Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5405

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
05/501954-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens bedreiging en mishandeling van zijn levensgezel en zijn dochter gedurende een lange periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Verkort vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/501954-07

Datum zitting : 14 september 2007

Datum uitspraak : 28 september 2007

Tegenspraak

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Thans gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, Ir.Molsweg 5

Arnhem.

Raadsman : mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2001 en/of 2002 te Heelsum, althans in de gemeente Renkum, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk zijn levenspartner [slachtoffer 1] van het leven te beroven, opzettelijk een mes in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 1] heeft gegooid en/of die [slachtoffer 1] (daarbij) aan een oor heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2001 en/of 2002 te Heelsum, althans in de gemeente Renkum, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een mes in de richting van (het hoofd van) die [slachtoffer 1] heeft gegooid en/of die [slachtoffer 1] (daarbij) aan een oor heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 januari 1995 tot en met 29 oktober 2006 te Heelsum, gemeente Renkum, en/of Leusden en/of Harderwijk en/of Renkum en/of Soest en/of Renswoude, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn levenspartner [slachtoffer 1] (telkens) heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

getrapt en/of aan haar haren heeft getrokken en/of (een) (hard(e)) voorwerp(en) tegen haar lichaam heeft gegooid en/of met een riem heeft geslagen en/of met (een) vinger(s) in haar oog/ogen heeft geprikt/gestoken en/of (krachtig) bij haar keel/nek heeft vastgegrepen/vastgepakt, waardoor die [slachtoffer 1] (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 29 oktober 2006 te Soest en/of Renswoude en/of Heelsum en/of Renkum, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk mishandelend zijn dochter [slachtoffer 2] een en/of meermalen (al dan niet met een voorwerp) heeft geslagen en/of gestompt en/of aan haar haren heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer 2] (telkens) letsel heeft bekomen en/of (telkens) pijn heeft ondervonden;

4.

hij op of omstreeks 29 oktober 2006 te Heelsum, althans in de gemeente Renkum, zijn levenspartner [slachtoffer 1] en/of zijn dochter [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk dreigend:

- die [slachtoffer 1] bij haar keel/nek heeft vastgegrepen/vastgepakt en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "ik kan je wurgen op dit moment en niemand zou je zien, horen of helpen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- (uit een keukenlade) een mes heeft gepakt en/of (vervolgens) naar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is gelopen en/of dicht bij die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] is gaan zitten en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "ik maak je dood...ik vermoord je...ik snijd je in stukken...ik snijd je keel door...ik vermoord jullie...ik maak jullie

af...ik snijd jullie open", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of (daarbij) een of meer stekende en/of zwaaiende en/of prikkende beweging(en) met dat mes heeft gemaakt op en/of in de richting van de benen van die [slachtoffer 2],

en aldus een dreigende situatie voor die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gecreëerd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 14 september 2007 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 primair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde op te leggen reclasseringstoezicht met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht .

Voorts heeft de officier van justitie geëist dat het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven mes dient te worden teruggegeven aan de rechthebbende, te weten [slachtoffer 1].

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feit

Verdachte ontkent dit feit te hebben gepleegd.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het primair tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft primair het verweer gevoerd dat het onder 1 tenlastegelegde feit wel wettig, maar niet overtuigend bewezen kan worden en dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat verdachte in ieder geval dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde feit, aangezien het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op de dood niet bewezen kan worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrij¬spreken. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1]. Voorwaardelijk opzet vereist dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het gooien van een steakmes in de richting van [slachtoffer 1], haar dood als gevolg zou kunnen hebben. Er kan worden aangenomen dat een steakmes scherp is. Het gewicht van het mes en de kracht waarmee het mes is gegooid, is echter onbekend. Daarom acht de rechtbank niet bewezen dat de kans op de dood aanmerkelijk was door het gooien van een steakmes.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit

[slachtoffer 1] heeft ten overstaan van de politie in haar aangifte een gedetailleerde verklaring afgelegd over het gebeurde. Zij verklaart:

