Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5018

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
157845
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Plaats waar het schadebrengende ffeit zich heeft voorgedaan.

Eiser heeft er voor kunnen kiezen om zijn vordering in te stellen bij deze rechtbank. Zoals hij terecht stelt zijn de publicaties in de Volkskrant, het Eindhovens Dagblad en op de verschillende websites immers in het hele land, en dus ook in het arrondissement Arnhem, te raadplegen. De publicaties zijn derhalve ook hier verspreid en ter kennis van het publiek gekomen. Eiser heeft voorts onbetwist gesteld dat hij in dit arrondissement in zijn eer en goede naam is aangetast. Het arrondissement Arnhem kan dus worden aangemerkt als plaats waar de schade is ingetreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 157845 / HA ZA 07-1111

Vonnis in incident van 26 september 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

procureur mr. F.J. Boom,

advocaat mr. A.C. van der Bent te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RENE CLERCX MANAGEMENT B.V.,

gevestigd te Helmond,

gedaagde,

eiseres in het incident,

procureur mr. J.M. [gedaagde 2]nak,

advocaat mr. H.A.A. Voermans te Eindhoven,

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het incident,

procureur mr. L. Paulus,

Partijen zullen hierna [eiser], Clercx en [gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de akte overlegging producties van [eiser]

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens conclusie van antwoord van

Clercx

- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring tevens conclusie van antwoord met

producties van [gedaagde 2]

- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft tot 2005 als advocaat deel uitgemaakt van de maatschap Huizinga [eiser] Vermunt Brands Advocaten te Arnhem. [gedaagde 2] is advocaat te Amsterdam en heeft in die hoedanigheid in verscheidene procedures opgetreden voor Clercx.

2.2. Clercx heeft [eiser] en vijf andere (rechts)personen gedagvaard in een procedure bij de rechtbank te Arnhem, ter zake van een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie danwel onrechtmatige daad. Deze wanprestatie c.q. onrechtmatige daad bestaat er volgens Clercx ten aanzien van [eiser] - kort gezegd - in dat T.P.C. International B.V. (hierna: TPC) haar vermogen ondeugdelijk heeft beheerd en dat zowel de heer [XXX] (hierna: [XXX]), als bestuurder en (indirect) aandeelhouder van TPC, als [eiser], die als advocaat werkzaamheden voor deze vennootschap heeft verricht, hiervoor aansprakelijk is. [gedaagde 2] heeft Clercx in die procedure bijgestaan.

2.3. Bij vonnis van 24 januari 2007 heeft de rechtbank de vordering van Clercx tegen [eiser] afgewezen. Clercx is tegen deze uitspraak in beroep gegaan.

2.4. Op 14 september, 16 september, 5 oktober en 3 december 2005 en op 26 juli 2006 zijn in de Volkskrant artikelen verschenen over voormelde zaak, geschreven door verslaggever [XXX]. In het artikel van 14 september 2005 staat onder meer:

“De vele petten van [XXX] en [eiser]

(…) Advocaat Thijs [eiser] heeft – zo blijkt uit brieven aan klanten – de derde-geldenrekening van zijn Arnhemse advocaten kantoor gebruikt om geld van investeerders tijdelijk te stallen, voordat het wordt doorgeschoven naar aan [XXX] gelieerde bedrijven. (…).”

In het artikel van 26 juli 2006 staat onder meer:

“(…) Dertien boze beleggers hebben dinsdag aangifte gedaan tegen hun vermogensbeheerder Wilfred [XXX] en tegen zijn advocaat en zakenpartner Thijs [eiser]. De beleggers verwijten het tweetal dat zij aan het hoofd staan van een criminele organisatie die miljoenen euro’s heeft weggesluisd naar onder meer Zwitserland en China. (…).”

2.5. Tevens is op 27 juli 2006 een artikel verschenen in het Eindhovens Dagblad.

Hierin staat onder meer:

“(…) Advocaat [gedaagde 2] zegt dat de vordering van de 13 beleggers op [eiser] en [XXX] in totaal zo’n 6 miljoen euro bedraagt. Civiele procedures lopen al, maar [gedaagde 2] is ook van mening dat [XXX] en [eiser] een criminele organisatie leiden. ‘Daarom moet eveneens het strafrechtelijke circuit worden bewandeld. Vermogensbeheerder [XXX] opereerde samen met [eiser] enorm charmant. Zodanig dat mensen er met open ogen in zijn getuind. Waarom ze zo’n groot deel van hun vermogen aan de heren hebben gegeven? Tja, in de Donald Duck hebben de Zware Jongens een streepjespak aan. In het dagelijks leven zijn ze soms niet te herkennen.’(…).”

