Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5967

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-10-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
144750
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt in de kern genomen dat gedaagden misbruik van haar overspannenheid en van haar afhankelijkheid hebben gemaakt en haar geld afhandig hebben gemaakt onder voorwendsel van overeenkomsten die slechts op papier maar niet in werkelijkheid (hebben) bestaan. Er is geen partnership geweest ten aanzien van de stoeterij. Omdat de verbintenissen te onbepaald zijn, zijn deze overeenkomsten niet tot stand gekomen. Zij vordert haar geld als onverschuldigd betaald terug.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 144750 / HA ZA 06-1514

Vonnis van 10 oktober 2007

in de zaak van

[eiseres ],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. H. van Ravenhorst,

advocaat mr. S.A. Wensing te Roden,

tegen

1. [gedaagde 1],

mede handelende onder de naam Stoeterij “[handelsnaam]”

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. J.B.A. Jansen te Apeldoorn,

2. [gedaagde 2],

mede handelende onder de naam [handelsnaam]

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J. Kalisvaart,

advocaat mr. A. Ben Daoued te Zwolle,

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 november 2006

- het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2007

- de conclusie van repliek in conventie, tevens akte houdende wijziging van eis

- de conclusie van dupliek in conventie van [gedaagde 1]

- de conclusie van dupliek in conventie van [gedaagde 2].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 17 augustus 2005 heeft [eiseres] haar woning aan de [adres] verkocht voor € 210.000. Deze woning was niet bezwaard met een recht van hypotheek.

2.2. Bij de stukken bevindt zich een factuur van [handelsnaam] (de naam waaronder [gedaagde 2] handelt) aan [eiseres] van 28 augustus 2005, waarin is vermeld:

“Aan u geleverd 4 painthorses en een quarter,

Door u bekeken, gekeurd en goed bevonden”,

voor € 35.000 inclusief BTW,

“Te betalen via notaris [naam notaris] na passeren van uw woonhuis

Te [adres]. Uiterlijke datum passering 31 oktober 2005.”

De factuur is voorzien van een goedschrift en handtekening van [eiseres].

2.3. Bij de stukken bevindt zich ook een factuur van Stoeterij “[handelsnaam]” (de naam waaronder [gedaagde 1] handelt) van 12 oktober 2005, waarin is vermeld

“Volgens overeenkomst tussen mevrouw [eiseres] en [gedaagde 1]

Zal er een betaling geschieden van 94.500 Euro voor een partnership.

Te betalen via notaris [naam notaris] na passeren van uw woonhuis

Te [adres]. Uiterlijke datum passering 31 oktober 2005.

Voor akkoord met deze betaling J.C. [eiseres].”

De factuur is voorzien van een goedschrift en handtekening van [eiseres].

2.4. [eiseres] heeft aan notariskantoor [naam notaris] te Amstelveen, die zorg zou dragen voor de levering van de woning aan de [adres], bij brief van 17 oktober 2005 onder meer het volgende geschreven:

“Tevens geef ik u opdracht tot een betaling aan Stoeterij [handelsnaam] van een bedrag van 94.500 euro (…) (bijgevoegd een overeenkomst).

Ook wilde ik U vragen de betaling van [handelsnaam] te veranderen.

Met geen 35.000 euro zijn, maar 25.000.”

2.5. [naam notaris] heeft op 28 oktober 2005 een afrekening van de levering van de woning aan de [adres] aan [eiseres] gestuurd. Daaruit volgt dat € 25.000 zou worden overgemaakt naar [handelsnaam] en € 94.500 naar Stoeterij “[handelsnaam]”. Het saldo van € 85.402,32 zou worden overgemaakt naar [eiseres].

2.6. De woning is op 31 oktober 2005 aan de koper geleverd. [naam notaris] heeft op 1 november 2005 een bedrag van € 85.378,32 overgeboekt op de rekening van [eiseres]. Op 2 november 2005 is van deze rekening € 52.000 aan [gedaagde 1] betaald en € 28.000 aan [XXX] te [plaats].

2.7. In die tijd hadden [eiseres] en [gedaagde 1] een affectieve relatie. Kort na betaling van de bedragen is een einde gekomen aan de affectieve relatie.

