beslist heeft eiseres geen belang meer bij beoordeling van het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank zal het bezwaar van 31 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal tevens bepalen dat de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase moeten worden vergoed

(1 punt x € 322,- x factor 0,25).

Ten aanzien van het beroep tegen besluit II

Ingevolge artikel 125 Gemeentewet in samenhang met de artikelen 5:21 en 5:32 van de Awb is verweerder bevoegd om in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift handhavend op te treden door het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van een last onder dwangsom.

Eiseres heeft verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik door het bedrijf Fruitconsult van bedrijfsgebouwen op het perceel Lingewal 1a te Randwijk, omdat het gebruik van de bedrijfsgebouwen door Fruitconsult in strijd is met het bestemmingsplan. Volgens eiseres houdt de dienstverlening door Fruitconsult geen verband met ter plaatse verricht praktijkonderzoek voor fruitteelt doch is er sprake van een zelfstandige commerciële kantoorfunctie.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er geen aanleiding is om handhavend op te treden, nu volgens hem geen sprake is van een gebruik in strijd met het bestemmingsplan “Buitengebied Proefstation Fruit- en Boomteelt 1999-2003” (verder: het nieuwe bestemmingsplan), omdat het gebruik gelieerd is aan de activiteiten van het proefstation.

De rechtbank is, in tegenstelling tot verweerder, van oordeel dat ten tijde van het bestreden besluit diende te worden getoetst aan het bestemmingsplan “Buitengebied Praktijkonderzoek Fruit- en Boomteelt 1999” (verder: het oude bestemmingsplan). Weliswaar was ten tijde van het bestreden besluit het nieuwe bestemmingsplan reeds in werking getreden, doch de Afdeling heeft bij uitspraak van 3 mei 2006 (200506411/1) het goedkeuringsbesluit van gedeputeerde staten van Gelderland vernietigd - onder meer - voor zover het het plandeel met de bestemming “Proefstation” en de aanduiding “bestemmingsvlak I” betreft. Dit betekent dat ten tijde van het bestreden besluit ter plaatse van de gronden binnen bestemmingsvlak I het oude bestemmingsplan gold. Het bedrijf Fruitconsult is gevestigd in een pand dat ligt binnen bestemmingsvlak I.

Ingevolge artikel 5, aanhef en eerste lid, sub a, onderdeel 1, van de voorschriften van het oude bestemmingsplan is de op de kaart voor "Plantaardig praktijkonderzoek", bestemmingsvlak I, aangewezen grond bestemd voor: kantoren, laboratoria, ontvangstruimten, (bedrijfs)gebouwen, een warmtekrachtcentrale, opslagruimten, kassen, tunnels en teeltkappen ten dienste van praktijkonderzoek voor fruit- en boomteelt.

Aan de zinsnede "kantoren, laboratoria" is goedkeuring onthouden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de voorschriften van dit plan is het verboden opstallen -of delen daarvan- en gronden te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemming.

Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2006 (200507906/1) volgt dat onder het oude bestemmingsplan het gebruik van bedrijfsgebouwen voor kantoor- en onderzoeksfuncties niet is uitgesloten, en voorts dat onderzoek dat betrekking heeft op gewassen die niet ter plekke zijn gekweekt, mits gelieerd aan het praktijkonderzoek dat op het proefstation wordt verricht, in de planvoorschriften niet is uitgesloten.

In de uitspraak van 3 mei 2006 (200506411/1) heeft de Afdeling ten aanzien van het nieuwe bestemmingsplan overwogen dat, voor zover appellante vreest dat de begripsbepaling voor de bestemming “Proefstation” met zich brengt dat activiteiten zijn toegestaan die niet thuishoren in het landelijk gebied en niet zijn gelieerd aan het proefstation, uit artikel 1, onder p, van de planvoorschriften volgt dat onder het begrip proefstation slechts de in dit artikelonderdeel aangegeven activiteiten vallen. Met het nieuwe artikel 10, eerste lid is vastgelegd dat deze activiteiten onlosmakelijk dienen samen te hangen met het proefstation als zodanig. Zelfstandige bedrijfsactiviteiten die geen hoofdzakelijk agrarisch karakter hebben en niet op enige wijze gelieerd zijn aan het vermelde praktijkonderzoek en derhalve geen binding hebben met het landelijk gebied zijn niet toegestaan.

