Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5472

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
151335
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft zowel vergoeding van immateriële schade gevorderd als vergoeding van materiële schade. Gedaagde heeft erkend dat hij schade zal moeten vergoeden, maar heeft de hoogte van de vordering betwist. Hij heeft gesteld dat de klachten grotendeels niet zijn geobjectiveerd. Hij heeft betwist dat eiseres als gevolg van de mishandeling studievertraging heeft opgelopen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 109
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151335 / HA ZA 07-140

Vonnis van 3 oktober 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur en advocaat mr. A.W.H.L.M. van Bon-Moors,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur en advocaat mr. J.B.M. Heerink.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 april 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 23 augustus 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 13 maart 2003 heeft [gedaagde] (destijds zeventien jaar oud) [eiseres] (destijds vijftien jaar oud) in winkelcentrum Dukenburg te Nijmegen driemaal met de vuist in het gezicht geslagen. Op 26 maart 2004 is [gedaagde] in verband hiermee voor poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht door de kinderrechter veroordeeld tot drie maanden jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en tot betaling aan [eiseres] van een voorschot op haar schade van € 500,-. [gedaagde] heeft dat bedrag aan [eiseres] betaald.

2.2. Op 24 maart 2003 heeft [naam kaakchirurg], kaakchirurg, de huisarts van [eiseres] onder meer als volgt bericht:

Conclusie: klinisch en röntgenologisch zijn er geen tekenen van gedisloceerde fracturen aan het aangezicht. Hier is er sprake van contusie na een slag op het aangezicht.

Beleid: expectatief, geen directe operatieve indicatie. Bij de volgende controles zijn er geen tekenen van fracturen.

2.3. Op 25 maart 2003 heeft drs. [naam oogarts], oogarts, aan de huisarts van [eiseres] bericht:

Diagnose: hyposfagma [bloeduitstorting onder het bindvlies van het oog of onder de huid van het ooglid, rechtbank] OD na contusio bulbi OD.

Therapie: geen, wij zullen patiente over 3 weken nog een keer controleren.

Wij willen erop attenderen dat er altijd nog kans bestaat op het ontstaan van cataract, glaucoom of netvliesloslating.

2.4. Op 9 mei 2003 heeft dr. [naam neuroloog], neuroloog, aan de huisarts van [eiseres] bericht:

Klinische waarschijnlijkheidsdiagnose(n): collaps eci mogelijk vasovagaal, hyperventilatiesyndroom of epileptisch

Aanvullend onderzoek: CT-scan; longfunctie-onderzoek; EEG

2.5. Op 4 juli 2003 heeft dr. [naam neuroloog] aan de huisarts van [eiseres] bericht:

Klinische waarschijnlijkheidsdiagnose: collaps e.c.i., mogelijk vasovagaal, hyperventilatiesyndroom of epileptisch.

Status praesens: de aanvallen blijven ongeveer een keer per dag optreden. Patiënte voelt ze meestal niet aankomen. Tijdens een aanval is geen contact met haar te krijgen. Zij is hier dan zichzelf wel bewust van. Tijdens een aanval valt zij niet en na de aanval is zij wat agressief, maar niet extra vermoeid. Daarnaast klaagt zij over sufheid over de hele dag heen. Het leren op school wordt door deze aanvallen ook moeilijker.

Aanvullend onderzoek: CT-cerebrum toonde geen afwijkingen. EEG dat werd gemaakt toonde in waak en doezel een symmetrisch normaal achtergrondpatroon voor de leeftijd en geen epileptiforme kenmerken. De symptomen die tijdens de hyperventilatie-provocatietest optraden werden deels herkend. Bij het verdere longfunctieonderzoek was er geen sprake van obstructie.

Conclusie: geen aanwijzingen voor epilepsie. Waarschijnlijk speelt hyperventilatie mee tijdens een aanval.

Beleid: patiënte werd terugverwezen naar u. Zij gaf aan reeds slachtofferhulp te hebben. Gaarne extra aandacht hiervoor of mogelijk inschakelen andere psychologische hulp.