“Ik zat eens in de keuken in de woning aan de [adres] aan de keukentafel. Wij hadden op dat moment bezoek van de neef van [verdachte] en zijn Poolse vriendin [getuige 1]. (…) [verdachte] stond bij de keukendeur en was dronken. (…) Zonder enige aanleiding gooide [verdachte], die op enkele meters afstand van mij stond, opzettelijk een zwart steakmes met kracht naar mij toe. De punt van het mes kwam in mijn rechteroor terecht waardoor het oor flink begon te bloeden en ik enkele weken mijn gehoor aan dit oor kwijt was. “Het mes had eigenlijk in je nek terecht moeten komen” riep [verdachte]. Het gooien van het mes en de woorden die [verdachte] mij naar mijn hoofd slingerde werden gezien en gehoord door [slachtoffer 2] en [getuige 1].”

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft [slachtoffer 1] haar verklaring bevestigd.

Ook [slachtoffer 2] heeft gedetailleerd over dit voorval verklaard tijdens het studioverhoor. In dit verhoor spreekt [slachtoffer 2] ook over een neef van haar vader en diens vrouw, die er bij zouden zijn geweest, en over het feit dat het mes bij het oor van haar moeder terecht kwam en dat er bloed te zien was. Tevens gebruikte zij dezelfde bewoordingen, welke door verdachte gezegd zouden zijn, te weten “het mes had eigenlijk in je nek terecht moeten komen”. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afgelegde verklaringen niet conform de waarheid zijn. Het reeds aanwezige bewijs wordt nog eens ondersteund door een verklaring van getuige [getuige 2], een voormalig lerares van [slachtoffer 2], die in het schooljaar 2003/2004 een vertrouwelijk gesprek heeft gehad met [slachtoffer 2] en naar aanleiding hiervan een interne notitie heeft gemaakt met onder andere de aantekening ‘[slachtoffer 2] wordt geslagen, vader is vaak dronken, heeft mes naar moeder gegooid’.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangevoerd dat het feit niet bewezen kan worden, aangezien de tenlastegelegde periode niet klopt. Volgens verdachte woonden ze in de periode 2001-2002 niet in Heelsum, maar in Soest.

De rechtbank overweegt dat zich in het dossier een overzicht bevindt, overgelegd door [slachtoffer 1] aan de politie, waarin zij heeft weergegeven in welke periode zij en verdachte waar hebben gewoond. Uit dit overzicht valt op te maken dat zij in de periode 2002-2004 aan de [adres] te Heelsum hebben gewoond. De rechtbank leidt hieruit af dat het feit derhalve in 2002 gepleegd moet zijn.

Verdachte wist of moet hebben geweten dat door het gooien van een (scherp) steakmes in de richting van het hoofd of de nek van [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel kan worden toegebracht. Nu verdachte toch het mes heeft gegooid, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit

Verdachte bekent dit feit te hebben gepleegd, met dien verstande dat hij de intensiteit van mishandelingen, zoals door [slachtoffer 1] is verklaard, ontkent. Tevens verklaart verdachte alleen te hebben geslagen en geschopt. De overige tenlastegelegde elementen worden door verdachte ontkend.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft aangevoerd dat het feit weliswaar bewezen kan worden, maar dat niet bewezen kan worden verklaard dat verdachte het feit stelselmatig heeft gepleegd en dat verdachte meer heeft gedaan dan alleen ‘slaan’ en ‘schoppen’.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie als ter terechtzitting bekend [slachtoffer 1] wel eens een klap of een schop te hebben gegeven. Verdachte spreekt zelf over een intensiteit van ongeveer één keer per half jaar. Gezien de tenlastegelegde periode betekent dit dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen of geschopt. Hieruit kan wellicht niet worden afgeleid dat de mishandelingen wekelijks plaatsvonden, maar wel dat verdachte [slachtoffer 1] met enige regelmaat heeft mishandeld. De intensiteit van de mishandelingen is een modaliteit die zal worden meegewogen in de strafmaat.

