Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB4643

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
AWB 06/5741
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking van een recht op bijstand en terugvordering van al uitbetaalde bijstand over een bepaalde periode. Volgens de rechtbank voerde eiser een gezamenlijke huishouding met zijn partner en heeft hij daarover onvoldoende informatie verschaft aan verweerder. Beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/5741

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. B.A. van Mens,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaal, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 28 september 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2006 heeft verweerder eisers recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken over de periode van 1 mei 2005 tot en met 9 januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006. Tevens heeft verweerder de over de hierboven genoemde periodes ten onrechte verstrekte bijstand ad € 8.320,89 van eiser teruggevorderd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit (verder: het bestreden besluit) heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld op de zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 2 april 2007. Eiser is daar verschenen, bijgestaan door mr. B.A. van Mens. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door K.S. Bijl, werkzaam bij verweerders gemeente.

Op 12 april 2007 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de rechtbank.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van

22 juni 2007. Eiser is daar wederom verschenen, bijgestaan door mr. B.A. van Mens. Verweerder heeft zich opnieuw doen vertegenwoordigen door K.S. Bijl en M.S. Dekker, werkzaam bij verweerders gemeente.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser in de periode van 1 mei 2005 tot en met 9 januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de WWB voerde met mevrouw [X]. Volgens verweerder heeft eiser de inlichtingenplicht neergelegd in art. 17 van de WWB geschonden.

Eiser kan zich hiermee niet verenigen. Hij bestrijdt in de eerste plaats dat in genoemde periode een gezamenlijke huishouding werd gevoerd. Eiser en mevrouw [X] probeerden het samenwonen uit. Mevrouw [X] hield nog een woning aan in Nieuwegein en van financiële verstrengeling was geen sprake. Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Eiser heeft op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren aangegeven dat op zijn adres een partner verblijft. Verweerder heeft erkend dat hij hier niet adequaat op heeft gereageerd. De gemeente kan in redelijkheid niet de eigen verplichting tot controle negeren en uitsluitend de verantwoordelijkheid bij eiser leggen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB – voor zover hier van belang – wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Op grond van het derde lid van dit artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

In artikel 17, eerste lid, van de WWB is neergelegd dat de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB - voor zover hier van belang - kan verweerder een besluit waarbij bijstand is toegekend, herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Bij de beoordeling van de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, moet naar vaste rechtspraak de feitelijke woonsituatie doorslaggevend worden geacht. Aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan derhalve ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van de ter beschikking staande woningen wordt gebruikt. Uit de ten overstaan van de sociaal rechercheurs [namen] afgelegde verklaringen van 7 april 2006 blijkt genoegzaam dat mevrouw [X] in de periode van 1 mei 2005 tot en met 9 januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 als regel dagelijks in de woonboot van eiser verbleef en daar in beginsel ook de nacht doorbracht. Aan het eerste criterium voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding is derhalve voldaan.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of dat ook geldt voor het tweede criterium, dat van de wederzijdse zorg. Deze zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate is gebleken, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium is voldaan, is derhalve een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, bepalend.

Vast is komen te staan dat eiser en mevrouw [X] in de periode van 1 mei 2005 tot en met 9 januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 gezamenlijk gebruik maakten van de woonboot van eiser aan [adres], de daarin aanwezige voorzieningen en het meubilair. Voorts is door eiser en mevrouw [X] erkend dat zij een gezamenlijk huishoudpotje hadden, gezamenlijk de maaltijd gebruikten en daarvoor (al dan niet tezamen) boodschappen deden, dat zij samen op vakantie gingen met de camper van eiser en dat door mevrouw [X] duurzame gebruiksgoederen (vaatwasmachine en oven) werden ingebracht. Bovendien staat vast dat mevrouw [X] feitelijk gebruik maakte van een auto die op naam stond van eiser en waarvoor hij een verzekering had afgesloten. Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien zijn voldoende om te concluderen dat ten tijde hier van belang ook aan het criterium van wederzijdse verzorging is voldaan.

Gelet op vorenstaande concludeert de rechtbank dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser en mevrouw [X] in de periode van 1 mei 2005 tot en met 9 januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de WWB. Dat betrokkenen de financiën voor het overige gescheiden hielden, doet daar niet aan af.

