Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5024

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
104826
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Effectentransactie. Toepasselijkheid WCK-oud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 104826 / HA ZA 03-1668

Vonnis van 26 september 2007

in de zaak van

de naamloze vennootschap

DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. N.L.J.M. Rijssenbeek,

advocaat mr. H. Post te Helmond,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. A.J.B. Ross,

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar.

Partijen zullen hierna Dexia en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 maart 2005

- akte van [gedaagde]

- akte uitlating voortprocederen van Dexia

- antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Dexia is de rechtsopvolger onder algemene titel van Bank Labouchere N.V., gevestigd te Amsterdam, eveneens handelend onder de handelsnaam Legio, en op haar beurt rechtsopvolger van Legio Lease B.V..

2.2. Dexia en [gedaagde] hebben onder contractnummer [XXX] een zogenaamde Winstverdriedubbelaar afgesloten. Dit is een overeenkomst van aandelenlease. De overeenkomst houdt in essentie in dat de klant geld leent van Dexia, waarmee de klant aandelen in ABN AMRO, Ahold en ING koopt. De aankoop vindt plaats in drie, in hoeveelheid gelijke tranches: de eerste ten tijde van het sluiten van de koop, de tweede na een jaar, de derde na twee jaar. De aankoopkoers van de tweede en de derde tranche is gelijk aan de aankoopkoers van de eerste tranche. De klant betaalt maandelijks rente over het geleende bedrag. De looptijd van de overeenkomst is drie jaar. Aan het einde van de looptijd heeft de klant de keuze tussen 1) verlenging van de overeenkomst, 2) uitlevering van de aandelen tegen aflossing van de lening en 3) verkoop van de aandelen onder verrekening van de verkoopprijs met de lening. Na deze verrekening kan er een surplus zijn, dat wordt uitgekeerd aan de klant, of een restschuld die moet worden afgelost door de klant.

2.3. Volgens de overeenkomst tussen Dexia en [gedaagde] bedroeg de som van de aankoopbedragen € 21.678,24, de totaal over de looptijd te betalen rente € 4.093,92. De totale lease som bedroeg € 25.772,16. Het overeengekomen rentepercentage is 0,96% per maand.

2.4. Dexia heeft [gedaagde] een eindafrekening met koersdatum 10 maart 2003 gezonden. Uit de eindafrekening kan worden opgemaakt dat de verkochte aandelen € 8.073,48 hebben opgebracht, dat [gedaagde] nog € 21.678,24 moest betalen en dat per saldo een door hem te betalen bedrag van € 13.604,76 resteert.

2.5. Ondanks diverse aanmaningen is [gedaagde] niet overgegaan tot betaling van het in 2.4 bedoelde bedrag. In onder meer de brief van de deurwaarder van 15 augustus 2003 heeft Dexia aanspraak gemaakt op rente en buitengerechtelijke incassokosten en vordert zij een bedrag van € 15.152,47.

2.6. De raadsman maakt in zijn brief van 24 maart 2007 aan notaris Kielstra te Den Haag melding van het feit dat [gedaagde] door het afleggen van een opt-out verklaring ex artikel 7:908 lid 2 BW, zich wenst te onttrekken aan de verbindendverklaring van de zogenaamde Duisenberg-regeling.

3. Het geschil

in conventie

3.1. Dexia vordert bij dagvaarding veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 15.152,47, vermeerderd met rente en kosten.

