Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB4460

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
151805
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen de partijen is in wezen niet in geschil dat gedaagde eiser tegen zijn hoofd heeft geslagen en dat dat een onrechtmatige daad van gedaagde jegens eiser oplevert. Wel zijn de partijen verdeeld over de wijze waarop eiser door gedaagde is mishandeld en, in verband daarmee, over het causaal verband tussen de mishandeling en de oogperforatie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 151
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 161
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/187

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 151805 / HA ZA 07-206

Vonnis van 19 september 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. A. van Bon-Moors te Nijmegen,

tegen

NOURREDINE BEN ALI,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. A.G.W. van Kessel,

advocaat mr. R. van Herwaarden te Leerdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 april 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 2 augustus 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In de nacht van 29 op 30 november 2003 heeft zich in muziekcafé/discotheek De Beurs te Tiel een handgemeen voorgedaan tussen [eiser] en [gedaagde].

2.2. [eiser] is daarna in het ziekenhuis opgenomen met snijwonden in zijn rechteroog en in zijn rechterwang en -ooghoek. Hij is met spoed aan zijn oog geopereerd.

2.3. Bij de politie heeft [eiser] aangifte gedaan van zware mishandeling door [gedaagde], waarop [gedaagde] strafrechtelijk is vervolgd.

2.4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de politierechter van deze rechtbank [gedaagde] bij mondeling vonnis van 24 mei 2004 vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, te weten dat hij [eiser] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (oogperforatie) heeft toegebracht - of dit heeft gepoogd - door hem opzettelijk (met) een glas in diens gezicht te steken en/of slaan en/of gooien. Wel heeft de politierechter bewezen verklaard dat [gedaagde] [eiser] opzettelijk mishandelend in het gezicht heeft geslagen ten gevolge waarvan [eiser] zwaar lichamelijk letsel (oogperforatie) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden. [gedaagde] is hiervoor veroordeeld tot 120 uren werkstraf. Daarnaast is de door [eiser] als benadeelde partij in die procedure ingestelde schadevordering toegewezen tot een bedrag van EUR 1.487,50. In het meer gevorderde is hij niet-ontvankelijk verklaard. [gedaagde] is door de politierechter ook veroordeeld in de door [eiser] als benadeelde gemaakte kosten van rechtsbijstand ad EUR 1.929,44. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

2.5. [gedaagde] heeft geen van de hiervoor genoemde bedragen aan [eiser] vergoed.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft gevorderd dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen tot betaling aan hem van:

a. de immateriële schade ad EUR 4.000,00,

b. de materiële schade ter hoogte van EUR 944,88,

c. de buitengerechtelijke kosten ad EUR 4.099,01 en

d. de wettelijke rente over de schadeposten a. tot en met c.,

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2. [gedaagde] heeft verweer gevoerd, dat - voor zover nodig - hierna zal worden beoordeeld.

4. De beoordeling

toedracht en causaal verband met het letsel

4.1. Tussen de partijen is in wezen niet in geschil dat [gedaagde] [eiser] tegen zijn hoofd heeft geslagen en dat dat een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens [eiser] oplevert. Wel zijn de partijen verdeeld over de wijze waarop [eiser] door [gedaagde] is mishandeld en, in verband daarmee, over het causaal verband tussen de mishandeling en de oogperforatie.

4.2. Ter comparitie heeft de advocaat van [eiser] een en ander als volgt nader toegelicht. Aan de mishandeling door [gedaagde] is zonder twijfel ook glas te pas gekomen. Dat laatste volgt ook uit de veroordeling door de strafrechter, die immers bewezen heeft verklaard dat [eiser] door de mishandeling zwaar lichamelijk letsel bestaande uit oogperforatie heeft opgelopen.