2.6. Op 4 november 2003 heeft [naam psychologe], psychologe (werkzaam bij [naam instelling]), de huisarts van [eiseres] onder meer als volgt bericht:

Beloop van de klachten: Cliënte vertelt dat zij het idee heeft dat haar gezicht een wat andere vorm heeft. Zij zegt zich hierover grote zorgen te maken en zich niet meer dezelfde te voelen. Cliënte vertelt voorts dat haar leven sinds deze gebeurtenis drastische een andere wending heeft aangenomen en dat zij sindsdien een totaal ander leven heeft. Cliënte vertelt nergens meer alleen naar toe te mogen van haar ouders die bang zeggen te zijn dat haar weer iets overkomt. Cliënte zegt het gevoel te hebben momenteel in een gevangenis te leven. De vriendinnen zou cliënte grotendeels kwijt zijn en dat anderen uit de groep met wie zij altijd optrok nu bang zijn om met haar te worden gezien en ook door hem gepakt te worden. Cliënte vertelt zelf ook bang te zijn alleen op straat. Zij zegt vooral in angst te leven omdat de jongeman die haar heeft geslagen zou hebben gezegd, “ik maak je dood”. Cliënte vertelt dat deze woorden haar aldoor achtervolgen.

Cliënte vervolgt dat sinds de gebeurtenis ook thuis de situatie drastisch veranderd is. Cliënte vertelt dat zij bang is dat haar zusje hetzelfde overkomt, dat zij sindsdien vaak agressief en onredelijk is en zich daar erg schuldig over voelt. Zij zegt slecht in haar vel te zitten en zich geen raad te weten met zichzelf.

(...)

Testonderzoek: cliënte legt goed contact. Er is sprake van een helder bewustzijn, de aandacht is goed te richten. Oriëntatie in tijd, plaats en persoon zijn ongestoord. Er lijken geen geheugen- en concentratiestoornissen te zijn.

Op de SCL-90, een algemene klachtenlijst, scoort cliënte zeer hoog op angst, agorafobie, depressie, insufficiëntie, sensitiviteit, hostiliteit en slaapproblemen. Zij scoort hoog op somatisatie. De lijdensdruk is zeer hoog.

Medicatie: pijnstillers tegen hoofdpijn.

Conclusie: het betreft een 16 jarige thuiswonende vrouw die ruim een ½ jaar geleden een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt. Zij lijdt dagelijks aan post traumatische stress klachten die een chronische verloop hebben ontwikkeld. Tevens lijkt er een grote angst voor vervorming van haar gezicht, de manier waarop ze daarmee omgaat doet obsessief aan.

Classificatie DSM IV:

As I: 309.81 Posttraumatische stress-stoornis met chronisch verloop

As II: V71.09 geen diagnose op as II

As III: constante hoofdpijn

As IV: problemen op school en thuis

As V: GAF 50

Therapieplan: 30 gesprekken cognitieve therapie bij [naam instelling] teneinde de klachten als gevolg van de post traumatische stressstoornis te kunnen verwerken.

2.7. Op 17 september 2005 heeft drs. [naam psychotherapeut], psychotherapeut (werkzaam bij [naam instelling]), de advocate van [eiseres] onder meer als volgt bericht:

1. Mw. [eiseres] was bij mij in behandeling van 23-09-03 tot 28-06-04.

2. Haar hulpvraag betrof de verwerking van een Post Traumatische Stress Stoornis n.a.v. een brute mishandeling zonder uitlokking die cliënt overkwam op 13 maart 2003.

3. Diagnose was een Post Traumatische Stress Stoornis n.a.v. deze mishandeling.

4. Als behandeling werd het protocol post traumatische stress stoornis, rekening houdend met de leeftijd van cliënte ingesteld.

Beloop behandeling: Aanvankelijk reageerde cliënte met natuurlijke weerstand op de behandeling; bemoeilijkende maar ook logische factor in het verhaal was het feit dat ook het gezin van cliënte fors leed onder de gevolgen van het misdrijf dat hun dochter aangedaan was. Geleidelijk echter kreeg de behandeling positief effect en nam cliënte haar dagelijkse bezigheden deels weer op. Zij had nog geruime last van de gevolgen van de Post Traumatische Stress Stoornis, m.n. angst bij buitenshuis gaan, isolatie van vriendenclub, moeilijkheden met haar schoolwerk, en labiele stemming.