Bij conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie tevens akte houdende voorwaardelijke wijziging van eis in conventie wijzigt Dexia haar eis en vordert zij veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag gelijk aan het verschil tussen de aankoopwaarde van de in artikel 1 van de overeenkomst genoemde effecten minus de waarde van bedoelde effecten op de datum van verkoop van de effecten, onder de voorwaarde dat haar vordering in conventie wordt afgewezen en het beroep van [gedaagde] op nietigverklaring dan wel vernietiging van de overeenkomst geheel of deels slaagt.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Primair voert hij aan dat Dexia niet ontvankelijk is in haar vordering, vervolgens voert hij achtereenvolgens – samengevat – de volgende verweren aan: [gedaagde] betwist bij gebrek aan wetenschap dat Dexia aan haar verplichting tot het verwerven van aandelen in de beursfondsen ABN AMRO, Ahold en ING heeft voldaan, Dexia heeft op diverse punten gehandeld in strijd met de Wet op het Consumentenkrediet, de echtgenote van [gedaagde] heeft de nietigheid van de overeenkomst ingeroepen op grond van artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek (BW), Dexia heeft in strijd gehandeld met de zorgplicht op grond van de Nadere Regeling bij de Wet Toezicht effectenverkeer 1999 als gevolg waarvan [gedaagde] heeft gedwaald in de zin van artikel 6:228 lid 1 onder b BW. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.3. [gedaagde] vordert voorwaardelijk, namelijk voor het geval Dexia ontvankelijk is in haar vordering in conventie, – samengevat – nietigverklaring, althans vernietiging van de tussen partijen gesloten overeenkomst en veroordeling van Dexia tot terugbetaling van hetgeen [gedaagde] uit hoofde van de overeenkomst heeft betaald met rente, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

3.4. Dexia voert verweer. Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

4.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 16 maart 2005 (hierna aan te duiden als het tussenvonnis).

4.2. [gedaagde] heeft zijn verweer inhoudende dat Dexia niet-ontvankelijk is – onder meer omdat niet zou vaststaan dat zij rechtsopvolger is van Bank Labouchere –ingetrokken zodat de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering, ingesteld voor het geval Dexia ontvankelijk is in haar vordering, behandeling behoeft. Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie samenhangen, worden ze gezamenlijk behandeld. De rechtbank houdt bij de behandeling van de verweren de in de processtukken gehanteerde volgorde aan.

verwerven aandelen

4.3. In het tussenvonnis heeft de rechtbank in r.ov. 2.1 overwogen dat [gedaagde] heeft betwist dat Dexia de aandelen heeft verworven, waartoe zij op grond van de Winstverdriedubbelaar was gehouden, dat Dexia zich tegen deze stelling heeft verweerd en dat dit geschilpunt ook in een andere zaak speelt, waarin de rechtbank Dexia heeft toegelaten haar stelling te bewijzen dat zij de aandelen heeft verworven. In afwachting van de uitkomst van die bewijslevering is de zaak naar de parkeerrol verwezen.

4.4. De rechtbank is van oordeel dat indien Dexia in die andere zaak met nummer AQ1551 (en rolnummer 03-1761) in het bewijs slaagt, daarmee voor de rechtbank voldoende vaststaat dat Dexia ook ten behoeve van [gedaagde] de aandelen heeft verworven. Het verweer betreft immers een technische gang van zaken. Door partijen zijn in deze zaak geen andere gegevens naar voren gebracht die een ander licht op deze technische gang van zaken werpen.

4.5. Inmiddels is in de ‘andere’ zaak op 18 juli 2007 vonnis gewezen. In het in die zaak gewezen tussenvonnis van 16 februari 2005 heeft de rechtbank Dexia in de gelegenheid gesteld te bewijzen:

(1) dat de bulkorder WV3D-TOO is verwerkt door Amsterdam Exchanges N.V., thans Euronext Amsterdam, de houder van de effectenbeurs,

(2) dat de bijschrijving van de op grond van deze bulkorder verkregen aandelen in het girodepot dat DSS aanhoudt bij Euroclear Nederland, is verwerkt door Euroclear en

(3) dat zij terstond na de bijschrijving van de aandelen in het verzameldepot een kennisgeving aan de gedaagde heeft gezonden, zoals art. 25 lid 1 Wge dwingend voorschrijft.

In genoemde zaak is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat dit bewijs door Dexia geleverd is. De rechtbank neemt de overwegingen die tot die slotsom hebben geleid, in de onderhavige zaak over en dat leidt tot het volgende (4.6-4.10).