4.3. Op diezelfde zitting is echter namens [gedaagde], die niet ter comparitie is verschenen, door zijn advocaat aangevoerd dat ondanks deze bewezenverklaring de schade ook door andere gebeurtenissen na de mishandeling door [gedaagde] kan zijn ontstaan. Verder is namens [gedaagde] diens stelling gehandhaafd dat anderen [eiser], toen die op de grond lag, hebben mishandeld, met de toevoeging dat het niet is gelukt daarvan getuigen te vinden. Maar omdat het slaan of steken met glas door de politierechter niet bewezen is verklaard, kan volgens zijn advocaat het oogletsel dus niet aan [gedaagde] worden toegerekend, zodat dit buiten beschouwing moet blijven.

4.4. In beginsel rust op [eiser] de bewijslast van zijn stelling dat [gedaagde] hem met glas in het gezicht heeft gestoken of geslagen en dat hij dientengevolge de perforatie aan zijn rechteroog heeft opgelopen (art. 150 Rv). Kennelijk beroept [eiser] zich voor dit bewijs - met een beroep op art. 161 Rv - op de bewezenverklaring in het onder 2.4 genoemde vonnis van de politierechter, terwijl [gedaagde] juist meent dat op grond daarvan van het tegengestelde - dat hij niet met een glas heeft gestoken of geslagen - moet worden uitgegaan.

4.5. Art. 161 Rv luidt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. Op grond van deze bepaling moet de rechter in de civielrechtelijke procedure - ingevolge art. 151 lid 2 Rv: behoudens tegenbewijs - uitgaan van hetgeen de strafrechter bewezen heeft verklaard. Het voorgaande houdt echter niet in dat de civiele rechter de strafrechter ook moet volgen in hetgeen deze niet bewezen heeft verklaard. Een vrijspraak heeft geen dwingende bewijskracht (HR 3 december 2004, NJ 2005, 160). Anders dan namens [gedaagde] is betoogd, is het uitgangspunt in de onderhavige zaak dus niet zonder meer dat hij niet met glas heeft geslagen of gestoken. Of, zoals [eiser] meent, met de bewezenverklaring in de strafzaak (behoudens tegenbewijs) in de onderhavige procedure op grond van art. 161 Rv vast staat dat [gedaagde] hem met glas in zijn oog heeft gestoken of geslagen, kan in het midden blijven, in verband met het volgende.