5. Tussen cliëntes klachten en de genoemde mishandeling bestond een eenduidig verband.

6/7. Aan het einde van de behandeling beschreef ik in een brief voor Schadefonds Geweldsmisdrijven de toestand van cliënte aan het eind van de behandeling en de restverschijnselen en de eventuele beperkingen die er nog waren als volgt: Cliënte heeft een deel van haar toekomstdromen op moeten geven: zij benoemt dat [zij] door de mishandeling het meedoen aan miss-verkiezingen op heeft moeten geven; de structuur van de huid van haar gezicht zou veranderd zijn. Het kost cliënte moeite hiermee om te gaan. Haar schoolwerk kost haar nog erg veel moeite, en voorts is haar sociale leven beduidend veranderd. Cliënte heeft op te jonge leeftijd een flink deel van haar argeloosheid op moeten geven.

2.8. Op 12 april 2007 heeft [naam mentor], de mentor van [eiseres] in het schooljaar 2002-2003, aan de advocaat van [eiseres] onder meer als volgt bericht:

Voor het delict was [eiseres] een leerling van onze VMBO-kader opleiding die met redelijk gemak de opleiding kon volgen. Haar ambitie vanaf het begin van de VMBO is geweest om uiteindelijk medisch specialist c.q. chirurg te worden. In haar beroepsopleiding hebben wij haar ambities in een realistischer daglicht geplaatst en zijn wij uitgekomen bij o.k. assistente. Wij hebben haar hierin gestimuleerd en bevestigd omdat zij, ons inziens, over de capaciteiten beschikte die nodig zijn om VP te doen met daarna de specialisatie o.k. assistente. (…)

Wij kunnen als docenten-team in ieder geval bevestigen dat [eiseres] voor het voorval een leerling was die zich voldoende kon concentreren en zich tot haar studie kon zetten.

2.9. Op 9 mei 2007 heeft prof. dr. [XXX] de advocate van [eiseres] onder meer als volgt bericht:

Als belangrijkste klacht geeft patiënte aan dat er nog een tintelend tot stekend c.q. brandend gevoel optreedt t.h.v. het rechter zygoma [jukbeen, rb], in het bijzonder bij temperatuurschommelingen. Voorts heeft patiënte nog steeds recidiverend hoofdpijnklachten, die nu reeds 4 jaar aanwezig zijn. Mevrouw [eiseres] is ongelukkig over de nog steeds blauwe verkleuring onder het rechter oog. Voorts heeft zij het gevoel dat de weke delen onder het rechter oog sterker projecteren als onder het linker oog. T.h.v. de rechter arcus zygomaticus voelt patiënte een knobbeltje.

Het extraorale onderzoek toont een klein litteken t.h.v. de lip links c.q.midden De neuspunt devieert discreet naar links. De anamnestische knobbel t.h.v. de arcus zygomaticvus rechts is niet te objectiveren. De blauwe verkleuring onder het oog is thans bij onderzoek ook niet aanwezig. Wel kan er een discrete verdikking t.h.v. de traanzak rechts worden vermoed.

Het intraorale onderzoek is onopvallend.

Gezien de discrete klachten en de moeilijke objectiveerbaarheid van de klachten, werd bij patiënte een 3D-analyse van het gelaat uitgevoerd. Hiervoor werd een stereofotogrammetrisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij werd de linker (gezonde) gezichtshelft van patiënte in de computer gespiegeld en geprojecteerd over de rechter gezichtshelft. Op deze manier is het mogelijk de verschillen tussen links en rechts ook nummerisch uit te drukken. Het grootste verschil dat we kunnen vinden tussen de linker en de rechter gelaatshelft bedraagt circa 1,4 mm. We bevinden ons dus in een grootte orde, die geen chirurgische verbeteringsmogelijkheden toelaat.

We hebben met patiënte besproken, dat de discrete weke delen zwelling onder het rechter oog zeer waarschijnlijk wordt veroorzaakt door een verminderde lymfedrainage. Dit is een probleem dat in een posttraumatische casus niet zelden wordt gezien. Patiënte kreeg dan ook aanwijzingen hoe ze dit zelf kan behandelen door regelmatige lymfdrainage.

