Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB4454

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-09-2007
Datum publicatie
27-09-2007
Zaaknummer
149187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In hoofdzaak vorderen eisers de teruggave van zaken die na ontdekking van de diefstallen ten onrechte zouden zijn beslagen c.q. afgegeven aan gedaagde.Gedaagde vordert in reconventie vergoeding van haar schade. De diefstallen zijn gepleegd uit een tuincentrum van XXX B.V. XXX B.V. is geen partij. Partijen hebben afgesproken dat gedaagde in deze zaak optreedt als formele procespartij. Daarnaast heeft XXX B.V. haar vorderingen aan gedaagde gecedeerd en is zij ter zake van die vorderingen dus tevens materiële procespartij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149187 / HA ZA 06-2199

Vonnis van 19 september 2007

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. A.A.S.F.M. van der Meer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. V. Holthuizen te Schiphol-Luchthaven.

Eisers zullen hierna gezamenlijk de familie [familienaam] en afzonderlijk [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] [familienaam] genoemd worden. Gedaagde zal hierna [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 januari 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2007 waar de conclusie van antwoord in reconventie is genomen en partijen producties hebben overgelegd

- de akte van de familie [familienaam] met producties.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is een groepsmaatschappij van [XXX].

[XXX]. drijft een tuincentrum in [woonplaats] onder de naam [XXX] (hierna: het tuincentrum).

2.2. [eiser 1] [familienaam] was tot medio juli 2006 bij het tuincentrum in dienst. Hij woont naast het tuincentrum. [eiser 2] [familienaam] woont daar ook. [eiser 1] [familienaam] had een sleutel van het tuincentrum. Zodoende kon hij ’s avonds en het weekend de planten verzorgen.

2.3. [eiser 2] [familienaam] heeft een handel in tuinartikelen.

2.4. De familie [familienaam] heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van tuinartikelen uit het tuincentrum. Zij hebben daarbij gebruik gemaakt van de sleutel die [eiser 1] [familienaam] in zijn bezit had. Zij zijn hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.

2.5. De gestolen goederen werden opgeslagen op drie locaties. Na ontdekking van de diefstallen, heeft personeel van [gedaagde] op verzoek van de politie geholpen bij het ophalen en leeghalen van één of meerdere van deze locaties.

2.6. Met stickers heeft de familie [familienaam] daarna aangegeven welke goederen volgens haar niet gestolen waren. Het restant is met instemming van de familie [familienaam] aan [gedaagde] afgegeven.

2.7. In het kader van het onderzoek naar de diefstallen hebben de afzonderlijke familieleden het volgende verklaard.

[eiser 1] [familienaam]:

Ik heb er erg veel spijt van. Het geld dat [eiser 2] verdiende uit de verkoop van de gestolen goederen stak hij allemaal in de verbouwing van ons huis.

Ongeveer 2 à 3 jaar geleden kwam mijn broer [eiser 2] bij me en vroeg aan mij of ik die winkel open wilde laten als ik klaar was met mijn werk na sluitingstijd (…) [eiser 2] is mijn broer dus ik vond dat goed (…). Het begon met fonteinpompjes en gereedschappen van het merk Wolf.

Minimaal een maal in de week liet ik [eiser 2] in de winkel, meestal zaterdagsavonds. Dit is dus al twee a drie jaar aan de gang.

In de woning van mij en [eiser 2] liggen nog verschillende gestolen spullen uit de winkel (…). Ik heb er geen bezwaar tegen dat u die spullen in mijn woning ophaalt en deze terug gaan naar de rechtmatige eigenaar.

Ik denk dat [eiser 2] de laatste twee jaar elke zaterdagavond als ik daar voor verzorging van de planten naar binnen ging, ook het tuincentrum in is gegaan.

U vraagt mij wat ik bij mijn broer [eiser 3] gezien heb dat afkomstig is van [XXX] te [woonplaats]. Er staan planten van [XXX]. Die planten staan rond het grasveld in de achtertuin en ik schat zo’n dertig plantjes (…) Bij [eiser 3] lagen ook sproeiers met koppelingen van het merk Gardena. Die heeft [eiser 2] ook weggenomen bij [XXX].