4.6. [eiser] heeft in de onderhavige procedure ter staving van zijn vordering het volledige proces-verbaal van het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de mishandeling op 30 november 2003 overgelegd. De rechtbank heeft dit schriftelijke stuk, waaraan vrije bewijskracht toekomt (HR 24 januari 2003, NJ 2003,166), in het kader van de onderhavige procedure bestudeerd. Uit dit proces-verbaal blijkt, voor zover hier van belang, het volgende. [eiser] zelf heeft bij zijn aangifte van de mishandeling tegenover de politie, samengevat, verklaard dat een jongen (naar later bleek: [gedaagde]; rb) op hem af kwam lopen, dat die met zijn rechterhand een snelle beweging naar het gezicht van [eiser] maakte, dat [eiser] zag dat die jongen een glas in zijn hand vasthield, dat hij zag dat de jongen met het glas in zijn rechteroog stak en dat hij voelde dat het glas in zijn oog en gezicht sneed, waarna [eiser] op de grond is gevallen, dat hij door zijn vriend [XXX] en de uitsmijters naar buiten is gebracht en dat hij door een ambulance is opgehaald. In het proces-verbaal van een telefonisch op 8 december 2003 door de politie opgenomen verklaring van [eiser] is vermeld, kort gezegd, dat [eiser] bezoek had gehad van [XXX] die hem vroeg of hij bereid was de kwestie van de mishandeling met [gedaagde] op te lossen zonder aangifte bij de politie. Verder zit in het strafdossier de verklaring van de door [eiser] in zijn aangifte genoemde [XXX], die door de politie als getuige is gehoord. [XXX] heeft toen, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard: dat hijzelf in ‘De Beurs’ met ene Dennis aan het praten was en dat [eiser] vlak bij hen met een Marokkaanse jongen - die [XXX] kende als ‘[XXX]’ - aan het praten was, dat hij zag dat die jongen [eiser] op enig moment eerst een flinke duw gaf en daarna met zijn linkerhand een gooiende stekende c.q. slaande beweging maakte naar [eiser], dat hij zag dat die jongen een glas in zijn linkerhand had en dit glas in de rechterzijkant van het gezicht van [eiser] terecht kwam, dat de Marokkaanse jongen daarna doorging met het slaan van [eiser], dat deze jongen door [XXX] en twee anderen van [eiser] is afgehaald en dat de jongen verdwenen was toen [XXX] hem wilde aanwijzen aan de inmiddels verschenen uitsmijters. [XXX], bekende van [gedaagde], heeft op 9 december 2003 als getuige tegenover de politie, samengevat, verklaard dat [gedaagde] hem op 5 december 2003 op het ROC had verteld dat hij ruzie had gehad met [eiser] en dat hij daarbij toen een glas naar [eiser] had gegooid, dat hij ([XXX]) bij [eiser] langs was geweest, dat hij had gevraagd of deze al aangifte had gedaan, dat [eiser] zei dat hij dat inderdaad al had gedaan en dat hij ([XXX]) toen had gezegd dat het geen nut meer had om dingen onderling te regelen, waarmee hij doelde op een schaderegeling met [gedaagde]. Verder bevindt zich in het strafdossier een proces-verbaal van een huisbezoek aan [XXX] op 9 december 2003, waarin, zakelijk weergegeven, is opgenomen dat deze [XXX] getuige is geweest van het voorval, dat hij daarover uit angst voor repressailles geen verklaring wilde afleggen, dat [XXX] voor hij de woning verliet heeft gezegd gezien te hebben dat [eiser] was neergestoken met een glas dat in het oog van [eiser] terecht kwam, hetgeen opzettelijk gebeurde en dat dit door ‘de Marokkaan’ - de partner van [XXX], een achternichtje van [XXX] - was gedaan. De door de politie als getuige gehoorde [XXX] heeft, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij in ‘de Beurs’ [XXX] en [eiser] was tegengekomen, dat hij heeft gezien dat [eiser] met een Marokkaanse jongen stond te praten, dat hij heeft gezien dat de Marokkaan [eiser] op zijn gezicht sloeg en vervolgens een glas in het gezicht van [eiser] gooide, dat de Marokkaan [eiser] in het gezicht sloeg, dat mensen [eiser] gingen helpen en dat hij niet heeft gezien dat [eiser] nog door andere mensen is geslagen of geschopt. Verder bevat het proces-verbaal een aantal verklaringen van [gedaagde] die hij als verdachte tegenover de politie heeft afgelegd. In die verklaringen heeft hij, samengevat en zakelijk weergegeven, verklaard dat hij [eiser] met zijn linkervuist uit alle macht in zijn gezicht heeft geslagen, dat hij toen geen glas in zijn hand had, dat getuigen die iets anders hebben verklaard liegen, dat hij het bierglas dat hij eerst in zijn hand had op het hekwerk achter zich had staan, dat zijn vriendin [XXX] wilde dat hij snel met haar vertrok na het voorval, dat hij voor zijn vertrek nog wel heeft gezien dat er zeker vier blanke mannen om de op de grond liggende [eiser] heen stonden en op hem intrapten en dat hij weliswaar op 5 december 2003 op het ROC was geweest, maar dat [XXX] liegt als hij zegt dat zij elkaar toen hebben gesproken.

4.7. Op grond van de inhoud van het politie-procesverbaal, met name de hierboven weergegeven passages uit de verklaringen van [eiser], [XXX], [XXX], [XXX] en [XXX], in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank het bewijs geleverd dat [gedaagde] [eiser] met een glas in zijn gezicht heeft gestoken, geslagen of gegooid. De verklaring van [gedaagde] dat hij [eiser] slechts heeft geslagen zonder dat daaraan glas te pas kwam staat volledig op zichzelf en strookt niet met de onderling op de belangrijkste punten consistente verklaringen van de zojuist genoemde personen.