4.6. Dexia heeft aangevoerd dat de praktijk van de beurshandel in op de onder 4.5 bedoelde effectenbeurs genoteerde effecten meebrengt dat de bulkorder niet rechtstreeks kan worden herleid tot één transactie met één specifieke marktpartij, waarvan één specifiek pakket aandelen wordt verkregen. Dit systeem leidt ook tot wisselende aantallen aandelen in orders ten behoeve van meerdere cliënten. De systematiek van de beurshandel brengt mee dat de bulkorder in een aantal stappen tot de verkrijging van de benodigde aandelen heeft geleid. Dexia heeft die stappen toegelicht als volgt.

stap 1

Dexia’s afdeling die zich bezig hield met het sluiten van effectenlease overeenkomsten bestelde via de ESP-desk (Equity Structured Products) de voor de bulkorder benodigde aandelen bij Dexia’s aandelendesk, de afdeling die belast is met de beurshandel.

Dexia heeft in dit verband (als productie 24) overgelegd een uittreksel uit haar administratie waaruit blijkt dat de desbetreffende Bulkorder werd geplaatst. Deze betrof aanzienlijke aantallen aandelen ABN AMRO, Ahold en ING. Uit het stuk blijkt dat meer aandelen zijn besteld. Er zijn niet alleen aandelen besteld voor effectenlease-cliënten met een overeenkomst type WinstVerdrieDubbelaar Termijnbetaling (WV3D T), zoals de gedaagde in de hier bedoelde zaak, maar ook voor cliënten met drie andere typen overeenkomsten: de Triple Termijnbetaling (Trip T), de WinstVerdrieDubbelaar Vooruitbetaling (WV3D V) en de Triple Vooruitbetaling (Trip V).

stap 2

Dexia’s aandelendesk legde vervolgens de benodigde orders, tezamen met alle andere orders waarvoor zij opdrachten had gekregen, in op de effectenbeurs van Euronext. De orders leidden tot beurstransacties. Euronext administreerde de orders en transacties en zond Dexia bevestigingen. Bij Euronext was niet te zien wie de interne of externe opdrachtgever van Dexia’s aandelendesk was. In het Euronext systeem stonden de orders geregistreerd als orders van Dexia.

Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Dexia (als productie 25) een uittreksel uit het orderboek van Euronext in het geding gebracht. Hieruit blijken, zo stelt Dexia, alle op 18 april 2000 voor Dexia ingelegde orders en verrichte transacties met betrekking tot de aandelen ABN AMRO, Ahold en ING. Euronext zet in een daarbij gevoegde schriftelijke toelichting uiteen dat de op de bulkorder betrekking hebbende transacties werden verricht via de rekening met het nummer 335. Voorts heeft Dexia (als productie 26) een zogenaamde Trade Reconciliation in het geding gebracht waarin de confirmaties zijn opgesomd van alle op 18 april 2000 via Dexia’s rekening met het nummer 335 verrichte beurstransacties.

stap 3

Dit is de zogenaamde “clearing” van de transacties die op Euronext tot stand komen. Elke marktpartij is aangesloten bij een clearing member. Voor Dexia trad destijds DSS als clearing member op. DSS was ten tijde van de bulkorder aangesloten bij Euroclear en AEX Effectenclearing BV functioneerde als centrale entiteit. Onmiddellijk na de totstandkoming van een beurstransactie zendt Euronext een bevestiging daarvan aan de door de betrokken marktpartij ingeschakelde clearing members van verkopende en kopende partij. Aan het einde van de handelsdag, na het sluiten van de markt, zendt Euronext de verzamelde gegevens van alle gedurende de dag verrichte transacties aan Euroclear (thans Clearnet). Euroclear saldeert dagelijks voor iedere clearing member de te leveren of te ontvangen effecten en bijbehorende betalingen en ontvangsten. Bij clearing vindt schuldvernieuwing plaats: de afzonderlijke koop- en verkooptransacties gaan teniet en per aandelenfonds ontstaat er één nieuwe koop- of verkooptransactie tussen Euronext en de bedoelde clearing members. De beurstransacties worden daarmee niet afgewikkeld tussen de oorspronkelijke marktpartijen.