De computerbevindingen werden met patiënte uitvoerig besproken. Patiënte kon zich akkoord verklaren met het verdere expectatieve beleid.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] heeft gevorderd dat de rechtbank [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan haar van € 15.000,- als vergoeding van immateriële schade en € 15.345,80 als vergoeding van materiële schade, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [eiseres] heeft het volgende aan deze vorderingen ten grondslag gelegd. [gedaagde] heeft door de mishandeling op 13 maart 2003 een onrechtmatige daad jegens [eiseres] gepleegd. Als gevolg daarvan heeft zij schade geleden. [gedaagde] is daarom gehouden die schade aan haar te vergoeden.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft erkend dat hij [eiseres] heeft geslagen. Daarmee heeft hij een onrechtmatige daad jegens haar gepleegd die hem valt toe te rekenen. Hij is daarom aansprakelijk voor de schade die [eiseres] als gevolg daarvan heeft geleden.

4.2. [eiseres] heeft zowel vergoeding van immateriële schade gevorderd als vergoeding van materiële schade. [gedaagde] heeft erkend dat hij schade zal moeten vergoeden, maar heeft de hoogte van de vordering betwist. Hij heeft gesteld dat de klachten van [eiseres] grotendeels niet zijn geobjectiveerd. Hij heeft betwist dat zij als gevolg van de mishandeling studievertraging heeft opgelopen. Hij heeft betoogd dat de vordering van [eiseres] (veel) te hoog is.

4.3. Over de immateriële schade wordt het volgende overwogen. Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, met name de aard van de aansprakelijkheid en de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde die voor [eiseres] het gevolg zijn van de mishandeling op 13 maart 2003.

4.4. Vast staat dat [gedaagde] [eiseres] in het gezicht heeft geslagen, waarvoor hij ook strafrechtelijk is veroordeeld. Er is derhalve sprake van opzettelijk toegebracht letsel. Als gevolg van de mishandeling heeft [eiseres] blauwe plekken en een zwelling in het gezicht gehad. Zij heeft het risico gelopen op netvliesloslating, cataract of glaucoom, maar die risico’s hebben zich niet verwezenlijkt. Zij is na de mishandeling door een kaakchirurg en oogarts onderzocht. Fracturen zijn niet gevonden en het beleid is expectatief geweest. Er is geen sprake geweest van operatieve ingrepen of ziekenhuisopnames. [eiseres] heeft na de mishandeling klachten geuit als hoofdpijn, concentratieproblemen, aanvallen. Daarnaar is neurologisch onderzoek gedaan, dat geen afwijkende uitslagen te zien gaf. [eiseres] is daarop naar een psycholoog verwezen die de diagnose posttraumatische stress stoornis (chronisch) heeft gesteld. [eiseres] is daarvoor van 23 september 2003 tot 28 juni 2004 behandeld. Verder heeft [eiseres] fysiotherapie gehad wegens nekklachten.

[eiseres] uit ook thans nog klachten, doch die zijn bij onderzoek door Prof. dr. [XXX], werkzaam bij het neurosensorisch cluster van het UMC Radboud te Nijmegen, niet geobjectiveerd. Wel heeft [XXX] geconcludeerd dat [eiseres] zeer waarschijnlijk lijdt aan een verminderde lymfedrainage, waarvoor hij haar oefeningen heeft gegeven.

4.5. Hoewel aan [gedaagde] kan worden toegegeven dat een deel van met name de lichamelijke klachen van [eiseres] door de medische onderzoeken niet worden geobjectiveerd, staat op grond van de in de vorige rechtsoverweging genoemde feiten voldoende vast dat de mishandeling voor haar grote gevolgen heeft gehad. Zij heeft negen maanden psychotherapie gehad, is onder behandeling geweest van een fysiotherapeut en heeft geleden aan algehele geestelijke ontreddering. Zij rapporteert nog steeds klachten. Dat de lichamelijke en psychische reactie van [eiseres] op de mishandeling – wellicht – relatief sterk zijn geweest, is een omstandigheid die voor risico van [gedaagde] komt. Bovendien heeft [eiseres] als gevolg van de mishandeling niet mee kunnen doen aan de miss-verkiezingen, waarvan zij al door de eerste ronde was gekomen.