4.8. De vraag rijst of [gedaagde] tot tegenbewijs moet worden toegelaten van hetgeen de rechtbank hiervoor bewezen heeft geacht. [gedaagde] heeft bij antwoord een algemeen bewijsaanbod gedaan. Vooropgesteld wordt dat tegenbewijs op grond van art. 151 lid 2 Rv vrij staat en dat een aanbod tot tegenbewijs niet hoeft te zijn gespecificeerd. Wel geldt ook bij tegenbewijs een zekere stelplicht en moet het tegenbewijs ter zake dienend zijn, dat wil zeggen kunnen leiden tot ontkrachting van hetgeen bewezen is geacht. Aan dit laatste is hier niet voldaan. Immers, ook indien zou komen vast te staan hetgeen [gedaagde] in dit verband heeft aangevoerd - dat anderen [eiser] hebben mishandeld toen deze na de mishandeling door [gedaagde] op de grond lag - ontkracht dat op zichzelf niet hetgeen hiervoor bewezen is geacht, namelijk dat [gedaagde] [eiser] met glas in het gezicht heeft geslagen, gestoken of gegooid. Geoordeeld moet daarom worden dat [gedaagde] in zoverre niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Tot het leveren van tegenbewijs wordt hij daarom niet toegelaten.

4.9. Op grond van het voorgaande wordt als vast staand aangenomen dat [gedaagde] met glas [eiser] het oogletsel - en de (overige) snijwonden in zijn gezicht - heeft toegebracht. Voor de daardoor ontstane schade is [gedaagde] jegens [eiser] aansprakelijk.

ontvankelijkheid schadevordering

4.10. [gedaagde] heeft het verweer gevoerd dat in verband met de in de strafzaak gegeven beslissing over de schadevordering [eiser] in de thans ingestelde vordering geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] meegedeeld dat van [gedaagde] nog geen betaling is ontvangen van hetgeen waarin de strafrechter hem heeft veroordeeld. Daarom heeft hij één van die bedragen - het bedrag van EUR 1.929,44 wegens kosten rechtsbijstand - thans nogmaals gevorderd, maar strikt genomen dient dit bedrag van de vordering te worden afgetrokken, aldus de raadsvrouwe.

4.11. De rechtbank beschouwt deze laatste opmerking als een eisvermindering, zodat ter zake genoemd bedrag geen niet-ontvankelijkverklaring zal volgen. Bij de begroting van de schadepost ‘buitengerechtelijke kosten’ zal met deze eisvermindering rekening worden gehouden.

4.12. Wel is er aanleiding [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering voor zover het de vergoeding van de kosten van de bril en lenzen betreft. In de dagvaarding is namens [eiser] vermeld dat de gevorderde kosten van de bril en lenzen ad in totaal EUR 487,50 al in de strafprocedure zijn toegewezen, maar vervolgens is dit bedrag niet van de thans gevorderde schadevergoeding afgetrokken, ook niet ter comparitie. Voor dit bedrag beschikt [eiser] echter al over een executoriale titel en het kan dan ook niet - bij gebrek aan belang - nogmaals in deze civiele procedure worden gevorderd.

4.13. Voor het overige wordt [gedaagde] niet gevolgd in zijn opvatting dat [eiser] met zijn schadevordering niet meer bij de burgerlijke rechter terecht kan. Uit hetgeen de strafrechter heeft overwogen en beslist, volgt dat geenszins. Daarmee wordt toegekomen aan de begroting van de (verdere) schade.

materiële schade

4.14. [eiser] heeft de kosten gevorderd van het verblijf van zijn hond in het asiel, direct na de mishandeling, ad EUR 93,50. In reactie op het verweer van [gedaagde] dat bijvoorbeeld een buurman gratis op de hond had kunnen passen, heeft [eiser] ter zitting onweersproken meegedeeld dat zijn vader allergisch is voor honden, zodat de hond niet bij zijn ouders kon worden ondergebracht, en dat hij met zijn buren geen contact heeft. Dit verweer van [gedaagde] gaat dus niet op. Zijn verweer dat deze schade in een te ver verwijderd verband staat met de mishandeling faalt eveneens, aangezien vast staat dat [eiser] door de mishandeling enige dagen in het ziekenhuis heeft gelegen en aansluitend in zijn ouderlijk huis is verzorgd. Het gevorderde bedrag is dan ook toewijsbaar.