Met betrekking tot de schending van de inlichtingenplicht stelt de rechtbank voorop dat de feitelijke woon- en leefsituatie een omstandigheid is die onmiskenbaar van belang is voor de vaststelling van het recht van eiser op bijstand. Gegeven dit belang ligt het op de weg van degene die een beroep doet op de WWB om bij het verschaffen van inlichtingen aan het bestuursorgaan omtrent zijn woon- en leefsituatie geen onduidelijkheid te laten bestaan.

Op de maandelijks door eiser ingevulde en ondertekende rechtmatigheids¬onderzoeksformulieren WWB heeft eiser bij vraag 2b (‘Verblijft uw partner in hoofdzaak op het opgegeven adres?’) in de litigieuze periode steeds het vakje ‘ja’ aangekruist. Dit gebeurde echter ook in maanden dat mevrouw [X] niet bij eiser verbleef. Bovendien werd bij vraag 1a (‘Zijn de bovenvermelde gegevens juist?’) in het voor de partner bestemde deel steeds ‘n.v.t.’ aangekruist en werd vraag 9a (‘Heeft u en/of uw partner in deze periode inkomsten ontvangen?’), ondanks het feit dat mevrouw [X] werkzaam was bij een schoonmaakbedrijf in Nieuwegein, steeds negatief beantwoord. Ten slotte heeft eiser verzuimd in de rechtmatigheidsformulieren over de maanden mei 2005 en januari en maart 2006 melding te maken van een wijziging in zijn woonsituatie. Vraag 3 (‘Is er in deze periode wijziging gekomen in uw woonsituatie?’) werd namelijk ook over die maanden met ‘nee’ beantwoord. Naar het oordeel van de rechtbank betekent een en ander dat eiser verweerder niet volledig heeft geïnformeerd over zijn woon- en leefsituatie, noch de intentie had om verweerder op de hoogte te brengen van de aanwezigheid van mevrouw [X] in zijn woning. Daarmee heeft hij in strijd gehandeld met artikel 17, eerste lid, van de WWB.

Nu de schending van de inlichtingenverplichting tot gevolg heeft gehad dat eiser in de periode van 1 mei 2005 tot en met 9 januari 2006 en vanaf 1 maart 2006 tot en met 31 maart 2006 ten onrechte als zelfstandig bijstandssubject is beschouwd, was verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd het recht op bijstand over die periode in te trekken. In hetgeen eiser heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat verweerder na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen hiertoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

Met het voorgaande is tevens gegeven dat verweerder op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was om over te gaan tot terugvordering van de over genoemde periode gemaakte kosten van bijstand. Uit het door verweerder gevoerde beleid volgt dat verweerder in gevallen van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting steeds tot terugvordering van de als gevolg daarvan ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand overgaat behoudens in geval van bijzondere omstandigheden. De rechtbank oordeelt dat dit beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten gaat. Verweerder heeft met zijn besluit tot terugvordering ten aanzien van eiser overeenkomstig dit beleid gehandeld. In hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, in afwijking van dit beleid geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

Ter zitting is namens eiser in dit kader nog een beroep gedaan op de zogenoemde ‘zesmaanden-jurisprudentie’. Deze jurisprudentie houdt in dat een besluit tot terugvordering niet in stand kan blijven voorzover wordt teruggevorderd hetgeen is betaald (meer dan) zes maanden na de ontvangst van een signaal waaruit het bestuursorgaan had moeten afleiden dat ten onrechte of te veel wordt betaald. De rechtbank verwerpt dit beroep omdat voor een beperking van de bevoegdheid tot terugvordering op deze grond geen plaats is wanneer, zoals in onderhavig geval, sprake is geweest van het door belanghebbende niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van (het voortduren van) het recht op bijstand relevante informatie (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2007, LJN: BA2072).

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

3. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. W.H.A.C.M. Bouwens, als voorzitter, en mrs. K.A.M. van Hoof en E. Klein Egelink, rechters, in tegenwoordigheid van G.W.B. Heijmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2007.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: 25 september 2007.