De rechtbank overweegt het volgende.

Aangezien verweerder het verzoek om handhaving ten onrechte heeft getoetst aan het nieuwe bestemmingsplan, is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in beginsel voor vernietiging in aanmerking. Omdat het zowel bij de toetsing van de activiteiten van Fruitconsult aan het oude bestemmingsplan als bij de toetsing van die activiteiten aan het nieuwe bestemmingsplan, gaat om de vraag in hoeverre de activiteiten van Fruitconsult verband houden met het praktijkonderzoek in het proefstation, en die vraag in bezwaar en in beroep ook aan de orde is geweest, ziet de rechtbank aanleiding om, alvorens tot vernietiging te besluiten, te onderzoeken of de activiteiten van Fruitconsult in overeenstemming zijn met het oude bestemmingsplan.

Tijdens de door de bezwaarcommissie op 9 maart 2006 gehouden hoorzitting en tijdens de zitting van de rechtbank van 13 maart 2007 is aan de orde geweest welke activiteiten Fruitconsult verricht en of deze activiteiten gelieerd zijn aan het praktijkonderzoek op het proefstation. Tijdens de hoorzitting heeft [Y] medegedeeld dat Fruitconsult praktijkonderzoek verricht dat direct is gelieerd aan de fruitteeltsector, en dat in dat onderzoek fruittelers en voorlichters samenwerken en er een voortdurende wisselwerking tussen voorlichting en onderzoek is. Ter zitting van de rechtbank heeft verweerder nog toegevoegd dat Fruitconsult adviezen geeft op basis van onderzoeken die in het proefstation worden verricht.

De rechtbank is van oordeel dat door verweerder, en door DLO en de universiteit, weliswaar herhaaldelijk is gesteld dat de activiteiten van Fruitconsult gelieerd zijn aan het praktijkonderzoek op het proefstation, maar dat zulks onvoldoende is onderbouwd. Niet is duidelijk geworden welke concrete verbanden er bestaan tussen de activiteiten van Fruitconsult en het praktijkonderzoek op het proefstation, en ook niet dat die banden zodanig zijn dat geoordeeld moet worden dat de activiteiten van Fruitconsult “ten dienste” staan, als bedoeld in artikel 5 van de voorschriften, van dat onderzoek.

De rechtbank heeft kennis genomen van de website van Fruitconsult. Hieruit blijkt onder meer dat Fruitconsult adviezen verstrekt aan fruittelers, een webwinkel exploiteert en een registratieprogramma voor registratie van gewasbescherming en bemesting verkoopt. Uit de vermelding en beschrijving van deze activiteiten kan niet worden afgeleid dat deze ten dienste staan van het praktijkonderzoek voor fruit- en boomteelt.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de activiteiten van Fruitconsult in overeenstemming zijn met het oude bestemmingsplan.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt omdat verweerder het handhavingsverzoek ten onrechte niet aan het oude bestemmingsplan heeft getoetst, en omdat, indien wel aan dat bestemmingsplan wordt getoetst, onvoldoende is gemotiveerd dat de activiteiten van Fruitconsult in overeenstemming met dat bestemmingsplan zijn. Verweerder zal, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt besluit I;

- verklaart het bezwaar van 31 oktober 2005 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat verweerder voor de kosten in die bezwaarfase € 80,50 dient te vergoeden;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit I;

- vernietigt besluit II.

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 13 december 2005 met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,- en wijst de gemeente Overbetuwe aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;

- bepaalt dat de gemeente Overbetuwe het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,- aan haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.Th.H. Zimmerman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.G.J. Litjens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2007.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: 13 september 2007