4.15. [eiser] heeft voorts de kosten gevorderd van twee psychotherapiesessies (ad in totaal EUR 160,39, onder overlegging van een nota voor die sessies van EUR 160,00. Ter zitting heeft zijn advocaat de noodzaak daartoe en de achtergrond daarvan toegelicht. Namens [gedaagde] is ter zitting volhard in het bij antwoord tegen deze schadepost gevoerde verweer. Dat verweer luidt dat van de therapiekosten niet, althans onvoldoende vaststaat dat deze hun oorzaak vinden in de vuistslag door gedaagde, mede gezien het feit dat [gedaagde] [eiser] met de linker vuist heeft geslagen en het hier bedoelde oogletsel aan de rechterzijde van diens gezicht is opgetreden. De noodzaak tot het maken van de therapiekosten is namens [gedaagde] ter zitting betwist, mede in het licht van de eerdere therapie die [eiser] heeft gevolgd.

4.16. Het verweer van [gedaagde] is onbegrijpelijk voor zover het ziet op het slaan met links en het ontstaan van letsel rechts, zodat het in zoverre moet worden verworpen. Ook overigens wordt het verworpen. Op grond van de - op zichzelf niet weersproken - toelichting van de advocaat van [eiser], dat deze in het verleden in therapie is geweest, dat die was afgebouwd maar dat hij zonodig nog eens terug mocht komen en dat die noodzaak na de mishandeling bestond vanwege de daardoor bij [eiser] ontstane boosheid en hevige emoties, is voldoende aannemelijk dat er causaal bestaat met de mishandeling en dat het nodig was dat [eiser] de sessies heeft ondergaan. De vordering wordt tot het (met facturen onderbouwde) bedrag van EUR 160,00 toegewezen.

4.17. Verder heeft [eiser] vergoeding gevorderd van de reiskosten ad EUR 690,99 die zijn moeder heeft gemaakt, in verband met onder meer ziekenhuisbezoek en, voor het grootste deel, de verzorging van zijn gewonde oog. Ter onderbouwing van deze vordering heeft [eiser] een gespecificeerd overzicht van de door haar gereden kilometers overgelegd, dat sluit op EUR 548,00. Tegen deze vordering heeft [gedaagde] bij antwoord hetzelfde verweer gevoerd als tegen de kosten van de therapie (zie hiervoor, onder 4.15). Ter zitting heeft zijn advocaat nog opgemerkt dat deze vordering is opgeklopt.

4.18. Voor een deel wordt het verweer verworpen omdat het onbegrijpelijk is (zie hiervoor, onder 4.16). Voor het overige wordt geoordeeld dat de reiskosten direct verband houden met de nabehandeling van het door de mishandeling veroorzaakte oogletsel. De noodzaak tot nabehandeling is door [gedaagde] - terecht - niet betwist. Het moet ervoor worden gehouden dat de nabehandeling, bestaande uit het zalven en druppelen van het geopereerde oog, normaal gesproken door een huisgenoot kan en zal worden verricht, maar [eiser] had niet zo’n huisgenoot. Voor de nabehandeling had hij zich daarom ook tot een professional, zoals een doktersassistente of een wijkverpleegkundige kunnen wenden. In dat geval had hij zelf kosten gemaakt, die [gedaagde] had moeten vergoeden. Hij heeft er echter voor gekozen zijn oog door zijn moeder te laten verzorgen en [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat die keuze niet redelijk was, ook al moest de moeder van [eiser] daartoe tussen haar woonplaats Ochten en die van [eiser], [woonplaats], heen en weer reizen. Gelet op de - relatief - geringe afstand tussen die plaatsen is dat op zichzelf ook niet onredelijk. Ook is door [gedaagde] niet het verweer gevoerd dat de gevorderde kosten die van professionele zorg te boven gaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt ook niet in te zien dat de vordering van [eiser] “opgeklopt” is, zodat ook dit verweer wordt verworpen. Zij is dan ook toewijsbaar, op grond van art. 6:107 BW en het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1999 (NJ 1999, 564), zij het dat het overzicht van de reiskosten sluit op het bedrag van EUR 548,00. Tot dit bedrag zal deze schadepost worden toegewezen.