Het voorgaande in aanmerking nemende, en acht slaande op de gebruikelijk in Nederland toegewezen bedragen, acht de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade van € 2.500,- billijk.

4.6. De vordering van [eiseres] tot vergoeding van materiële schade is opgebouwd uit vier posten, te weten therapiekosten, opleidingsvertraging, extra telefoon- en portokosten en buitengerechtelijke kosten.

4.7. De post ‘therapiekosten’ bevat drie afzonderlijke posten. De eerste daarvan, ‘eigen bijdrage voor de psychotherapie’ zijn weliswaar ‘p.m.’ opgenomen, maar zijn voorafgaand aan de comparitie door [eiseres] door middel van productie 6 gespecificeerd op een totaal van € 93,60 en ter zitting door [gedaagde] niet betwist. Zij zullen worden toegewezen. De tweede en de derde post, te weten ‘kosten voor verklaring huisarts’ van € 5,- en ‘kosten voor de verklaring van de psychologe’ van € 41,80 zijn erkend en zullen daarom worden toegewezen.

4.8. De post ‘opleidingsvertraging’ is opgebouwd uit bedragen van € 949,- aan extra lesgeld over het schooljaar 2005/2006 en € 14.150,- als vergoeding van verlies van arbeidsvermogen doordat [eiseres] als gevolg van de mishandeling een jaar vertraging in haar studie heeft opgelopen. In het als productie 3 bij dagvaarding overgelegde schaderapport, opgesteld door de advocaat van [eiseres], wordt gesteld (voor zover de rechtbank begrijpt) dat [eiseres] studievertraging heeft opgelopen doordat zij na de basisfase verzorging in het studiejaar 2003/2004 als gevolg van de PTSS niet naar niveau 4 (verpleging) door kon maar naar niveau 3 (verzorging) is gegaan, waardoor zij haar opleiding tot operatiekamerverpleegkundige niet reeds in 2011 maar pas in 2012 zal kunnen voltooien. [eiseres] heeft haar verlies van inkomen door studievertraging abstract begroot aan de hand van cijfers van het NRL op een bedrag van € 27.225 bruto, zijnde het gemiddelde startsalaris van een HBO’er bij de overheid.

4.9. Hierover wordt het volgende overwogen. Bij het begroten van een schade als deze moet rekening worden gehouden met een redelijke verwachting over toekomstige ontwikkelingen. De rechter dient bij die schadebegroting de goede en kwade kansen met betrekking tot de loopbaan van de benadeelde in te schatten (zie HR 14 november 2000, NJ 2000, 437). Daarbij mogen aan de benadeelde geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van (schade wegens het derven van) de arbeidsinkomsten die de benadeelde in de toekomst zou hebben genoten in de hypothetische situatie dat het ongeval niet zou hebben plaatsgehad: het is immers de aansprakelijke veroorzaker van het ongeval die aan de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen om zekerheid te verschaffen omtrent hetgeen in die hypothetische situatie zou zijn geschied (zie HR 15 mei 1998, NJ 1998, 624).

4.10. Bij de feiten valt op dat [eiseres] in het schooljaar waarin de mishandeling plaatsvond is geslaagd voor haar eindexamen VMBO, en dat zij in het schooljaar daarna, zoals zij had gepland, is doorgestroomd naar het basisjaar van het MBO. Eerst in het schooljaar 2004/2005 is [eiseres] verder gegaan met MBO niveau 3 in plaats van MBO niveau 4. Dat zij niet MBO niveau 4 heeft kunnen doen, wijt [eiseres] aan haar posttraumatische stress klachten. De rechtbank wil op zich nog wel aannemen dat [eiseres] door posttraumatische stress klachten in het jaar 2003 – 2004 niet heeft kunnen doorstromen naar MBO niveau 4 en zich heeft moeten beperken tot MBO niveau 3. Dat schooljaar was immers het jaar waarin [eiseres] onder psychologische begeleiding is geweest als gevolg van de mishandeling, terwijl uit de door haar als bijlage 9 bij het schaderapport overgelegde brief van haar behandelend psycholoog blijkt dat is verzocht om herkansingen vanwege verminderd concentratievermogen door posttraumatische stressklachten. Daarmee is op zichzelf wel voldoende aannemelijk gemaakt dat [eiseres] als gevolg van de mishandeling enige vertraging heeft opgelopen bij het uitvoeren van haar opleidingsplan. Meer dan dat is in het kader van de begroting van deze schade niet vereist.

