Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5427

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
11-10-2007
Zaaknummer
159957
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat de kerk nimmer heeft geprotesteerd tegen het parkeren is onvoldoende om de erfdienstbaarheid aldus uit te leggen dat eiser met een auto tot bij de ingang van zijn kantoor mag komen en daar ook mag parkeren. Slechts in geval van twijfel over de inhoud van de erfdienstbaarheid en bij te goeder trouw handelen kan een jarenlang zonder tegenspraak verrichte handelwijze beslissend zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 159957 / KG ZA 07-548

Vonnis in kort geding van 2 oktober 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. J.A.A. van Buggenum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONCEPTS & IMAGES B.V.,

gevestigd te Westervoort,

gedaagde,

procureur mr. J.A. Spigt.

Partijen zullen hierna [eiser] en Concepts genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de wijziging van eis

- de pleitnota van Concepts.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is sinds 1994 eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats], gelegen op de hoek van de [adres] en de [adres]. Op dat perceel (hierna: [adres]) staat de voormalige pastorie van het voormalige kerkgebouw dat op het aangrenzende perceel [adres] (hierna: [adres]) staat.

2.2. [eiser] bewoont met zijn gezin de voormalige pastorie op [adres]. Tevens heeft [eiser] in de voormalige pastorie zijn advocatenkantoor gevestigd. In 1997 heeft [eiser] de garage van de voormalige pastorie, die tegen de zijkant van de voormalige pastorie is aangebouwd en verder van de straat af staat dan de voormalige pastorie, omgebouwd tot ontvangstruimte van zijn kantoor. Voordien parkeerde [eiser] zijn auto vóór de garage, (gedeeltelijk) op het perceel [adres]. Na de verbouwing is [eiser] zijn auto daar blijven parkeren.

2.3. Tot 1989 waren [adres] en [adres] eigendom van de Gereformeerde Kerk te [woonplaats], die in dat jaar [adres] heeft verkocht en geleverd aan de rechtsvoorgangers van [eiser]. De rechtsvoorgangers van [eiser] zijn daar gaan wonen. In verband met de verkoop van [adres] is bij notariële akte

van 1 september 1989 ten behoeve van [adres] en ten laste van [adres] de navolgende erfdienstbaarheid van weg gevestigd (hierna: de erfdienstbaarheid):

(…) inhoudende de bevoegdheid van de eigenaar van het heersende erf om te komen van en te gaan naar de [adres], vanaf de garage, deel uitmakende van het bij deze akte gekochte onroerend goed, een en ander op de thans bestaande wijze.

Het is de eigenaar van het heersend erf verboden om voertuigen en/of andere vervoermiddelen te parkeren of te doen laten staan op het lijdend erf.

2.4. In 2006 heeft de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) als rechtsopvolger van de eerder genoemde kerk [adres] verkocht en in eigendom geleverd aan Van Hekke & Timmermans Holding B.V. een vennootschap waar Concepts aan gelieerd is. Concepts is vanaf dat moment gevestigd op [adres]. Sindsdien strijden partijen over de erfdienstbaarheid. In dat kader heeft [eiser] bij dagvaarding van 6 juli 2007 Concepts betrokken in een bodemprocedure voor de rechtbank Arnhem, waarin [eiser] onder meer wijziging van de erfdienstbaarheid vordert, in die zin dat de eigenaar van [adres] een auto mag parkeren vóór de garage als die haar oorspronkelijke functie terug heeft. In die procedure is nog geen uitspraak gedaan.

2.5. Onlangs is het erf van [adres] heringericht, waarbij onder andere trottoirbanden, paaltjes en struiken zijn geplaatst. Als gevolg daarvan is het niet meer mogelijk om met een auto bij de voormalige garage van [adres] te komen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – samengevat – een verbod voor Concepts om de uitoefening van de erfdienstbaarheid te belemmeren. [eiser] legt daaraan ten grondslag dat hij krachtens de erfdienstbaarheid met zijn auto tot bij de garage en daarmee de achterzijde van zijn woning, moet kunnen komen, ook al wordt de garage niet als garage gebruikt. [eiser] stelt daartoe dat het woord “garage” in de erfdienstbaarheid geen wezenlijke betekenis heeft, omdat wat in de erfdienstbaarheid als garage wordt aangeduid daarvoor te klein is en eigenlijk een berging was, om welke reden hij er altijd vóór parkeerde. Volgens [eiser] ziet de erfdienstbaarheid erop dat de toegang tot de achterzijde van de woning voor een auto bereikbaar blijft, voor het uitladen van boodschappen en dergelijke. [eiser] neemt voorts het standpunt in dat de erfdienstbaarheid, ondanks het daarover in de vestigingakte bepaalde, inmiddels ook zo moet worden uitgelegd dat hij vóór de voormalige garage mag parkeren omdat de kerk – waaronder zowel de Gereformeerde Kerk als de PKN verstaan wordt – er nooit bezwaar tegen heeft gemaakt dat zijn auto daar stond.