4.19. De totale toe te wijzen materiële schade komt op grond van het voorgaande op EUR 801,50.

buitengerechtelijke kosten

4.20. [eiser] heeft een bedrag van EUR 4.099,01 gevorderd, wegens advocaatkosten in de periode 3 februari 2004 - 15 oktober 2006 (17,88 uren tegen een uurtarief van EUR 180,00, te vermeerderen met 19% omzetbelasting en 6% kantooropslag), EUR 5,39 aan leges en EUR 33,17 aan deskundigenkosten. [gedaagde] heeft hiertegen primair het verweer gevoerd dat de gevorderde kosten niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Subsidiair meent hij dat die kosten bij gebrek aan adequate onderbouwing op basis van het rapport Voor-werk II moeten worden begroot. Het verweer dat de aan [eiser] verleende toevoeging aan toewijzing in de weg staat, heeft de advocaat van [gedaagde] ter comparitie laten vallen.

4.21. Van het door [eiser] gevorderde bedrag van EUR 4.099,01 moet in elk geval het bedrag van EUR 1.929,44 worden afgetrokken (zie hiervoor, rov. 4.10 en 4.11). Uit de overgelegde urenspecificatie blijkt dat zijn advocaat na de strafzaak - die diende op 24 mei 2004 - tot 5 oktober 2006 in totaal 7,1 uren aan de zaak heeft besteed en dat in die periode ook herhaaldelijk brieven aan ‘de wederpartij’ zijn gezonden. Hiermee is voldoende aannemelijk dat sprake is geweest van schikkingsonderhandelingen, zoals namens [eiser] ter zitting is opgemerkt. Op basis van het eerder genoemde uurtarief komen de kosten van de verrichte werkzaamheden, inclusief omzetbelasting en kantooropslag, op EUR 1.597,50. Aangezien [eiser] zijn schade bij de strafrechter slechts gedeeltelijk kreeg toegewezen, was het redelijk dat [eiser] zich ook daarna nog van juridische bijstand heeft voorzien. Het daarmee gemoeide bedrag van EUR 1.597,50 is niet onredelijk van hoogte en zal worden toegewezen. Ook de kosten van het inwinnen van medische informatie ad EUR 33,17 voldoet aan deze dubbele redelijkheidstoets, evenals de - overigens ook niet bestreden - legeskosten van EUR 5,39. Het totale wegens ‘buitengerechtelijke kosten’ toe te wijzen bedrag komt daarmee op EUR 1.636,06.

immateriële schade

4.22. Rekening houdend met het door de strafrechter toegewezen bedrag aan smartengeld van EUR 1.000,00, heeft [eiser] thans nog EUR 4.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd. Dit bedrag acht hij gerechtvaardigd wegens de ondervonden pijn, de mogelijkheid dat in de toekomst gezichtsverslechtering door lensvertroebeling kan optreden, het moeten dragen van een bril/aangepaste lenzen, de littekens in zijn gezicht, angstgevoelens en het sociaal isolement waarin hij door dreigingen vanuit de kring van [gedaagde] is komen te verkeren. Voor deze ‘psychische schade’ is volgens [eiser] een bedrag van EUR 5.000,00 reëel. [gedaagde] meent dat met het door de strafrechter toegewezen bedrag de immateriële schade is gecompenseerd, aangezien [eiser] geen blijvend letsel heeft opgelopen en ook geen geestelijk letsel dat als een aantasting in de persoon kan worden aangemerkt.