Ten overstaan van de politie heeft [slachtoffer 1] in haar aangifte verklaard dat de mishandelingen zijn begonnen in 1994 en hebben geduurd tot 29 augustus 2006. Als vormen van mishandeling spreekt [slachtoffer 1] over ‘aan de haren trekken’, ‘schoppen’, ‘slaan (met de vuisten)’, ‘het prikken met zijn vinger in haar oog’, ‘het gooien van een beeld van een koe tegen haar been’, ‘hardhandig bij de nek pakken’ en ‘het gooien van een mobiele telefoon tegen haar sleutelbeen’. Tijdens het eerste contact met de politie heeft [slachtoffer 1] ook verklaard over het feit dat ze op 29 augustus 2006 door verdachte zou zijn geslagen met een riem.

[slachtoffer 2] heeft in het studioverhoor ten aanzien van het gebeurde op 29 augustus 2006 verklaard dat verdachte haar moeder met een riem had geslagen en dat verdachte een telefoon hard tegen haar moeder heeft aangegooid. Voorts heeft ze verklaard dat haar moeder wel vaker is geslagen en aan de haren was getrokken door verdachte. Dit had ze heel vaak allemaal zelf gezien.

Voorts heeft getuige [getuige 3] ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat verdachte bedreigend over kon komen als hij gedronken had en een grote mond kon geven. Zijn lichaamstaal kon agressief zijn. Ook heeft zij gezien dat [slachtoffer 1] rode en blauwe plekken had. Dit is tevens door getuige [getuige 4] bevestigd ten overstaan van de rechter-commissaris.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit

Verdachte ontkent dit feit hebben gepleegd, afgezien van het feit dat hij bekent één keer [slachtoffer 2] (niet opzettelijk) een bloedneus te hebben toegebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hooguit een éénmalige mishandeling van zijn, verdachtes, dochter [slachtoffer 2] bewezen kan worden. Niet bewezen kan worden dat het feit meermalen is gepleegd.

De rechtbank overweegt als volgt.

[slachtoffer 2] heeft tijdens het studioverhoor verklaard meerdere malen door verdachte te zijn geslagen en geschopt. Dit heeft [slachtoffer 2] nogmaals bevestigd ten overstaan van de rechter-commissaris. [slachtoffer 1] heeft ten overstaan van de politie in haar aangifte verklaard dat ook [slachtoffer 2] regelmatig door verdachte aan de haren werd getrokken en in het gezicht werd geslagen. Getuige [getuige 2], lerares van [slachtoffer 2] in het schooljaar 2003/2004, heeft ten overstaan van politie verklaard dat zij vond dat [slachtoffer 2] er altijd slecht uit zag en vaak afwezig was. Naar aanleiding van het feit dat [slachtoffer 2] in een schriftje had opgeschreven dat zij door haar vader geslagen werd, was zij een gesprek aangegaan met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 2] had haar toen in vertrouwen onder andere verteld dat ze bang was voor haar vader. [getuige 2] had hier notities van gemaakt, die intern op de basisschool werden gecommuniceerd. Deze notities bevatten onder andere de aantekening ‘[slachtoffer 2] wordt geslagen, vader is vaak dronken, heeft mes naar moeder gegooid’. Van deze notities is een kopie gemaakt, welke als bijlage bij het proces-verbaal is gevoegd.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit

Verdachte bekent dit feit te hebben gepleegd, met dien verstande dat hij bekent dat hij op 29 oktober 2006 ruzie heeft gehad met [slachtoffer 1], waarbij over en weer gescholden is en waarbij hij ook een bedreiging tegen [slachtoffer 1] en tegen [slachtoffer 2] heeft geuit. Ook bekent hij hierbij een mes in zijn handen te hebben gehad, met dit mes in de salontafel te hebben geprikt en hierbij woorden te hebben geroepen in de trant van ‘ik maak je af, ik maak je dood’. Verdachte ontkent echter [slachtoffer 1] bij de nek te hebben vastgepakt en hierbij bedreigende woorden te hebben geuit. Tevens ontkent hij met het mes gericht stekende bewegingen te hebben gemaakt naar de benen van [slachtoffer 2].

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen ter zake het tenlastegelegde feit.