[eiser 2] [familienaam]:

Ik denk dat ik de laatste anderhalf jaar begonnen ben om spullen weg te nemen bij het tuincentrum.

Ik heb samen met u stickers geplakt op de goederen die mijn eigendom zijn (…). De goederen die mijn eigendom zijn wil ik graag terug hebben. Ik doe afstand van de overige goederen die mij niet in eigendom toebehoren en die ik weggenomen had van tuincentrum “[XXX]”.

Door de bank genomen een jaar tot anderhalf jaar geleden is het wegnemen van goederen door mij begonnen bij tuincentrum “[XXX]”.

[eiser 3] [familienaam]:

Een paar jaar geleden, ik denk twee jaren geleden, hoorde ik van [eiser 2] en [XXX], dat [XXX] wel eens de winkel van het tuincentrum waar hij werkte niet afsloot en het alarm er niet opzette. [eiser 2] vertelde tegen mij dat hij dan de winkel in ging en daar spullen wegnam.

De goederen die op mijn erf zijn aangetroffen en die van [XXX] afkomstig zijn daarvan geef ik toestemming dat die teruggaan naar de rechtmatige eigenaar.

2.8. In een brief van de officier van justitie van 4 april 2007 aan de raadsman van de familie [familienaam], is onder meer vermeld:

Door middel van deze brief bevestig ik dan ook, gezien hetgeen hiervoor is geschreven, mijn aanvankelijke beslissing tot teruggave van het restbeslag aan [familienaam]. Op 7 maart 2007 is conservatoir derdenbeslag gelegd door de heer C.W.M. Gommers (directeur van het tuincentrum/rechtbank) op het restbeslag dat zich nog op het politiebureau te Nijmegen bevindt. Gezien hetgeen is bepaald in artikel 119 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering staat conservatoir derdenbeslag aan teruggave van het beslag door de bewaarder, in dit geval de politie, in de weg.

2.9. [gedaagde] heeft conservatoir beslag gelegd op onroerende zaken van [eiser 3] en [eiser 1] en op zaken die door de politie in beslag zijn genomen en nog onder de politie zijn.

3. Het geschil

in conventie

3.1. De familie [familienaam] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot afgifte van zaken op door haar opgestelde lijsten, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke zou blijven, subsidiair tot betaling van een schadevergoeding van € 43.398,34, althans een bedrag overeenkomstig de getaxeerde waarde van de zaken die niet zouden kunnen worden afgegeven. Na hun eis daartoe te hebben vermeerderd bij conclusie van antwoord in reconventie vordert de familie [familienaam] tevens de opheffing van het na dagvaarding door [gedaagde] gelegd conservatoir beslag op zaken die nu nog onder de politie zijn. Tegen deze eisvermeerdering heeft [gedaagde] zich niet verzet zodat de rechtbank op die vermeerdering recht zal doen.

3.2. [eiser 2] [familienaam] vordert [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van door hem geleden bedrijfsschade van € 2.300,- per maand vanaf 15 juli 2006 tot de datum waarop voormelde goederen zijn teruggegeven.

3.3. [eiser 2] en [eiser 1] [familienaam] vorderen veroordeling van [gedaagde] tot betaling van

€ 3.000,- als vergoeding voor schade in verband met inbreuken op hun privacy.

3.4. [eiser 3] en [eiser 1] [familienaam] vorderen [gedaagde] te veroordelen de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen op onroerende zaken op te heffen op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat [gedaagde] daarmee in gebreke zou blijven.

3.5. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6. [gedaagde] vordert samengevat - veroordeling van [familienaam] c.s. tot betaling van een schadevergoeding van primair EUR 400.000,-, opgebouwd uit verschillende posten, vermeerderd met rente en kosten.