In de hier bedoelde procedure heeft Dexia (als producties 27 en 28) twee uittreksels uit de administratie van Effectenclearing overgelegd. Eén uittreksel is een tabel met een cumulatief overzicht van alle door Effectenclearing geaccepteerde beurstransacties die op 18 april 2000 werden aangegaan door de bij DSS aangesloten marktpartijen, waaronder Dexia. Het andere uittreksel bestaat uit drie dagafschriften, met daarin de resultaten van de clearing van de beurstransacties van 18 april 2000 in de aandelen ABN AMRO, Ahold en ING.

stap 4

Dit is de afwikkeling of settlement van de transacties tussen DSS en Effectenclearing uit de clearing van de (mede) op de bulkorder betrekking hebbende beurstransacties. Euroclear was in het Wge-systeem het centrale instituut belast met het houden en beheren van zogenaamde girodepots, zoals bedoeld in de artikelen 34 en 36 Wge. Een girodepot is een goederenrechtelijke gemeenschap waarin zich de effecten van één bepaalde soort bevinden. Aandelen in girodepots staan op naam van bij Euroclear aangesloten instellingen zoals DSS en Effectenclearing. Levering tussen aangesloten instellingen van een aandeel in een girodepot geschiedt door bijschrijving op naam van de verkrijgende instelling in het daartoe bestemde deel van de girodepotadministratie van Euroclear. Op die wijze werden ook de transacties tussen DSS en Effectenclearing afgewikkeld. De levering vond in de onderhavige zaak plaats op 25 april 2000, drie werkdagen nadat de op de Bulkorder betrekking hebbende beurstransacties tot stand kwamen.

Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Dexia (als productie 29) een aantal beelden van het dagafschrift van 25 april 2000 uit de administratie van Euroclear in het geding gebracht. Dexia verwijst naar deze producties en stelt daarmee te hebben aangetoond dat de uit de clearing resulterende transacties tussen DSS en Effectenclearing terzake van de op de bulkorder betrekking hebbende beurstransacties werden afgewikkeld door mutaties in de administratie van Euroclear als beheerder van de girodepots.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat Dexia hiermee voldoende duidelijk gemaakt heeft hoe de effectentransacties waarom het in deze en vergelijkbare zaken gaat, in feite tot stand gekomen en uitgevoerd zijn. De rechtbank is van oordeel dat uit de in dit kader overgelegde stukken, beschouwd in onderlinge samenhang en in samenhang met de overige stukken en de op de stukken gegeven toelichtingen voldoende is komen vast te staan dat Dexia daadwerkelijk aandelen ten behoeve van haar cliënten, de gedaagde in de hiervoor bedoelde zaak en [gedaagde] in deze zaak, heeft verworven. Uit de stukken blijkt dat Dexia aandelen voor zichzelf heeft verworven ten einde op de overeengekomen data aan haar verplichting tot levering van de aandelen te kunnen voldoen. Ter toelichting op dit oordeel wordt het volgende overwogen.

4.8. Dexia heeft onbetwist gesteld dat de steeds genoemde bulkorder geen order is die als zodanig op de beurs wordt geplaatst. De bulkorder is de gehele interne bestelling van aandelen die voor een cliënt van Dexia nodig waren, tezamen met alle overige aandelen die op de desbetreffende datum nodig waren in verband met overeenkomsten WinstVerdriedubbelaar. De rechtbank heeft in de zaak met rolnummer 03-1761 het verweer verworpen dat Dexia niet aan het haar opgedragen bewijs heeft voldaan omdat geen beursorderticket is overgelegd, zoals zou worden vereist in artikel 24 NR Wte 1999 jo artikel 4.15 van Bijlage 4 (orderhandhaving en orderadministratie) bij de NR Wte 1999. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de door Dexia beschreven gang van zaken, die door geen van haar wederpartijen feitelijk wordt betwist, dat de bulkorder opging in alle andere bestellingen van interne en externe opdrachtgevers die bij Dexia’s aandelendesk waren gedeponeerd en dat het totaal aan bestellingen werd “opgeknipt” conform de normale handelswijze. Hieruit volgt dat voldoende is komen vast te staan dat een dergelijk stuk niet kan worden geproduceerd. Daarbij kan in het midden blijven of de genoemde artikelen van de Wte van toepassing zijn op de relatie tussen partijen in deze zaken en of die artikelen een dergelijke verplichting meebrengen. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de bulkorder door Euronext is verwerkt.