De raadsman acht het feit bewezen, met dien verstande dat hij het tenlastegelegde na het eerste gedachtestreepje niet wettig en overtuigend bewezen acht, aangezien verdachte dit deel ontkent.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten overstaan van de politie heeft [slachtoffer 1] in haar aangifte verklaard dat verdachte haar met beide handen in haar nek vastpakte, haar aan de haren trok en hierbij riep ‘ik kan je wurgen op dit moment en niemand zou je zien, horen of helpen’. Even later zag ze dat verdachte met een groot keukenmes de keuken uit kwam lopen en in de stoel tegenover [slachtoffer 2] ging zitten en tegen haar, [slachtoffer 1], riep ‘ik maak je dood. Ik vermoord je. Ik snijd je in stukken. Ik snijd je keel door’. Verdachte had hierbij het mes in zijn handen. [slachtoffer 2] moest vervolgens voor hem op tafel gaan zitten, waarop hij enkele stekende bewegingen met het mes maakte naar de benen van [slachtoffer 2]. Daarbij riep hij constant ‘ik vermoord jullie. Ik maak jullie af’.

Tijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer 2] over het voorval van 29 augustus 2006 verklaard dat verdachte in de woonkamer met een mes bij haar been was gekomen en met de punt van het mes een paar maal in haar been had geprikt. Daarna had verdachte het mes vlakbij haar been hard in de tafel gestoken.

De rechtbank acht op grond van vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

1.

hij op een tijdstip in 2002 te Heelsum, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk een mes in de richting van het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gegooid en die [slachtoffer 1] daarbij aan een oor heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 24 januari 1995 tot en met 29 oktober 2006 te Heelsum, gemeente Renkum, en/of Leusden en/of Harderwijk en/of Renkum en/of Soest en/of Renswoude, telkens opzettelijk mishandelend zijn levenspartner [slachtoffer 1] heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of aan haar haren heeft getrokken en/of harde voorwerpen tegen haar lichaam heeft gegooid en/of met een riem heeft geslagen en/of met een vinger in haar oog heeft geprikt en/of (krachtig) bij haar nek heeft vastgepakt, waardoor die [slachtoffer 1] telkens letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2000 tot en met 29 oktober 2006 te Soest en/of Renswoude en/of Heelsum en/of Renkum, telkens opzettelijk mishandelend zijn dochter [slachtoffer 2] meermalen (al dan niet met een voorwerp) heeft geslagen en/of gestompt en/of aan haar haren heeft getrokken, waardoor die [slachtoffer 2] telkens pijn heeft ondervonden;

4.

hij op 29 oktober 2006 te Heelsum, zijn levenspartner [slachtoffer 1] en zijn dochter [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk dreigend:

- die [slachtoffer 1] bij haar nek heeft vastgepakt en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "ik kan je wurgen op dit moment en niemand zou je zien, horen of helpen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- (uit een keukenlade) een mes heeft gepakt en (vervolgens) naar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is gelopen en dicht bij die [slachtoffer 2] is gaan zitten en die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "ik maak je dood...ik vermoord je...ik snijd je in stukken...ik snijd je keel door...ik vermoord jullie...ik maak jullie af...ik snijd jullie open", en stekende bewegingen met dat mes heeft gemaakt in de richting van de benen van die [slachtoffer 2],

en aldus een dreigende situatie voor die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft gecreëerd;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

A. In de periode van 24 januari 1995 tot en met 31 januari 2006:

Mishandeling, meermalen gepleegd

B. In de periode van 1 februari 2006 tot en met 29 oktober 2006:

Mishandeling, terwijl het misdrijf is begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Mishandeling, terwijl het misdrijf is begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

4b. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Met name ook niet uit de hierna te noemen deskundigenrapportage. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 1 juni 2007;

• een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, gedateerd 29 mei 2007, betreffende verdachte;

• een monodisciplinaire rapportage uitgebracht door Mw. Drs. J.H.M. Fröger, psycholoog d.d. 21 mei 2007, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn levensgezel en zijn dochter gedurende een lange periode meermalen mishandeld en tevens bedreigd. Aldus heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Dergelijke gedragingen leiden tot gevoelens van onveiligheid en onzekerheid in het dagelijks leven, zeker wanneer de feiten worden begaan in huiselijke kring. De rechtbank acht de door verdachte gepleegde feiten bijzonder laakbaar. Uit het eerder aangehaalde uittreksel uit het algemene documentatieregister en het persoonsdossier blijkt bovendien dat verdachte eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat uit de stukken in het dossier geen duidelijk beeld ontstaat over de frequentie van de mishandelingen. De rechtbank zal om die reden bij de strafoplegging met name rekening houden met de door de slachtoffers in hun verklaringen gedetailleerd aangegeven mishandelingen die worden ondersteund door andere stukken in het dossier.