3.2. Concepts voert als verweer aan dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat Concepts niet de eigenaar is van [adres]. Voorts neemt Concepts het standpunt in dat de erfdienstbaarheid door onmogelijkheid van uitoefening is vervallen omdat [adres] door de verbouwing sinds 1997 geen garage heeft en dat parkeren op [adres] in de erfdienstbaarheid juist uitdrukkelijk is verboden.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. Het verweer van Concepts dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, faalt. Concepts heeft ter zitting verklaard dat zij de voor [eiser] belemmerende trottoirbanden, paaltjes en struikgewassen heeft doen plaatsen. Niet in geding is dat [eiser] hierdoor niet meer met een auto bij zijn voormalige garage kan komen. Nu [eiser] in dit kort geding in feite vordert dat Concepts de obstakels verwijderd die zij heeft doen plaatsen, kan [eiser] worden ontvangen in zijn vorderingen.

Inhoud van de erfdienstbaarheid

4.2. In de kern twisten partijen over de inhoud van erfdienstbaarheid. Op grond van

art. 5:73 lid 1 BW worden de inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegenspraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend

4.3. Gelet op het vorenstaande is voor de uitleg van de erfdienstbaarheid als eerste bepalend de akte waarbij de erfdienstbaarheid is gevestigd. In de akte van 1 september 1989 staat dat de erfdienstbaarheid inhoudt “de bevoegdheid van de eigenaar van het heersend erf om te komen van en te gaan naar de [adres], vanaf de garage (…) een en ander op de thans bestaande wijze”. Bij de uitleg van die tekst komt het aan op de in de vestigingsakte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (vgl. o.a. HR 2 december 2005, NJ 2007, 5). [eiser] heeft niet aangegeven in welke bewoordingen van de akte besloten ligt dat de partijen die de erfdienstbaarheid hebben gevestigd de bedoeling hadden dat de achterzijde van de woning voor een auto bereikbaar moet blijven en dat het daarom niet uitmaakt waarvoor de garage wordt gebruikt. De tekst van de vestigingsakte biedt daarom geen grond voor de uitleg die [eiser] geeft aan de erfdienstbaarheid.

4.4. De vraag naar de plaatselijke gewoonte is niet aan de orde geweest. Plaatselijke gewoonte biedt dan ook geen basis voor [eiser]’ uitleg van de erfdienstbaarheid.

4.5. Ook het beroep dat [eiser] doet op het niet door Concepts weersproken jarenlang toegestaan hebben door de kerk dat [eiser] eerst vóór de garage en later vóór de ingang van zijn kantoor parkeerde, helpt [eiser] niet. Uit het hiervoor onder 4.2. weergegeven toetsingskader volgt dat het enkele feit dat de kerk nimmer heeft geprotesteerd tegen het parkeren, onvoldoende is om de erfdienstbaarheid aldus uit te leggen dat [eiser] met een auto tot bij de ingang van zijn kantoor mag komen en daar ook mag parkeren. Slechts in geval van twijfel over de inhoud van de erfdienstbaarheid en bij te goeder trouw handelen kan een jarenlang zonder tegenspraak verrichte handelwijze beslissend zijn. Zoals uit het onder 4.3. overwogene volgt, biedt de vestigingsakte zelf geen ruimte voor twijfel over de betekenis van het woord “garage”. Ook de omstandigheden ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid bieden die twijfel niet. De voormalige pastorie werd destijds voor bewoning gebruikt. Bij die functie past een garage of een berging die bereikbaar moet zijn, maar niet de ontvangstruimte van een advocatenkantoor. Het enkele feit dat de garage tegen de voormalige pastorie is aangebouwd en wat verder van de straat af staat dan de voormalige pastorie is onvoldoende om aan te nemen dat de erfdienstbaarheid kan zien op de bereikbaarheid van de achterkant van de voormalige pastorie en niet op de bereikbaarheid van de garage zelf en dat daardoor de functie van de garage er niet toedoet. Over het parkeren staat in de vestigingsakte met zoveel woorden dat dit verboden is.

Daaruit volgt dat er geen twijfel over kan bestaan dat [eiser] zijn auto niet voor de ingang van zijn kantoor mag parkeren, maar ook dat [eiser] met betrekking tot het parkeren niet te goeder trouw kan hebben gehandeld nu hij het parkeerverbod uit de vestigingsakte kende, althans als opvolgend eigenaar van het heersende erf behoorde te kennen (vgl. art. 3:11 BW).

Wijziging van de erfdienstbaarheid

4.6. In de bodemprocedure vordert [eiser] onder meer dat de erfdienstbaarheid zodanig wordt gewijzigd dat de eigenaar van [adres] vóór de garage mag parkeren, als de garage weer haar oorspronkelijke functie heeft. De garage heeft thans een andere functie en zal niet op korte termijn haar oude functie terugkrijgen. [eiser] heeft ter zitting in dat verband slechts verklaard dat zijn advocatenpraktijk aldaar een aflopend karakter heeft. Dit betekent dat in dit kort geding niet vooruitgelopen hoeft te worden op de uitkomst van de bodemprocedure.

Conclusie

4.7. De slotsom is dat [eiser] thans geen belang heeft bij verwijdering van de door Concepts geplaatste obstakels op [adres], nu [eiser] geen garage heeft van waar hij met een auto naar de [adres] moet kunnen en vice versa en omdat het hem verboden is te parkeren op [adres].

Proceskosten

4.8. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Concepts worden tot aan deze uitspraak begroot op:

- salaris procureur € 816,00

- vast recht 251,00

Totaal € 1.067,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [eiser] in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Concepts begroot op € 1.067,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.J. Daggenvoorde op 2 oktober 2007.