4.9. In genoemd vonnis in de zaak met rolnummer 03-1761 heeft de rechtbank overwogen dat uit de aan de hand van de stukken omschreven gang van zaken voldoende blijkt dat de op grond van de bulkorder verkregen aandelen in het door DSS bij Euroclear aangehouden girodepot door Euroclear zijn verwerkt. Die conclusie neemt zij hier over. In dat verband is het naar het oordeel van de rechtbank niet nodig dat Dexia nog nader had moeten aangeven welke orders aan de transacties die zijn verwerkt onder een bepaald rekeningnummer ten grondslag liggen.

4.10. De rechtbank volgt in haar oordeel Dexia’s standpunt en de door haar aangehaalde parlementaire geschiedenis dat de in artikel 25 Wge bedoelde kennisgeving uitsluitend een bewijsfunctie voor de begunstigde heeft om de bijschrijving te bewijzen en geen constitutief vereiste is voor een bijschrijving in zin van artikel 17 Wge. Niet het moment waarop de verkrijger van de bijschrijving kennis krijgt, maar het moment van bijschrijving is relevant voor het antwoord op de vraag of de levering is voltooid. De rechtbank is hiermee teruggekomen op hetgeen in het tussenvonnis van 16 februari 2005 in de zaak onder rolnummer 03-1761 is overwogen. Dit brengt mee dat het derde deel van de bewijsopdracht in die zaak als niet relevant onbesproken is gebleven.

4.11. Zoals reeds onder 4.5 is overwogen, acht de rechtbank Dexia in de zaak onder rolnummer 03-1761geslaagd in het door haar te leveren bewijs. Deze beslissing leidt in deze zaak – gelet op hetgeen is overwogen in r.ov. 4.4 – tot de slotsom dat het verweer van [gedaagde] op dat punt wordt verworpen.

toepasselijkheid WCK-oud

4.12. In de Wet op het consumentenkrediet (hierna: WCK-oud) wordt onder krediettransactie onder meer verstaan iedere overeenkomst en ieder samenstel van overeenkomsten met de strekking dat door of vanwege de kredietgever aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking wordt gesteld en de kredietnemer aan de kredietgever een of meer betalingen doet (art. 1 aanhef en sub a onder 1 WCK-oud).

De onderhavige overeenkomst kenmerkt zich onder meer hierdoor dat Dexia aan [gedaagde] een bedrag ter beschikking heeft gesteld, waarover [gedaagde] periodiek rente diende te betalen en welk bedrag [gedaagde] aan het einde van de looptijd diende terug te betalen. Aldus voldoet deze overeenkomst aan bovengenoemde definitie. In dit verband is van belang dat de wetsgeschiedenis bij art. 1 WCK-oud onder meer vermeldt:

Centraal in de wet staat het begrip krediettransactie, dat beoogt alle relevante vormen van consumentenkrediet te omvatten. Uitgangspunt is dat een feitelijke omschrijving wordt gegeven van de verschillende elementen, waaruit een krediettransactie kan bestaan. Bij een meer formeel-juridische benadering bestaat het gevaar van ontduiking van de wet via juridische constructies die de economische werkelijkheid maskeren.” (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 68).

Nu niet is gebleken dat aan de overige eisen voor toepasselijkheid van de WCK-oud niet is voldaan, geldt deze wet.

Hierbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige overeenkomst niet voldoet aan art. 4 lid 1 onder h WCK-oud. In casu is immers geen sprake van het verstrekken van zekerheid door middel van “belening” van effecten van [gedaagde], reeds omdat volgens de voorwaarden de onderhavige aandelen niet eerder dan aan het einde van de looptijd door Dexia in eigendom aan [gedaagde] kunnen worden overgedragen. Ook uit de memorie van toelichting op de WCK-oud (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 40/41), waarin, kort samengevat, wordt gesteld dat de regering wat betreft effectenbelening ervoor heeft gekozen deze niet onder de WCK te brengen, omdat de bestendige praktijk is dat de lening niet groter mag zijn dan ongeveer 70% van de waarde van de effecten en de aldus geboden ruime mate van zekerheid hier tot gevolg heeft dat het krediet goedkoper is, volgt dat deze bepaling niet ziet op een constructie als de onderhavige. De hiertegenover staande opvatting, die volgt uit de beantwoording van kamervragen door de Minister van Financiën op 6 juli 1998 (aanhangsel handelingen II 1997-1998, nr. 1470, blz. 3015-3016) en uit de memorie van toelichting op de wet van 20 december 2001, Stb. 2001, 669, tot wijziging van de Wet toezicht kredietwezen 1992 en de Wet op het consumentenkrediet teneinde de reikwijdte van de bepalingen inzake de informatieverstrekking aan publiek uit te breiden (kamerstukken II 2000-2001, 27 869, nr. 3, blz. 3), dat aandelenleaseconstructies onder art. 4 lid 1 onder h WCK-oud vallen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze interpretatie strookt namelijk niet met de duidelijke bewoordingen van de wet en de bedoeling van de (toenmalige) wetgever, zoals die volgt uit de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting op de WCK-oud, en gaat kennelijk uit van de onjuiste opvatting dat aandelenleaseconstructies onder andere bestaan uit het verstrekken van zekerheid door de kredietnemer op aandelen van hem.

4.13. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de rechtsvoorganger van Dexia ten tijde van het aangaan van de onderhavige overeenkomst niet over een vergunning als bedoeld in art. 9 WCK-oud beschikte. Dit brengt ingevolge art. 3:40 lid 2 BW mee dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met een dwingende wetsbepaling en niet vernietigbaar, aangezien art. 9 WCK-oud niet uitsluitend ziet op bescherming van een van de partijen bij de overeenkomst. In de memorie van toelichting op de WCK-oud (kamerstukken II 1986-1987, 19 785, nr. 3, blz. 27) wordt hieromtrent immers gesteld:

Aan het onderhavige wetsontwerp ligt, in aansluiting op het voorgaande, de visie ten grondslag dat er een kader dient te zijn, waarbinnen kredietgevers verantwoord op de markt opereren en consumenten, geruggesteund door goede markt- en productinformatie, op redelijke voorwaarden krediet kunnen opnemen.

Voorts vermeldt de memorie van antwoord op de WCK-oud (kamerstukken II 1987-1988, 19 785, nr. 7, blz. 10) dat gekozen is voor een zodanig vergunningenstelsel, dat serieuze ondernemers zonder moeilijkheden de markt kunnen betreden. Dit vergunningenstelsel is dus blijkens de wetgeschiedenis kennelijk mede gericht op bescherming van de toegelaten aanbieders tegen ondeskundige en/of malafide concurrenten met als achtergrond dat een negatief imago van de financiële markten schadelijk is voor een goed functionerende economie en daarmee het algemeen belang schaadt. Deze bredere doelstelling van de WCK-oud volgt ook uit de parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel financiële dienstverlening. Zie hiervoor kamerstukken II 2003-2004, 29 507, nr. 3, par. 2, waarin onder meer wordt opgemerkt dat de zorgvuldige behandeling van de consument tevens bijdraagt aan ordelijke en transparante marktprocessen en een beter functionerende economie en dat de WCK al tot op zekere hoogte bijdraagt aan een effectieve bescherming van de consument.

Hierbij is verder in aanmerking genomen dat het kredietdeel van de overeenkomst in onverbrekelijk verband staat met de rest van de overeenkomst, aangezien door middel van het ter beschikking gestelde bedrag de desbetreffende aandelen zijn “geleasd” (art. 3:41 BW).

4.14. De rechtbank ziet geen aanleiding om te anticiperen op het per 1 januari 2007 in werking getreden art. 1:23 Wet op het financieel toezicht, dat luidt:

De rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens deze wet gestelde regels is niet uit dien hoofde aantastbaar, behalve voorzover in deze wet anders is bepaald.

