Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB4820

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2007
Datum publicatie
04-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/2560 OB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verhuur van aanhangwagens aan Poolse onderneming. Waar is plaats van dienst gelegen? Definitie begrip vervoermiddel. Aanhangwagen is vervoermiddel, derhalve dienst in casu in Nederland verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 1936
FutD 2007-1898
V-N 2008/5.20

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 06/2560 OB

Uitspraakdatum: 4 september 2007

Uitspraak als bedoeld in artikel 8.77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X BV],

gevestigd te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P],

verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 27 oktober 2005 over het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2005 een naheffingsaanslag ([aanslagnummer]) omzetbelasting opgelegd van € 20.520, alsmede bij beschikking een boete van € 2.052.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 24 maart 2006 de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 april 2006, ontvangen bij de rechtbank op

25 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2007 te Arnhem.

Eiseres is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [A].

2. Feiten

Eiseres verhuurt vanaf 1 januari 2003 aanhangwagens aan een Poolse onderneming. Eiseres heeft aan deze Poolse onderneming in het tijdvak van naheffing € 108.000 in rekening gebracht voor de verhuur van de aanhangwagens. Over de gefactureerde verhuur is geen BTW in rekening gebracht. Eiseres heeft op haar aangiften omzetbelasting deze prestaties verwerkt als intracommunautaire leveringen waarover in Nederland geen omzetbelasting is verschuldigd.

Verweerder heeft, zich op het standpunt stellend dat het in Nederland belaste prestaties betreft, een naheffingsaanslag opgelegd van € 20.520 (19% van € 108.000). Tevens heeft hij een verzuimboete van 10% opgelegd.

3. Geschil

In geschil is de vraag of verweerder aan eiseres terecht een naheffingsaanslag omzetbelasting heeft opgelegd omdat de dienst in Nederland wordt verricht. Meer in het bijzonder spitst het geschil zich toe op de vraag of een aanhangwagen een vervoermiddel is in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder letter d, ten zevende van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB). Voorts is de boete in geschil.

Het standpunt van eiseres komt er op neer dat de dienst wordt verricht in Polen. Voor wat betreft de boete stelt eiseres zich op het standpunt dat zij niet nalatig of onzorgvuldig is geweest en dat deze daarom ten onrechte is opgelegd.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van de verhuur van vervoermiddelen in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder letter d, ten zevende van de Wet OB zodat de dienst wordt verricht in Nederland. Voor wat betreft de boete is verweerder van mening dat geen sprake is van afwezigheid van alle schuld zodat de boete terecht is opgelegd.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Plaats van dienst, begrip vervoermiddel

In artikel 6, eerste lid, van de Wet OB is bepaald dat de plaats waar een dienst wordt verricht de plaats is waar de ondernemer die de dienst verricht, is gevestigd. In uitzondering op deze hoofdregel bepaalt artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, ten zevende, van de Wet OB dat de verhuur van roerende zaken aan een ondernemer, met uitzondering van vervoermiddelen wordt verricht daar waar degene aan wie de dienst wordt verleend, woont of is gevestigd dan wel een vaste inrichting heeft.

Vaststaat dat de aanhangwagens worden verhuurd. De rechtbank dient derhalve de vraag te beantwoorden of de verhuur van aanhangwagens kan worden aangemerkt als de verhuur van vervoermiddelen in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder d, ten zevende van de Wet OB.

De Wet OB geeft in artikel 2a, eerste lid, aanhef en onder f, een definitie van nieuwe vervoermiddelen. Naar het oordeel van de rechtbank is die definitie niet van toepassing op het begrip vervoermiddel zoals dit in artikel 6 van de Wet OB wordt gebruikt. De definitie in artikel 2a van de Wet OB heeft expliciet betrekking op “nieuwe” vervoermiddelen en is in de wet opgenomen in verband met het aan artikel 7 van de Wet OB toegevoegde zesde lid. De definitiebepaling heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend betrekking op nieuwe vervoermiddelen in de zin van artikel 7, zesde lid van de Wet OB en kan daarom niet worden gebruikt voor de uitleg van artikel 6 van de Wet OB.