De rechtbank houdt verder rekening met hetgeen door psycholoog mw. Drs. J.H.M. Fröger in het rapport naar voren is gebracht, waaraan het volgende wordt ontleend:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens. Er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken met daarbij alcoholproblematiek. (…) Tijdens het ten laste gelegde was er sprake van de stoornis, daar dit een langdurig karakter heeft. (…)

Vanuit de persoonlijkheidsstructuur is betrokkene een man met een beperkt zelfinzicht en een verminderd besef van normen en waarden. Ook is er sprake van beperkte impulscontrole. Complicerende en luxerende factor hierbij is het alcoholgebruik. Alcohol lijkt als functie het verminderen van gevoelens van ongenoegen te hebben. Effect op betrokkene is evenwel dat gevoelens van agressie gemakkelijker worden geuit. Doordat betrokkene zich echter ‘normaal’ voelt na alcoholgebruik maakt dit dat hij zijn agressieve uitingen niet als problematisch ervaart. Vanuit zijn stoornis kan hij de ernst van de impact die zijn gedrag op anderen heeft niet onder ogen zien. Op grond van zijn narcistische problematiek kan hij bovendien niet onderkennen dat hij een probleem heeft.

Mocht het tenlastegelegde bewezen worden geacht dan kan dit betrokkene in enigszins verminderde mate worden toegerekend. (…)

Voor het terugdringen van het recidivegevaar zou een behandeling geïndiceerd zijn. Daarbij kan in eerste instantie worden gedacht aan aandacht voor de alcoholproblematiek van betrokkene. Tevens zal er aandacht moeten zijn voor de verstoorde agressie-regulatie. Echter, gezien de houding van betrokkene in het laatste contact lijkt hulp hierbij middels behandeling niet haalbaar omdat betrokkene hiervoor een wisselende motivatie laat zien. Als betrokkene zich alsnog gemotiveerd toont, kan een behandeling bij Kairos in beeld komen.

Een dergelijke behandeling kan plaats vinden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf. Indien betrokkene niet gemotiveerd is voor behandeling, dan is in ieder geval verplicht reclasseringscontact noodzakelijk. Wellicht kan in dit contact getracht worden betrokkene te motiveren om een behandelvraag te formuleren.

De rechtbank neemt deze conclusie over.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen oordeelt de rechtbank dat voor de afdoening van de onderhavige zaak geen andere straf in aanmerking komt dan een forse gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient als waarschuwing voor verdachte om zich voortaan van het plegen van delicten te onthouden.

De straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank het onder 1 primair tenlastegelegde feit niet bewezen acht. Tevens acht de rechtbank, in tegenstelling tot de officier van justitie, de hoge frequentie van de mishandelingen niet bewezen.

De rechtbank ziet, gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding aan de voorwaardelijke gevangenisstraf de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat mocht inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij een instelling van de Geestelijke Gezondheidszorg, zoals Kairos in Nijmegen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 45, 57, 285, 300, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet is nagekomen:

Veroordeelde dient zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem door of namens de (stichting) Reclassering Nederland zullen worden gegeven, (ook indien dit zal inhouden het volgen van een ambulante behandeling bij Kairos of een andere vergelijkbare instelling) voor zover en voor zolang dat door genoemde instelling nodig wordt geacht.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Teruggave aan [slachtoffer 1] van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een mes.

Aldus gewezen door:

mr. M. Keppels, rechter, als voorzitter,

mr. A.M. van Gorp, rechter,

mr. J.J.H. van Laethem, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2007.