2.8. [naam deurwaarder] van [deurwaarderskantoor], gerechtsdeurwaarders, te Winterswijk heeft op 27 maart 2007 het volgende geschreven aan de advocaat van [eiseres]:

“Aan het adres van [gedaagde 1] heb ik niemand aangetroffen. Zowel de (half-afgebouwde) stal als de bestaande schuren/stallen heb ik aan de binnenzijde (vrijwel) volledig kunnen zien. Hierin bevonden zich geen paarden (of andere dieren). Ook in de weide, grenzend aan de woning en stallen bevonden zich geen paarden. Daarnaast was er een loop(molen), waar zich evenmin paarden bevonden, en die er zodanig uitzag dat het leek alsof deze al geruime tijd niet meer gebruikt was.

Bij het wegrijden werd ik aangesproken door een (over)buurman van betrokkene. Hij vertelde mij dat er aan het adres al geruime tijd geen activiteiten meer waren. ‘De zoon woont er met zijn vrouw/vriendin en een kind, en ik zie ze overdag af en toe. Paarden heb ik er al heel lang niet meer gezien. volgens mij is hij drukker met z’n coffeeshop en weed-handel dan met paardenhandel. Aan de nieuwbouw is ook al een tijd niet meer gewerkt.’”

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van EUR 199.500 en van [gedaagde 2] van EUR 25.000, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [eiseres] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij in financiële nood verkeerde en de opbrengst van de woning veilig wilde stellen voor haar crediteuren en daarom wilde “parkeren” bij onder meer [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. [gedaagde 1] zou om een en ander uit te voeren valse facturen hebben opgemaakt. Toen [eiseres] vroeg om terugbetaling van de bedragen, stelden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het volgens haar onjuiste standpunt dat aan de betaling werkelijke overeenkomsten ten grondslag lagen. Volgens haar is nooit uitvoering aan de overeenkomsten gegeven, noch aan de overeenkomst van partnership noch aan de koopovereenkomst van de paarden. Zij vordert in deze procedure de betaalde bedragen als onverschuldigd betaald retour, althans ten titel van schadevergoeding wegens door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gepleegde onrechtmatige daden.

3.3. Bij conclusies van antwoord in reconventie en van repliek in conventie heeft [eiseres] de grondslag van haar eis ingrijpend gewijzigd. Zij stelt zich niet langer op het standpunt dat zij de opbrengst van de woning buiten bereik van haar schuldeisers wilde houden. Zij stelt dat zij overspannen was en niet in staat was haar wil te bepalen, althans dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] misbruik van haar overspannenheid hebben gemaakt door onder een valse voorstelling van zaken haar haar geld aan hen te laten betalen. [gedaagde 1] heeft de verkoop van de woning op zich genomen en het beheer over de financiën van [eiseres] gevoerd. Hij liet haar diverse documenten ondertekenen, die zij niet begreep. Het bedrag dat Op 2 november 2005 aan [XXX] is betaald is ook ten goede gekomen aan [gedaagde 1], omdat hij met dat geld een boot gekocht heeft. Volgens [eiseres] zijn de overeenkomsten in werkelijkheid niet gesloten, althans zijn zij te onbepaald, althans is er sprake van een geestelijke stoornis of van misbruik van omstandigheden.

3.4. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] stelt dat het door [eiseres] ter beschikking gestelde geld is geïnvesteerd in zijn Stoeterij “[handelsnaam]” en dat [eiseres] niet leed aan een geestelijke stoornis, althans dat dit voor hem niet kenbaar was. [gedaagde 2] stelt dat [eiseres] en [gedaagde 1] tezamen bij het bedrijf van haar en haar partner en gevolmachtigde [naam gevolmachtigde] zijn geweest om de paarden te kopen, dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van [eiseres] is opgetreden, dat deze paarden aanvankelijk constituto possessorio zijn geleverd en nadien zijn afgeleverd door onder meer [naam gevolmachtigde] op het bedrijf van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] betwist verder dat [eiseres] onder invloed van een geestelijke stoornis of een wilsgebrek heeft gehandeld, althans dat dit voor haar kenbaar was.

in reconventie

3.5. [gedaagde 2] vordert samengevat - veroordeling van [eiseres] tot betaling van EUR 10.000, vermeerderd met rente en kosten. Zij stelt dat de koopprijs van de vijf aan [eiseres] geleverde paarden EUR 35.000 was en dat [eiseres] maar EUR 25.000 heeft betaald. Het verschil vordert zij in reconventie.

