Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5778

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
17-10-2007
Zaaknummer
308652 CV Expl. 03-4510
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dexia-zaak. Overeenkomst nietig wegens ontbreken vergunning ex art. 9 WCK-oud. Verdelingsmaatstaf restschuld en betaalde rente o.g.v. art. 6:2 lid 2 BW: ieder 50%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 563
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 308652 \ CV EXPL 03-4510 \ 199/jt

uitspraak van 5 oktober 2007

Vonnis

in de zaak van

de naamloze vennootschap Dexia Bank Nederland N.V.

gevestigd te Amsterdam

eisende partij in conventie

verwerende partij in reconventie

gemachtigde [naam gemachtigde]

tegen

[partij B]

wonende te Nijmegen

gedaagde partij in conventie

eisende partij in reconventie

gemachtigde mr. I.M.H. Bloemen

toevoeging nr. [nummer]

Partijen worden hierna [Dexia ] en [partij B] genoemd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 april 2005

- de akte houdende uitlating van [partij B]

- de akte van schorsing van [Dexia ]

- de antwoordakte van [partij B]

- vier achtereenvolgende akten uitlaten schorsing van [Dexia ]

- de akte uitlating voortprocederen van [partij B] met producties.

De verdere beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

1. De rechtbank volhardt bij de inhoud van het tussenvonnis. De kantonrechter merkt daarbij op dat in het tussenvonnis van 21 januari 2005 abusievelijk de akte houdende aanvulling gronden/wijziging eis van [partij B] niet is opgenomen. De wijziging van eis komt erop neer dat in reconventie primair een verklaring voor recht dat de overeenkomst nietig of vernietigd is en terugbetaling van de inleg van € 4.072,32 worden gevorderd. [partij B] heeft bij zijn laatste akte de “’opt out’ mededeling Duisenberg regeling” d.d. 18 april 2007 met ontvangstbevestiging van de notaris d.d. 3 mei 2007 overgelegd.

2. Uit de akte na tussenvonnis van [Dexia ] is gebleken dat haar rechtsvoorganger ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK-oud beschikte. Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar is, aangezien art. 9 WCK-oud niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK-oud (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld: ”Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.” Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK-oud (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK-oud volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

3. Opgemerkt wordt verder nog dat geen aanleiding wordt gezien om te anticiperen op het per 1 januari 2007 in werking getreden art. 1:23 Wet op het financieel toezicht, dat luidt: “De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald.” Uit de parlementaire stukken blijkt dat deze bepaling is ingevoerd omdat in de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur geen eenduidigheid is over de vraag of de financiële toezichtswetgeving de strekking heeft om ermee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (kamerstukken II 2005-2006, 29 708, nr. 19, blz. 390-394).

4. Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, met terugwerkende kracht daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Die overeenkomst bestaat uit het door [Dexia ] ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan [partij B] en het door [Dexia ] verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van [partij B], waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van [partij B] komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich dat de aangekochte aandelen voor rekening van [Dexia ] blijven en dat [Dexia ] niets te vorderen heeft van [partij B], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient [Dexia ] de door [partij B] betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen.

In casu is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van [Dexia ] teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom. Gelet hierop, in het licht van art. 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van de restschuld

(€ 19.408,98 - € 16.779,27 = € 2.629,71 : 2 = € 1.314,86) verminderd met de helft van de door [partij B] betaalde rentetermijnen (€ 4.072,32 - 113,12 = 3.959,20 : 2 = € 1.979,60), dienen te dragen. De verbindendverklaring van de zogenaamde Duisenbergregeling door hof Amsterdam in zijn arrest van 25 januari 2007, LJN: AZ7033 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze regeling een ander doel en strekking heeft dan de toepassing van art. 6:2 lid 2 BW.

Dit betekent dat de in (voorwaardelijke) conventie gevorderde hoofdsom zal worden afgewezen en de in reconventie primair gevorderde verklaring voor recht en hoofdsom tot een bedrag van (€ 1.979,60 - € 1.314,86 =) € 664,74 zullen worden toegewezen.

5. De overig gevoerde verweren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst geen bespreking.

6. Nu beide partijen in conventie en reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter

in conventie

wijst de vordering af,

in reconventie

verklaart voor recht dat de overeenkomst nietig is,

veroordeelt [Dexia ] om aan [partij B] te betalen € 664,74,

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2007.