Uit de parlementaire stukken blijkt dat deze bepaling is ingevoerd omdat in de wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur geen eenduidigheid bestaat over de vraag of de financiële toezichtswetgeving de strekking heeft om ermee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (kamerstukken II 2005-2006, 29 708, nr. 19, blz. 390-394).

4.15. Als gevolg van de nietigheid van de overeenkomst is de rechtsgrond die ten grondslag lag aan de wederzijds verrichte prestaties, (met terugwerkende kracht) daaraan komen te ontvallen. Hetgeen ter uitvoering van de overeenkomst is betaald, dient als onverschuldigd in beginsel te worden terugbetaald (art. 6:203 lid 1 BW). Het uitgangspunt hierbij is dat beide partijen (financieel) hersteld dienen te worden in de situatie waarin zij zich bevonden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Die overeenkomst bestaat uit het door Dexia ter beschikking stellen van een geldsom tegen rente aan [gedaagde] en het door Dexia verwerven van bepaalde aandelen ter waarde van die geldsom ten behoeve van [gedaagde], waarbij partijen hebben afgesproken dat koersfluctuaties voor rekening van [gedaagde] komen. Dit uitgangspunt brengt in beginsel met zich mee dat de aangekochte aandelen voor rekening van Dexia blijven en dat Dexia niets te vorderen heeft van [gedaagde], nu de aankoopprijs van de aandelen gelijk is aan de ter beschikking gestelde geldsom. Voorts dient Dexia de door [gedaagde] betaalde rente in beginsel als onverschuldigd aan deze terug te betalen.

In dit geval is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (art. 6:2 lid 2 BW) dat de overeenkomst met terugwerkende kracht geheel ten nadele van Dexia teniet wordt gedaan. Immers, aannemelijk is dat de nietigheid van de overeenkomst in rechte niet aan de orde zou zijn gekomen, indien de waarde van de aandelen ten tijde van het expireren van de overeenkomst groter zou zijn geweest dan de ter beschikking gestelde geldsom.

Gelet hierop, in het licht van art. 6:278 lid 2 BW, zal iedere partij de helft van de restschuld verminderd met de helft van de door [gedaagde] betaalde rentetermijnen, dienen te dragen.

4.16. Dit betekent dat in conventie de helft van de restschuld (€ 6.802,38) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf het intreden van het verzuim, toewijsbaar is. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen, daar de betreffende werkzaamheden betrekking hebben op een stellingname op basis van een nietige overeenkomst.

4.17. In reconventie is de helft van de betaalde rentetermijnen (€ 2.046,96) toewijsbaar met de rente vanaf de data van de betaling van de maandtermijnen. De rechtbank ziet geen aanleiding, zoals gevorderd, de zaak voor wat betreft de reconventionele vordering te verwijzen naar de schadestaat.

4.18. De overige naar voren gebrachte stellingen en gevoerde verweren behoeven met het oog op de nietigheid van de overeenkomst en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank geen bespreking. Uit voorgaande volgt dat het in conventie en reconventie meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

4.19. In conventie zal de rente worden toegewezen vanaf 20 augustus 2003, namelijk de datum vanaf wanneer Dexia in de brief van 15 augustus 2003 (r.ov. 2.5) bij niet tijdige betaling aanspraak maakt op rente. Nu sprake is van een nietige overeenkomst zal de wettelijke en niet de contractuele rente worden toegewezen.

4.20. De verbindendverklaring van de zogenaamde Duisenbergregeling door het Gerechtshof te Amsterdam in zijn arrest van 25 januari 2007, LJN: AZ7033 leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat deze regeling een ander doel en strekking heeft dan de toepassing van art. 6:2 lid 2 BW en [gedaagde] daarop geen aanspraak maakt.

4.21. Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en reconventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Dexia te betalen een bedrag van EUR 6.802,38 (zesduizendachthonderdentwee euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 20 augustus 2003 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.5. veroordeelt Dexia om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van EUR 2.046,96 (tweeduizendzesenveertig euro en zesennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag telkens vanaf de data van de betaling van de maandtermijnen,

5.6. verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar, mr. M.P.C.J. van Bavel en mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2007.