2.6. Op de website van het kantoor van [gedaagde 2] zijn onder andere de artikelen uit de Volkskrant van 14 september en 3 december 2005 te lezen.

2.7. [eiser] is per 1 november 2005 uit de advocatenmaatschap te Arnhem getreden.

In oktober 2006 heeft hij zijn inschrijving als advocaat op het tableau laten doorhalen.

2.8. [eiser] heeft op 28 februari 2007 conservatoir derdenbeslag laten leggen ten laste van Clercx onder L.C.A. Management B.V. te Steijl (hierna: LCA). Voorts heeft [eiser] aangegeven naar verwachting nog beslag te zullen gaan leggen ten laste van Clercx onder Trawsfynnid B.V. te Venlo (hierna: Trawsfynnid).

3. Het geschil

In de hoofdzaak

3.1. [eiser] vordert de hoofdelijke veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van

Clercx en [gedaagde 2] tot betaling van door hem geleden inkomensschade, nader op te maken bij Staat, alsmede een bedrag van € 10.000,- ter zake van immateriële schade en de kosten van het conservatoir beslag. Voorts vordert hij de veroordeling van Clercx en [gedaagde 2] in de kosten van de procedure, het nasalaris van de procureur daaronder begrepen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis.

3.2. [eiser] stelt hiertoe dat hij schade heeft geleden door de genoemde artikelen.

Als gevolg van de artikelen heeft hij zich immers genoodzaakt gezien terug te treden uit de advocatenmaatschap waaraan hij was verbonden en zijn praktijk als advocaat (voorlopig) neer te leggen. Hierdoor heeft hij inkomensschade geleden. Voorts heeft hij immateriële schade geleden wegens aantasting in zijn eer en goede naam.

3.3. [eiser] acht [gedaagde 2] aansprakelijk voor deze schade nu [gedaagde 2] de publiciteit heeft gezocht en zeer stellige en uiterst kwalijke uitspraken heeft gedaan over [eiser], die niet door feiten worden gestaafd. Hierdoor is de (financiële) onkreukbaarheid van [eiser] als advocaat ten onrechte ter discussie gesteld. [eiser] acht het aannemelijk dat de in de artikelen gepresenteerde ‘feiten’ aan de journalist ter hand zijn gesteld door Clercx, door tussenkomst van [gedaagde 2], nu deze ‘feiten’ sterke overeenkomsten bevatten met die welke namens Clercx zijn gepresenteerd in de gerechtelijke procedure. Volgens [eiser] kan de inhoud van de gewraakte artikelen daarom aan [gedaagde 2] en Clercx worden toegeschreven. [eiser] stelt dat [gedaagde 2] met zijn uitspraken de grenzen van de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid heeft overschreden en daarmee onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Alle omstandigheden in aanmerking nemende, had [gedaagde 2] immers het belang van [eiser] dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen, zwaarder moeten laten wegen dan zijn eigen belang dat hij zich in de procedure moet kunnen uitlaten ter onderbouwing van het standpunt van zijn cliënt.

Clercx is volgens [eiser] mede-aansprakelijk, nu haar naam meerdere malen expliciet in de artikelen is genoemd en [gedaagde 2] optrad als haar raadsman of vertegenwoordiger, al dan niet ter uitvoering van een im- of expliciete opdracht van Clercx. De uitlatingen van [gedaagde 2] dienen dan ook tevens aan Clercx te worden toegerekend, aldus [eiser].

3.4. Clercx en [gedaagde 2] hebben de vordering gemotiveerd weersproken.

In het incident

3.5. Clercx en [gedaagde 2] vorderen dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de rechtbank te Amsterdam. Zij stellen hiertoe dat nu de vermeende uitlatingen door [gedaagde 2] zijn gedaan op zijn kantoor in Amsterdam en op de rechtbank te Roermond, die rechtbanken op grond van artikel 102 Rv. bevoegd zijn om van de vordering kennis te nemen. Daarnaast is de rechtbank Alkmaar bevoegd, op basis van de woonplaats van [gedaagde 2], danwel de rechtbank te Den [gedaagde 2]ch, als vestigingsplaats van Clercx.

3.6. [eiser] voert verweer en stelt dat de schade niet zozeer is ontstaan door het doen van uitspraken van [gedaagde 2] ten overstaan van journalisten in Amsterdam en Roermond, als wel door de publicatie van die uitspraken in (onder meer) landelijke dagbladen. Van deze uitspraken kon daardoor in het gehele land, waaronder Arnhem, worden kennisgenomen door het publiek. Ook de websites van de desbetreffende dagbladen en van het kantoor van [gedaagde 2] zijn vanuit het gehele land, dus ook vanuit Arnhem, te raadplegen. Het schadebrengend feit heeft zich derhalve (mede) voorgedaan in het arrondissement Arnhem, aldus [eiser].