De nationale bepalingen op het gebied van de omzetbelasting moeten richtlijnconform worden uitgelegd. Ook in de zesde richtlijn wordt de verhuur van alle vervoermiddelen uitgezonderd van de verhuur van roerende zaken (artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel e, achtste gedachtestreepje Zesde Richtlijn)

Het Raadgevend Comité voor de BTW heeft reeds in 2002 het standpunt ingenomen dat een aanhangwagen voor wat betreft de toepassing van voornoemde richtlijnbepaling als een vervoermiddel is te beschouwen. Dit standpunt is bevestigd in artikel 10 van de Verordening van 17 oktober 2005, nr. 1777/2005 welke op 1 juli 2006 in werking is getreden. Naar het oordeel van de rechtbank moet artikel 10 van de Verordening 1777/2005 worden beschouwd als een vastlegging van het eerder door het Raadgevend Comité ingenomen standpunt inzake het begrip vervoermiddel. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de aanhangwagens ook in de thans in geschil zijnde periode als vervoermiddel moeten worden aangemerkt.

De stelling van eiseres dat noch voor de wegenbelasting noch voor de WAM-verzekering een aanhangwagen als vervoermiddel wordt aangemerkt, maakt dit niet anders nu de Wet OB geen verwijzing naar deze regelingen bevat op grond waarvan de in die regelingen van toepassing zijnde definities ook voor de omzetbelasting van toepassing zouden zijn.

Gezien het voorgaande moet naar het oordeel van de rechtbank voor de bepaling van de plaats van dienst een aanhangwagen worden aangemerkt als een vervoermiddel. De plaats waar de dienst wordt verricht is derhalve de plaats waar eiseres is gevestigd, in casu Nederland. Verweerder heeft aan eiseres dan ook terecht een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd.

Vertrouwensbeginsel

Eiseres heeft haar standpunt mede gebaseerd op een verklaring afkomstig van Poolse belastingautoriteiten. Voor zover eiseres daarmee bedoelt een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Afgezien van het zich hier niet voordoende geval dat sprake is van een toezegging door de inspecteur dient voor een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel sprake te zijn van een handelen of nalaten van de inspecteur op grond waarvan bij belastingplichtige de indruk is gewekt dat zij ervan mocht uitgaan dat de plaats van dienst in Polen is. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit een dergelijk handelen of nalaten van verweerder blijkt. Het door eiseres overgelegde stuk, dat naar zij stelt afkomstig is van belastingautoriteiten in Polen, is niet afkomstig van verweerder en kan ook niet aan hem worden toegerekend. Afgezien daarvan is de dagtekening van dat stuk gelegen ruim na het aangiftetijdvak, is het onduidelijk van wie deze verklaring afkomstig is en op welke vraag die verklaring een reactie is. Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel.

Berekening naheffingsaanslag

Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 2 november 1983, BNB 1984/47 brengt een redelijke belastingheffing mee dat voor de toepassing van artikel 8 van de Wet OB ervan dient te worden uitgegaan dat de oorspronkelijke vergoeding de na te heffen omzetbelasting bevat. Dit heeft tot gevolg dat de naheffing niet € 20.520 moet bedragen maar € 17.243 (19/119 van € 108.000). Het beroep is derhalve in zoverre gegrond.

Boete

Verweerder heeft op grond van artikel 67c van de AWR een verzuimboete opgelegd van 10%. Voor een dergelijke verzuimboete geldt niet het vereiste dat aan de zijde van belastingplichtige sprake moet zijn van opzet of grove schuld, met dien verstande dat bij afwezigheid van alle schuld het opleggen daarvan achterwege behoort te blijven. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit de afwezigheid van alle schuld zou kunnen blijken. Afwezigheid van alle schuld acht de rechtbank in het voorliggende geval niet aanwezig. Van een bijzonder geval, waarin financiële omstandigheden nopen tot matiging van de boete is de rechtbank niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht een verzuimboete van 10% opgelegd. Gezien het feit dat de naheffingsaanslag wordt verminderd, dient de boete te worden verminderd tot een bedrag van € 1.724.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een bedrag van € 17.243 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

- vermindert de boete tot een bedrag van € 1.724 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 281 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 4 september 2007

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter,

mr. V.M. van Daalen-Mannaerts en mr. A.J.H. van Suilen, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.