Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB5015

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
158425
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Blijkens de wetsgeschiedenis en de bestaande jurisprudentie is een gedwongen overdracht van aandelen/uitstoting van een aandeelhouder een ver strekkende maatregel die alleen in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is. Geen van deze omstandigheden doen zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten deze voor.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 336
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/266 met annotatie van mr. C.D.J. Bulten
JIN 2007/600
RF 2007, 88
JRV 2007, 775
JOR 2007/266 met annotatie van mr. C.D.J. Bulten

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158425 / KG ZA 07-441

Vonnis in kort geding van 19 september 2007

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SABELSPOORT HOLDING B.V.,

gevestigd te Arnhem,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HERMES BEHEER B.V.,

gevestigd te Eersel,

eiseressen,

procureur mr. L. Paulus te Arnhem,

advocaat mr. H.K.P. Ex te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LAUDIJ BEHEER B.V.,

gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

procureur mr. F.J. Boom te Arnhem,

advocaat mr. E.M.C. Vandeberg te Utrecht.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk Sabelspoort c.s. genoemd worden en gedaagde Laudij.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijbehorende producties

- de door Laudij overgelegde producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Sabelspoort c.s.

- de pleitnota van Laudij.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 17 maart 1995 heeft de heer [naam bestuurder] in zijn hoedanigheid van bestuurder van de besloten vennootschap Sabelspoort Holding B.V. (eiseres sub 1) de besloten vennootschap [naam bestuurder] Risk Management & Insurance Consultancy te Arnhem, hierna GRMIC te noemen, opgericht. Partijen zijn elk aandeelhouder en directeur van GRMIC.

Eiseres sub 1 (vertegenwoordigd door [naam bestuurder] voornoemd) houdt 80% van de aandelen en eiseres sub 2 (vertegenwoordigd door de heer [XXX]) en Laudij (gedaagde) (vertegenwoordigd door de heer [XXX]) elk 10%.

Laudij heeft die aandelen gekocht op 1 oktober 2003 en daarvoor een prijs van € 137.950,-- betaald middels een door eiseres sub 1 aan Laudij verstrekte geldlening.

2.2. In de statuten van GRMIC is een blokkeringregeling opgenomen met betrekking tot (eventuele) overdracht van de aandelen door (een van) de aandeelhouders. Voor dat geval bevat artikel 9, lid 3 wat betreft de (wijze van) waardebepaling van de aandelen

(onder meer) de navolgende bepaling:

“(…) De prijs zal, tenzij de aandeelhouders in onderling overleg anders overeenkomen, worden vastgesteld door een of meer onafhankelijk deskundigen, die door de aandeelhouders in gemeenschappelijk overleg zullen worden benoemd. Komen aandeelhouders hieromtrent binnen dertig dagen na ontvangst van de in lid 5 van dit artikel bedoelde kennisgeving van het aanbod niet tot overeenstemming, dan zal de meest gerede partij aan de Kantonrechter, binnen wiens kanton de vennootschap haar zetel heeft, de benoeming van drie onafhankelijke deskundigen verzoeken.”

2.3. Op 1 oktober 2003 zijn er tussen GRMIC enerzijds en elk van partijen anderzijds (nagenoeg) gelijkluidende managementovereenkomsten gesloten. Het (telkens) daarin opgenomen artikel 3, lid bepaalt dat de overeenkomst door ieder van partijen kan worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste 3 maanden.

Bij aangetekend schrijven van 21 februari 2007 heeft Laudij de met haar gesloten managementovereenkomst opgezegd met ingang van 1 juni 2007.

2.4. Bij brief van 18 juni 2007 heeft de advocaat van Sabelspoort c.s. aan Laudij verzocht en haar voor zover nodig gesommeerd om de door haar gehouden aandelen in GRMIC aan Sabelspoort c.s. te koop aan te bieden onder de voorwaarde dat de waarde daarvan conform (het onder 2.2. geciteerde) artikel 9 lid 3 van de statuten van GRMIC zal worden bepaald. De externe accountant van Sabelspoort c.s., Accountantskantoor Van Buuren, heeft die waarde op € 37.650,-- vastgesteld, zijnde 10% van de totale waarde van het aandelenpakket van GRMIC ad € 376.540,-- per 31 december 2006.

Laudij heeft aan dat verzoek en die sommatie tot op heden geen gevolg gegeven.