4. De beoordeling in het incident

4.1. [eiser] heeft alleen een conclusie van antwoord in het incident genomen in de zaak tegen [gedaagde 2]. Nu de incidentele conclusie van Clercx echter qua inhoud nagenoeg gelijk is aan die van [gedaagde 2], zal de rechtbank het er voor houden dat de stellingen van [eiser] ook gelden ten aanzien van exceptie van onbevoegdheid die door Clercx is opgeworpen.

4.2. Ingevolge de hoofdregel van artikel 99 Rv. is de rechter van de woon- of werkelijke verblijfplaats van de gedaagde de bevoegde rechter. Op grond van artikel 102 Rv. is in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad mede bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Laatstgenoemde regel is ontleend aan artikel 5 sub 3 van de EEX-Verordening.

Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie (arrest Bier, HvJEG 30 november 1976, zaak 21/76) moet de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ zo worden uitgelegd dat hieronder zowel de plaats waar de schade is ingetreden, als de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis moet worden verstaan. Gedaagde kan ter keuze worden opgeroepen voor de rechter van één van deze plaatsen.

Het vorenstaande geldt zowel voor materiële schade als voor andere dan vermogensschade, zoals schade als gevolg van de aantasting van eer en goede naam van een natuurlijk persoon of rechtspersoon door een beledigende publicatie.

4.3. Een analoge toepassing van de regels die zijn ontwikkeld in de jurisprudentie van het Hof van Justitie ten aanzien van grensoverschrijdende persdelicten (HvJEG 7 maart 1995, NJ 1996, 269) brengt mee dat, naast de rechter van de woonplaats van gedaagde, ook bevoegd is de rechter van de plaats van vestiging van de uitgever van de publicatie - voor zover dit de plaats is waar het schadebrengende feit zijn oorsprong vindt en vanwaar de belediging is geuit en in omloop is gebracht - (de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis) en tevens de rechter van de plaats waar de publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn eer en goede naam te zijn aangetast (de plaats waar de schade is ingetreden).

4.4. Ten aanzien van de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden heeft het Hof van Justitie voorts overwogen dat de keuzebevoegdheid van artikel 5 sub 3 EEX-Verordening berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en die rechter, omdat die rechter in de beste positie verkeert om te beoordelen of de goede naam van de gelaedeerde aldaar is aangetast en welke omvang de schade heeft.

De bevoegdheid van deze rechter wordt met andere woorden gerechtvaardigd door de eisen van een goede rechtsbedeling en een nuttige procesinrichting.

4.5. Gelet op het vorenstaande heeft [eiser] er voor kunnen kiezen om zijn vordering in te stellen bij deze rechtbank. Zoals hij terecht stelt zijn de publicaties in de Volkskrant, het Eindhovens Dagblad en op de verschillende websites immers in het hele land, en dus ook in het arrondissement Arnhem, te raadplegen. De publicaties zijn derhalve ook hier verspreid en ter kennis van het publiek gekomen. [eiser] heeft voorts onbetwist gesteld dat hij in dit arrondissement in zijn eer en goede naam is aangetast. Het arrondissement Arnhem kan dus worden aangemerkt als plaats waar de schade is ingetreden.

Nu [eiser] bovendien zijn woonplaats heeft in dit arrondissement en er kennelijk ten tijde van de eerste publicaties als advocaat kantoor hield, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de aangezochte rechter, omdat [eiser] in de praktijk voornamelijk last zal ondervinden van de negatieve gevolgen van de publicaties in (de omgeving van) zijn woon- en arbeidsplaats.

4.6. De rechtbank acht zich op grond van het vorenstaande dan ook bevoegd om van de vordering kennis te nemen. De incidentele vorderingen zullen worden afgewezen.

4.7. Clercx en [gedaagde 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. De beoordeling in de hoofdzaak

5.1. De rechtbank zal een comparitie van partijen bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Daarbij kan de mogelijkheid van doorverwijzing naar een mediator aan de orde komen.

5.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

5.3. De partijen wordt verzocht de stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen, uiterlijk twee weken tevoren in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toe te zenden.

5.4. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1. wijst het gevorderde af,

6.2. veroordeelt Clercx en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander daarvan zal zijn bevrijd, in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 452,00,

in de hoofdzaak

6.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.C. Verra in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

6.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 oktober 2007 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2007 tot en met januari 2008, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

6.5. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

6.6. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

6.7. wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

6.8. bepaalt dat [eiser] en [gedaagde 2] dan in persoon aanwezig moeten zijn en dat Clercx dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

6.9. verzoekt de tijdige toezending van de stukken.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Verra en in het openbaar uitgesproken op 26 september 2007.