Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB4848

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
AWB 06/6493
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

Geen schending motiveringsbeginsel. Voor aftrek uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar dient rekening te worden gehouden met eigen inkomsten van de kinderen. Geen sprake van een bijzondere omstandigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/106
FutD 2007-2323

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/6493

Uitspraakdatum: 4 juli 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

gemachtigde [.],

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [.]) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 36.047.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 november 2006 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 30 november 2006, ontvangen bij de rechtbank op

4 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2007 te Arnhem. Eiser en zijn gemachtigde zijn daar -hoewel op de juiste wijze opgeroepen- niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [.].

2. Feiten

In 2004 woont eiser tezamen met zijn partner en twee kinderen ([R], geboren 16 februari 1983 en [K], geboren 9 november 1984) aan de [.] te [Z].

Eiser heeft over het jaar 2004 aangifte IB/PVV gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.087. In deze aangifte heeft eiser een bedrag van € 3.960 geclaimd voor aftrek wegens uitgaven levensonderhoud van kinderen. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

1e kwartaal 2e kwartaal 3e kwartaal 4e kwartaal totaal

[R] € 660 € 660 € 660 € 660 € 2.640

[K] € 660 € 660 - - € 1.320

Totaal aftrekbedrag € 3.960

In 2004 heeft eisers zoon, [R], een brutoloon genoten van € 15.360. De zoon [K] genoot over de periode 1 januari 2004 tot en met 31 augustus 2004 een brutoloon van € 7.837. Vanaf 1 september 2004 ontving hij studiefinanciering.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op de in 2004 genoten inkomens van zijn kinderen, over 2004 ten onrechte aftrek voor uitgaven levensonderhoud van kinderen heeft geclaimd. Bij de aanslagregeling heeft verweerder derhalve de volgende correctie toegepast:

Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens aangifte € 32.087

Bij: aftrek uitgaven levensonderhoud kinderen € 3.960

Nader vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 36.047

Dienovereenkomstig is, met dagtekening 18 augustus 2006, aan eiser de aanslag IB/PVV 2004 opgelegd.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of:

1- verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden;

2- eiser recht heeft op aftrek van uitgaven voor kosten levenonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar.

De voormelde vragen worden door eiser bevestigend en door verweerder ontkennend beantwoord.

4. Beoordeling van het geschil

1. Schending motiveringsbeginsel

Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte de uitspraak op bezwaar niet heeft gemotiveerd. De uitspraak zou niet de rechtsgronden bevatten op basis waarvan deze uitspraak is genomen. Voorts heeft eiser aangegeven dat verweerder hem bij brief van 10 november 2006 tot 27 december 2006 de tijd heeft gegeven om te reageren. Desondanks is op 28 november 2006 de uitspraak op bezwaar gedaan.

In de uitspraak op bezwaar verwijst verweerder voor een nadere motivering naar zijn brief van 10 november 2006. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze brief voldoende gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij voornemens is om het bezwaarschrift af te wijzen. Van een schending van het motiveringsbeginsel kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake zijn. Ook kan eisers stelling, inhoudende dat verweerder bij de uitspraak op bezwaar ten onrechte de reactietermijn van 27 december 2006 niet zou hebben afgewacht, niet baten. Immers, er is geen sprake van een reactietermijn tot 27 december 2006. In verweerders brief van 10 november 2006 staat expliciet vermeld dat eiser tot 21 november 2006 schriftelijk kan reageren. Eiser heeft niet van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Eisers beroep faalt in zoverre.

2. Aftrek uitgaven voor levensonderhoud kinderen

Eiser heeft gesteld dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de uitgaven van levensonderhoud voor kinderen in de zin van artikel 6.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) juncto artikel 36, tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: Uitvoeringsregeling). Primair betoogt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het eigen inkomen van de kinderen van belang is voor de vraag of eiser in 2004 recht heeft op de aftrek. Subsidiair is eiser van mening dat de hoogte van het inkomen van de kinderen niet voldoende is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Daarbij wijst eiser erop de inkomens van de kinderen onder het minimumloon liggen van € 1.300,80 per maand.

Artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 bepaalt dat persoonsgebonden aftrek het gezamenlijke bedrag is van de in het kalenderjaar op de belastingplichtige drukkende kosten. Blijkens het tweede lid, aanhef, onderdeel c, van artikel 6.1. van de Wet IB 2001 zijn uitgaven voor levensonderhoud van kinderen persoonsgebonden aftrekposten. Het derde lid van artikel 6.1. van de Wet IB 2001 bepaalt -voor zover van belang- dat uitgaven voor levensonderhoud van kinderen in aanmerking worden genomen voorzover de belastingplichtige zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven.

Ingevolge artikel 6.13 van de Wet IB 2001 gaat het, voor zover hier van belang, om uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.

Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder ten onrechte rekening heeft gehouden met het eigen inkomen van zijn kinderen overweegt de rechtbank als volgt. Bij levensonderhoud gaat het om datgene wat nodig is om de ondersteunde in staat te stellen tot het voeren van een redelijk bestaan overeenkomstig zijn plaats in de samenleving. De uitkeringen moeten in een daadwerkelijke behoefte van de ondersteunde persoon voorzien, waarbij de behoefte van de ondersteunde wordt afgemeten naar diens plaats in de samenleving, diens eigen inkomsten of mogelijkheden om zelf inkomen te verwerven en diens vermogen (HR 6 december 1945, B. nr. 8008). Uit het voormelde arrest van de Hoge Raad volgt dat de inkomsten van het kind in beginsel meetellen voor de vraag of wordt voorzien in de behoefte van het kind en of het kind in belangrijke mate door de ouders wordt onderhouden. Dit kan slechts anders zijn als sprake is van een bijzondere omstandigheid.

De rechtbank overweegt dat eisers thuiswonende kinderen in het onderhavige jaar een zodanig inkomen hadden dat zij, naar objectieve maatstaven beoordeeld, geen behoefte meer hadden. Dit heeft tot gevolg dat eiser zich redelijkerwijs niet gedrongen heeft kunnen voelen om zijn kinderen financieel te ondersteunen. Daarbij kan eisers stelling, inhoudende dat de inkomens van de kinderen beneden het wettelijk minimum liggen, niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de genoten inkomens van de kinderen boven de daarvoor geldende wettelijke grenzen liggen. Immers, het minimumloon bedraagt in 2004 voor 19-jarigen € 664 bruto per maand. Voor 20-jarigen en 21-jarigen bedraagt dit respectievelijk € 777,85 en € 917,00 bruto per maand. Reeds hierom kan eisers stelling niet worden gevolgd.

Voorts oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat er in dit geval sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan aanleiding bestaat om geen rekening te houden met de inkomsten van de kinderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in eisers situatie dan ook terecht rekening gehouden met het eigen inkomen van de kinderen en bestaat hierdoor geen recht op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud. Het beroep van eiser dient ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door

mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier, op 4 juli 2007

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.