3.6. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eiseres] heeft naast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook [XXX] te [woonplaats] en [XXX] te [plaats], vennoten van [XXX] vof, gedagvaard tegen 13 september 2006. Ter rolle van 13 september 2006 heeft [eiseres] bij akte de vordering tegen [XXX] ingetrokken. [XXX] zijn niet verschenen. Onder deze omstandigheden beschouwt de rechtbank de procedure, voor zover gevoerd tussen [eiseres] enerzijds en [XXX] anderzijds, als doorgehaald.

4.2. [eiseres] stelt in de kern genomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] misbruik van haar overspannenheid en van haar afhankelijkheid van [gedaagde 1] hebben gemaakt en haar geld afhandig hebben gemaakt onder voorwendsel van overeenkomsten die slechts op papier maar niet in werkelijkheid (hebben) bestaan. Er is geen partnership geweest ten aanzien van Stoeterij “[handelsnaam]” en [gedaagde 2] heeft haar geen paarden geleverd. Omdat de verbintenissen die [gedaagde 1], resp. [gedaagde 2] te onbepaald zijn, zijn deze overeenkomsten niet tot stand gekomen. Zij vordert haar geld als onverschuldigd betaald terug.

4.3. De ingrijpende wijziging van de grondslag van de eis wekt verwondering. [eiseres] heeft geen medische gegevens overgelegd, waaruit haar overspannenheid zou blijken. Zij heeft de naar haar stelling valse documenten ondertekend en voorzien van een goedschrift. Niettemin moet zelfs in het licht van deze omstandigheden worden gezegd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] deze primaire stelling van [eiseres] onvoldoende hebben betwist.

4.4. Het had op de weg van [gedaagde 1] gelegen in het licht van de ontkenning van enige vorm van partnership tussen hem en [eiseres] en het relaas van deurwaarder [naam deurwaarder] dat de Stoeterij er verlaten bij lag om nadere gegevens te verstrekken over de partnership en de reden waarom [eiseres] daarin € 94.500 + € 52.000 + € 28.000 = € 174.500 zou investeren. In de conclusies van antwoord en dupliek is [gedaagde 1] daarover bepaald vaag gebleven. [gedaagde 1] heeft alleen maar gesteld dat het geld is gebruikt voor de exploitatie van de stoeterij. Waaraan blijft onduidelijk, welke verplichtingen [gedaagde 1] op zich nam, hoe de samenwerking concreet vorm kreeg en of en zo ja hoeveel rendement [eiseres] uit de onderneming zou ontvangen, wordt niet vermeld. Tijdens de comparitie van partijen heeft [gedaagde 1] bovendien een ander standpunt ingenomen, namelijk dat [eiseres] hem het geld zou hebben geschonken.

4.5. Deze enerzijds vage en anderzijds inconsistente stellingname van [gedaagde 1] brengt mee dat de overeenkomst van partnership wegens onvoldoende bepaalbaarheid van in ieder geval de door [gedaagde 1] op zich genomen verbintenissen op grond van art. 6:227 BW niet tot stand is gekomen. Dit betekent dat [eiseres] € 174.500 onverschuldigd aan [gedaagde 1] heeft betaald. Daaruit volgt weer dat de vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] tot een beloop van € 174.500 zal worden toegewezen.