Bij brief van haar advocaat van 22 juni 2007 heeft zij aan Sabelspoort c.s. (onder meer) te kennen gegeven dat zij niet bereid is haar aandelen tegen de voorgestelde koopprijs van

€ 37.650,-- aan Sabelspoort c.s. te verkopen.

2.5. Bij dagvaarding van 10 juli 2007 heeft Laudij GRMIC in rechte betrokken en (onder meer) betaling gevorderd van een schadevergoeding van één jaar managementfee ad

€ 90.000,--, exclusief BTW. Hierop is nog niet beslist.

3. Het geschil

3.1. Sabelspoort c.s. stellen zich op het standpunt dat Laudij verplicht is haar aandelen in GRMIC aan hen over te dragen, nu de met GRMIC gesloten managementovereenkomst is beëindigd en die overeenkomst onlosmakelijk met het aandeelhouderschap is verbonden.

Het is volgens Sabelspoort c.s. uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen geweest dat de situatie zich zou kunnen voordoen dat een partner geen persoonlijke inbreng meer verricht maar wel aandeelhouder blijft. Ook de werking van de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in art. 2:8 BW brengt naar de mening van Sabelspoort c.s. de verplichting van Laudij mee dat zij haar aandelen in GRMIC overdraagt. Door de weigering om hieraan mee te werken schaadt Laudij volgens Sabelspoort c.s. bovendien de belangen van GRMIC.

3.2. Op grond van het vorenstaande vorderen Sabelspoort c.s. thans samengevat -:

a. (primair) Laudij te veroordelen tot medewerking aan de overdracht van haar aandelen in GRMIC aan Sabelspoort c.s. voor de koopprijs van € 37.500,--

b. (subsidiair) de benoeming van drie onafhankelijke deskundigen conform art. 9.3 van de statuten van GRMIC met bepaling dat die deskundigen binnen twee maanden de koopprijs van het aandelenpakket zullen vaststellen en gerechtigd zullen zijn tot inzage van alle boeken en bescheiden en tot het verkrijgen van alle daartoe benodigde inlichtingen en dat partijen ieder voor de helft de kosten van die deskundigen zullen dragen,

c. (subsidiair) Laudij in het onder b. genoemde geval te veroordelen om haar aandelen in GRMIC binnen twee weken na vaststelling van de koopprijs door de deskundigen voor die prijs in eigendom aan Sabelspoort c.s. over te dragen en haar medewerking aan het tot stand brengen van die overdracht te verlenen,

d. Laudij te verbieden het stemrecht op de betrokken aandelen nog uit te oefenen.

Het onder a., c. en d. is gevorderd op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Sabelspoort c.s. stellen een spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen te hebben, omdat door Laudij’s gedragingen de continuïteit van GRMIC ernstig in gevaar wordt gebracht.

3.3. Laudij voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Voorop gesteld wordt dat in de statuten van GRMIC een bepaling ontbreekt die een aandeelhouder/ tevens bestuurder van GRMIC verplicht om na beëindiging van zijn bestuurderschap zijn aandelen aan de overige aandeelhouders aan te bieden.

Artikel 9 van de statuten bevat weliswaar een bijzondere aanbiedingsplicht van de aandelen, indien een aandeelhouder zijn aandelen wil vervreemden, maar die bepaling is niet van toepassing op de onderhavige situatie waarin die aandeelhouder ontslag neemt als bestuurder. Weliswaar stellen Sabelspoort c.s. dat het de bedoeling van partijen is geweest dat een dergelijke aanbiedingsplicht ook in het laatste geval zou gelden, maar nu dit uitdrukkelijk door Laudij wordt betwist, kan niet tot een contractuele gebondenheid worden beslist, waarbij komt dat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van Sabelspoort c.s. had gelegen om die verplichting uitdrukkelijk in de statuten op te nemen. Dat is niet het geval. Dat betekent dat de vordering tot overdracht van de aandelen niet op de statuten kan worden gebaseerd.

4.2. Artikel 2:336, lid 1 BW bepaalt dat een aandeelhouder gedwongen kan worden zijn aandelen over te dragen aan zijn mede aandeelhouder(s), indien door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig wordt geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld. Voor de beantwoording van de vraag of daarvan hier sprake is, is het volgende van belang.