4.11. De rechtbank is echter van oordeel dat [eiseres] bij haar vordering uitsluitend de goede kansen heeft meegewogen. De vordering gaat er immers van uit dat zij, de mishandeling weggedacht, zonder enige tegenslag het traject tot en met het HBO-diploma zou hebben afgelegd en dat zij meteen daarna een baan als operatiekamerverpleegkundige zou hebben gevonden, waarmee zij een bedrag van € 27.225,00 bruto zou hebben verdiend, zijnde het gemiddelde salaris van een HBO-er bij de overheid. Dat uitgangspunt is te optimistisch. Bij het inschatten van een toekomstige situatie mogen aan een benadeelde enerzijds geen strenge eisen worden gesteld met betrekking tot het te leveren bewijs van de hypothetische situatie, de mishandeling weggedacht, maar die strenge eisen worden blijkens het voorgaande ook niet gesteld. Aan de andere kant dienen niet alleen de goede kansen maar ook de kwade kansen te worden meegenomen bij de inschatting van de hypothetische situatie. Daarbij is van belang dat [eiseres] zich bij het haar voor ogen staande opleidingstraject een ambitieus doel heeft gesteld, te weten vanuit een VMBO-situatie een snelle doorstroom tot en met HBO-opleiding, met direct aansluitend een baan. Het is niet onwaarschijnlijk dat zich ergens in dat traject een kink in de kabel zou hebben voorgedaan, bijvoorbeeld door een doublure, doordat aansluitend aan het basisjaar een directe doorstroom naar MBO niveau 4 ook zonder mishandeling te hoog gegrepen zou zijn geweest of doordat een aansluitende HBO-opleiding te hoog gegrepen zou blijken. Aan [eiseres] kan echter worden toegegeven dat [gedaagde] haar, door de mishandeling, de kans op een tot dusver voorspoediger verloop van haar opleiding heeft ontnomen. De rechtbank zal het gemis van deze kans abstract begroten. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij cijfers die [eiseres] als bijlage 10 bij haar schadestaat heeft overgelegd. Er zal verder worden uitgegaan van het gemiddelde salaris van een MBO-er bij de overheid. De optredende vertraging doet zich immers voor tijdens de MBO-opleiding, terwijl de stelling dat [eiseres] daarna HBO zal doen vrij speculatief is. De kans dat [eiseres] zonder mishandeling probleemloos de MBO-opleiding verpleegkundige (basisjaar en MBO niveau 4) zou hebben gevolgd, schat de rechtbank in op 50%, zodat [gedaagde] gehouden is 50% van de schade door studievertraging aan [eiseres] te vergoeden. [gedaagde] heeft de berekeningswijze van de gevorderde kosten voor studievertraging niet gemotiveerd betwist. Die berekeningswijze zal dus worden gevolgd. De rechtbank komt dan uit op een schade van de helft van: € 949,00 (schoolgeld) vermeerderd met 2/3 x € 22.735,00 (zijnde het grofweg geschatte netto resultaat van het bruto startinkomen op MBO-niveau) en verminderd met € 4.000,00 (studiefinanciering)). Dat wil zeggen de helft van € 12.105,-, dus € 6.052,-.

4.12. Voor extra telefoon- en portokosten heeft [eiseres] een forfaitair bedrag opgenomen van € 200,-. [gedaagde] heeft de hoogte van die kosten betwist waarbij hij erop heeft gewezen dat bewijsstukken ontbreken. Aannemelijk is echter wel dat enige kosten zijn gemaakt, die bij gebreke van nadere onderbouwing zullen worden begroot op € 50,00.