4.23. Het staat vast dat [eiser] door de mishandeling enkele dagen in het ziekenhuis heeft moeten verblijven, dat hij aan zijn oog is geopereerd, dat nog enige tijd nabehandeling noodzakelijk was, dat hij pijn heeft geleden en dat hij littekens in zijn gezicht heeft. Hiermee zal bij de begroting van het smartengeld rekening worden gehouden, evenals met de aard van de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Niet aannemelijk is geworden dat [eiser] in verband met de gevolgen van de mishandeling bril- en lensdragend is geworden. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij wegens een aangeboren afwijking aan zijn linkeroog de lens/lenzen draagt en dat hij de bril nodig heeft omdat het rechteroog ‘toch iets achteruit is gegaan’. Dit mag zo zijn, maar de behandelend oogarts heeft in zijn brief van 15 juni 2004 aan de medisch adviseur van [eiser] geschreven dat sprake is van compleet visusherstel rechts met enige lensvertroebeling. Hiermee strookt zonder nadere toelichting met medische stukken, die ontbreekt, niet hetgeen [eiser] hierover zelf heeft aangevoerd. Verder is hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ter onderbouwing van de psychische schade onvoldoende om daarmee bij de begroting van het smartengeld rekening te houden. Niet aannemelijk is gemaakt dat hij daardoor een in de psychiatrie erkend ziektebeeld heeft opgelopen, hetgeen in dit verband zou zijn vereist. Op grond van al het voorgaande en rekening houdend met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegewezen, acht de rechtbank een smartengeld van EUR 2.000,00 passend. Na aftrek van het door de strafrechter al toegewezen bedrag is thans dus nog een bedrag van EUR 1.000,00 toewijsbaar.

wettelijke rente

4.24. Over de diverse schadeposten heeft [eiser] vergoeding van de wettelijke rente gevorderd. Als ingangsdatum heeft hij voor het smartengeld de dag van de mishandeling genoemd en voor de overige schadeposten het tijdstip waarop zij verschuldigd waren. Tegen de gevorderde wettelijke rente is geen verweer gevoerd, zodat die in beginsel zal worden toegewezen, met dien verstande dat de ingangsdatum van de rente over de materiële schadeposten in het navolgende zal worden gepreciseerd.

4.25. Blijkens de overgelegde factuur is het dierenpension op 13 december 2003 voor de opvang betaald, zodat de rente over het bedrag van EUR 93,50 vanaf die dag is verschuldigd. De factuur van de psychotherapie is van 1 maart 2004. Rekening houdend met een betalingstermijn van 30 dagen is de rente over het bedrag van EUR 160,00 per 31 maart 2004 verschuldigd. De ingangsdatum van de rente over de reiskosten ad EUR 548,00, die zijn gemaakt in de periode 30 november 2003 - 23 januari 2004, wordt bepaald op 1 januari 2004. Over de buitengerechtelijke kosten, waarvan wordt aangenomen dat die in verband met de aan [eiser] verleende toevoeging niet aan hem zullen zijn gedeclareerd, is [gedaagde] geen rente verschuldigd.

proceskosten

4.26. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 84,31

- betaald vast recht 75,00

- in debet gesteld vast recht 225,00

- salaris procureur 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.152,31.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart [eiser] in zijn vordering voor een bedrag van EUR 487,50 niet-ontvankelijk,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 3.437,56 (drieduizendvierhonderdzevenendertig euro en zesenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van:

- het bedrag van EUR 93,50 vanaf 13 december 2003,

- het bedrag van EUR 160,00 vanaf 31 maart 2004,

- het bedrag van EUR 548,00 vanaf 1 januari 2004 en

- het bedrag van EUR 1.000,00 vanaf 30 november 2003,

telkens tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.152,31, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2007.