4.3. Blijkens de wetsgeschiedenis en de bestaande jurisprudentie is een gedwongen overdracht van aandelen/uitstoting van een aandeelhouder een ver strekkende maatregel die alleen in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld wanneer door de (min of meer voortdurende) gedragingen van een aandeelhouder in zijn hoedanigheid van aandeelhouder het functioneren en het voortbestaan van de vennootschap in gevaar worden gebracht, de werkgelegenheid van werknemers dreigt weg te vallen of een impasse moet worden doorbroken. Geen van deze omstandigheden doen zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten deze voor. De (enkele) opzegging van de managementovereenkomst door Laudij, hoe hard en onverwacht deze bij de overige aandeelhouders/bestuurders van GRMIC (kennelijk) ook is aangekomen, is daarvoor onvoldoende, temeer nu die opzegging met inachtneming van de geldende opzegtermijn is geschied. Evenmin kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter het (enkel) in bezit hebben/ houden van 10% van de aandelen in GRMIC door Laudij en haar weigering tot nu toe om die aandelen vrijwillig tegen de door Sabelspoort c.s. gewenste prijs aan de overige aandeelhouders van GRMIC over te dragen, als handelingen/gedragingen worden aangemerkt die het belang van de vennootschap schaden in de zin van meergenoemd wetsartikel en kunnen dus (ook) niet als grondslag(en) dienen voor een gedwongen aandelenoverdracht op de voet van genoemde bepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat Laudij slechts 10% van de aandelen in GRMIC bezit en Sabelspoort c.s. de resterende 90%, zodat de besluitvorming in/omtrent GRMIC in alle opzichten ongestoord kan plaatsvinden en er voorshands geen sprake van kan zijn dat die besluitvorming door toedoen van Laudij hinderlijk wordt vertraagd of verlamd.

Dat Laudij andere handelingen of gedragingen heeft verricht waardoor de bedrijfsvoering van GRMIC ernstig wordt geschaad, is gesteld noch gebleken.

4.4. Sabelspoort c.s. beroepen zich voorts op de werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 2:8 BW. Dat beroep wordt verworpen. Nu voor het onderhavige geval een specifieke bepaling in de wet is opgenomen, kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden een beroep op voormeld artikel worden gedaan.

Die omstandigheden zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter hier niet aanwezig. Anders dan Sabelspoort c.s. menen valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom Sabelspoort c.s. geen nieuwe partners zouden kunnen aantrekken zolang Laudij haar aandelen in GRMIC vasthoudt; zij kunnen immers nieuwe aandelen uitgeven of een nieuwe bestuurder benoemen. Evenmin valt een zodanige omstandigheid af te leiden uit het (enkele) feit dat Laudij recht heeft op dividenduitkering zonder dat zij nog werkzaamheden voor GRMIC verricht, hetgeen volgens Sabelspoort c.s. demotiverend werkt voor de overige aandeelhouders/bestuurders van GRMIC. Dat recht volgt nu eenmaal uit het aandeelhouderschap en staat los van het feit dat Laudij haar werkzaamheden voor GRMIC heeft beëindigd.

4.5. Al het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Laudij niet kan worden verplicht om haar aandelen in GRMIC aan Sabelspoort c.s. over te dragen, nog daargelaten de vraag voor welke prijs dat zou moeten geschieden (waarover partijen het niet eens zijn) en of Sabelspoort c.s. wel een spoedeisend belang bij die overdracht hebben.

De daartoe strekkende vordering (onder 3.2.a.) moet daarom worden afgewezen.

De afwezigheid van die aanbiedingsplicht en het ontbreken van een voldoende belang bij uitstoting van Laudij als aandeelhouder leiden er tevens toe dat de subsidiaire vorderingen (hiervoor onder 3.2.b. en 3.2.c. omschreven) eveneens moeten worden afgewezen.

Tot slot is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het onder 4.3. (laatste alinea) overwogene geen aanleiding om Laudij te verbieden het stemrecht op haar aandelen uit te oefenen. De daartoe strekkende, onder 3.2.d. weergegeven vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.6. Sabelspoort c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Laudij worden begroot op:

- vast recht € 251,--

- salaris procureur 816,--

Totaal € 1.067,--

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt Sabelspoort c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Laudij tot op heden begroot op € 1.067,--,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Wouters op 19 september 2007.