4.13. De vierde post in de categorie materiële kosten betreft buitengerechtelijke kosten. Deze post wordt bovendien afzonderlijk gevorderd (petitum onder 3). De onderbouwing van deze post moet worden gezocht in de als bijlage 14 bij het schaderapport overgelegde urenspecificatie van de advocaat van [eiseres]. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze gespecificeerde uren voornamelijk lijken gemaakt ter voorbereiding van de thans gevoerde procedure, zodat deze niet als buitengerechtelijke incassokosten kunnen worden aangemerkt.

4.14. Uit de urenspecificatie kan niet zonder meer worden afgeleid dat [eiseres] ter incasso meer werkzaamheden heeft verricht dan het verzenden van een herhaalde aanmaning. Het had, gezien het verweer van [gedaagde], op de weg van [eiseres] gelegen deze post nader te onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Daarom zal ook de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen (zowel de als post 4 onder materiële kosten in het schaderapport opgevoerde kosten als de in het petitum onder 3 afzonderlijk gevorderde kosten).

4.15. [gedaagde] heeft een beroep gedaan op matiging van de verplichting tot schadevergoeding op grond van artikel 6:109 BW. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij is vrijgesproken van de ook ten laste gelegde zware mishandeling, dat hij ten tijde van het onrechtmatig handelen minderjarig was en dat hij een geringe financiële draagkracht heeft.

4.16. De rechter dient met terughoudendheid gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot matiging van schadevergoeding. Het oordeel van de kinderrechter van 26 maart 2004 kan niet afdoen aan de in deze procedure als vaststaand aangenomen lichamelijke en geestelijke gevolgen voor [eiseres] van de mishandeling door [gedaagde] op 13 maart 2003. Voorts kan de 17-jarige leeftijd van [gedaagde] ten tijde van de mishandeling onvoldoende gewicht in de schaal leggen, nu sprake is van door opzet veroorzaakt letsel. Tenslotte heeft [gedaagde] de hoogte van zijn draagkracht niet nader toegelicht. Mede in het licht van het verschil tussen het gevorderde en het toegewezen bedrag heeft hij aldus onvoldoende gesteld om op grond van zijn geringe draagkracht tot matiging over te gaan. De verplichting tot schadevergoeding zal dus niet worden gematigd.

4.17. Hoewel in het schaderapport van januari 2007 (productie 3 bij dagvaarding) het voorschot van € 500,-, voldaan op grond van de veroordeling door de kinderrechter van 26 maart 2004, als ‘reeds vergoed’ op de totale vordering in mindering is gebracht, is daarmee in de dagvaarding geen rekening gehouden. Nu vaststaat dat het bedrag van € 500,- als voorschot op de schadevergoeding is betaald en ontvangen, zal dat bedrag op het toe te wijzen bedrag in mindering worden gebracht.

Op grond van het voorgaande zal dus aan [eiseres] worden toegewezen: € 2.500,- (rechtsoverweging 4.5) + € 93,60 + € 5,- + € 41,80 (rechtsoverweging 4.7) + € 6.052,- (rechtsoverweging 4.11) + € 50,- (rechtsoverweging 4.12) - € 500,- (rechtsoverweging 4.17), dus in totaal € 8.242,40.

4.18. [eiseres] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf de dag van de onrechtmatige daad (13 maart 2003) tot de dag van betaling. Over het smartengeld en kleine materiële schadeposten zal dat, als niet betwist, worden toegewezen. Over de kosten voor studievertraging zal die worden afgewezen. Die kosten bestaan immers grotendeels uit nog in de toekomst te lijden verlies van inkomen doordat [eiseres] later de arbeidsmarkt zal betreden dan zij oorspronkelijk voor ogen had. Zij zal worden toegewezen vanaf twee weken na de dag waarop het vonnis wordt gewezen.

4.19. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 84,86

- betaald vast recht € 114,00

- in debet gesteld vast recht € 756,00

- salaris procureur € 768,00 (2 punten x tarief I) )

Totaal € 1.722,86

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.242,40 (zegge: achtduizendtweehonderdtweeënveertig euro en veertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 2.190,40 vanaf 13 maart 2003 tot aan de dag van algehele voldoening en te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van

€ 6.052,00 vanaf twee weken na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.722,86 te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

5.3. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2007.