4.6. [gedaagde 2] heeft gesteld dat [gedaagde 1] als gevolmachtigde van [eiseres] van [naam gevolmachtigde] als gevolmachtigde van haar vier painthorses en een quarter heeft gekocht en dat deze paarden door onder meer [naam gevolmachtigde] zijn afgeleverd aan [gedaagde 1]. [eiseres] heeft dit een en ander betwist en heeft bij repliek gevraagd om de paardenpaspoorten van de vijf paarden, die niet in haar bezit zijn. Zij heeft zich beroepen op de Verordening Identificatie en Registratie van Paardachtigen (PVV) 2004 van het Productschap voor Vee, Vlees en Eieren van 22 oktober 2003, waarin in art. 4 de verplichting voor de eigenaar van een paard is verankerd een paardenpaspoort te bezitten. In dit paspoort is het unieke levensnummer van het paard vermeld. Deze verplichting geldt ook voor in andere lidstaten gehouden paarden die naar Nederland worden vervoerd en op grond van art. 20 ook voor van buiten de Europese Unie geïmporteerde paarden. Bij dupliek heeft [gedaagde 2] alleen maar aangegeven dat de paarden vanuit de Verenigde Staten zijn geïmporteerd, maar geen concrete gegevens verstrekt over de vijf paarden en geen paardenpaspoorten overgelegd of daarover anderszins informatie verschaft, bijv door vermelding van de unieke levensnummers van de verkochte paarden. Dat had wel op haar weg gelegen, gezien het feit dat ook uit haar stellingen volgt dat de paarden niet aan [eiseres] zijn afgeleverd, maar aan [gedaagde 1] en gezien haar verklaring tijdens de comparitie dat zij niet weet of [eiseres] de paarden heeft gezien. Nu staat bijvoorbeeld niet eens vast of [gedaagde 2] zich had verbonden om vijf door [eiseres] uitgezochte paarden te leveren (species-zaken) of dat zij vijf paarden van de desbetreffende soort mocht leveren (genus-zaken). Daarmee is de verbintenis die [gedaagde 2] op zich genomen heeft onvoldoende bepaalbaar in de zin van art. 6:227 BW en is er tussen [eiseres] en [gedaagde 2] geen overeenkomst tot stand gekomen. Dit betekent dat [eiseres] € 25.000 onverschuldigd aan [gedaagde 2] heeft betaald en dat de vordering van € 25.000 tegen [gedaagde 2] zal worden toegewezen.

4.7. Er komt nog het volgende bij. De facturen van [handelsnaam] en Stoeterij “[handelsnaam]” vertonen zoveel gelijkenis dat ervan uitgegaan wordt dat zij op dezelfde computer zijn opgesteld. De tekst

“Te betalen via notaris [naam notaris] na passeren van uw woonhuis

Te [adres]. Uiterlijke datum passering 31 oktober 2005.”

is in beide facturen identiek, waarbij de identieke spelfouten in de naam van het notariskantoor [naam notaris] opvallen, de hoofdletter op de nieuwe regel en het gebruik van het woord “passering”. Het valt niet te verklaren waarom twee aparte ondernemingen, de een in de gemeente Wierden, de ander in de gemeenten [XXX], dezelfde tekst met fouten zouden gebruiken voor hun facturen. Ook dat vormt een aanwijzing dat de overeenkomsten niet werkelijk zijn gesloten, althans niet werkelijk tot stand zijn gekomen wegens onbepaalbaarheid van de verbintenissen en dat de facturen zijn gebruikt om te maskeren dat [eiseres] € 174.500, resp. € 25.000 afhandig is gemaakt.

4.8. De overige stellingen van [eiseres] behoeven geen bespreking.

4.9. [eiseres] heeft bij dagvaarding buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Deze post is door [gedaagde 2] betwist. [eiseres] is daarop bij repliek niet teruggekomen, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat zij dit onderdeel van de vordering niet handhaaft.

4.10. Er bestaat geen aanleiding om in afwijking van de normale gang van zaken de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het daarop ziende verweer van [gedaagde 1] wordt verworpen.

4.11. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 142,64

- overige explootkosten 1.201,71

- vast recht 4.570,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 4.263,00 (3,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 10.177,35

in reconventie

4.12. Uit het in 4.6 en 4.7 overwogene volgt dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen.

4.13. [gedaagde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris procureur 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 174.500,00 (éénhonderdvierenzeventig duizendvijfhonderd euro),

5.2. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [gedaagde 2] te betalen een bedrag van EUR 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro),

5.3. veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 10.177,35,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. wijst de vorderingen af,

5.7. veroordeelt [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 452,00,

5.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2007.