3.7. De familie [familienaam] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1. In hoofdzaak vordert de familie [familienaam] de teruggave van zaken die na ontdekking van de diefstallen ten onrechte zouden zijn beslagen c.q. afgegeven aan [gedaagde]. [gedaagde] vordert in reconventie vergoeding van haar schade. De diefstallen zijn gepleegd uit een tuincentrum van [XXX]. [XXX]. is geen partij. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] in deze zaak optreedt als formele procespartij. Daarnaast heeft [XXX]. haar vorderingen aan [gedaagde] gecedeerd en is zij ter zake van die vorderingen dus tevens materiële procespartij. Partijen hebben verder in hun processtukken steeds aan [gedaagde] gerefereerd, ook waar mogelijk [XXX]. is bedoeld. Om verwarring te voorkomen, zal de rechtbank de door partijen gebruikte verwijzing volgen. De rechtbank zal hierna uitsluitend refereren naar ‘[gedaagde]’.

verder in conventie

4.2. De familie [familienaam] vordert de afgifte van zaken waarop de officier van justitie (hierna: de officier) beslag heeft gelegd direct na ontdekking van de diefstallen. Een gedeelte van die zaken is vrijwel direct weer aan [gedaagde] afgegeven. De familie [familienaam] heeft hiermee ingestemd. De familie betwist deze instemming te hebben gegeven maar uit de hiervoor vermelde citaten uit de politieverhoren volgt voor ieder afzonderlijk wel degelijk deze instemming. De familie [familienaam] heeft de getrouwheid van deze verklaringen niet in twijfel getrokken. Aan de thans door haar ingenomen stelling dat zij niet met afgifte heeft ingestemd, gaat de rechtbank dan ook voorbij.

4.3. Het andere gedeelte van de in beslag genomen zaken is nog onder de politie.

Blijkens de hiervoor onder 2.8 vermelde brief van de officier bestaat van zijn kant de bereidheid deze af te geven, ware het niet dat [gedaagde] op deze zaken conservatoir beslag heeft gelegd.

4.4. [gedaagde] stelt dat de familie [familienaam] zich voor haar vorderingen tot afgifte tot de officier moeten wenden. Dat standpunt is naar het oordeel van de rechtbank niet juist. Voor de vordering tot opheffing van het beslag dient [gedaagde] als legger van dit beslag te worden aangesproken. Verder kan de familie [familienaam] ingevolge artikel 5:2 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek jegens eenieder een vordering instellen die zaken houdt waarvan zij pretendeert de eigenaar te zijn. Nu [gedaagde] niet betwist dat zij de zaken die de familie [familienaam] bedoelt – met uitzondering van zaken op de lijst “op geen enkele lijst voorkomend” waarover later meer – onder zich heeft gekregen, is de familie [familienaam] wat betreft ook die zaken aan het juiste adres. Het voorgaande ligt echter anders voor de zaken die nog onder de politie zijn. [gedaagde] is daarvan geen houder zodat de afgifte daarvan niet jegens [gedaagde] gevorderd kan worden. In het kader van de beoordeling is het daarom van belang te onderscheiden tussen enerzijds de zaken die onder [gedaagde] zijn en anderzijds de zaken die nog onder de politie zijn.

4.5. Voornoemd onderscheid zal moeten blijken uit de beslaglijst die in het kader van het conservatoir beslag zal zijn opgesteld. De beslagstukken waaronder de beslaglijst, zijn niet opgesteld. De rechtbank zal partijen daarom bevelen deze alsnog over te leggen.

4.6. Van de in beslag genomen zaken heeft de politie een lijst opgesteld. Van deze lijst heeft de familie [familienaam] vijf lijsten gemaakt. Er is een lijst met zaken waarvan zij erkent deze van [gedaagde] te hebben gestolen. De overige vier lijsten betreffen, als zodanig door haar aangeduide zaken, ‘oude spullen’, ‘kwekerijspullen’, ‘privé-goederen’ en ‘geboekt en betaald’. Daarnaast heeft zij een lijst ‘op geen enkele lijst voorkomend’ opgesteld. Dit is een lijst met zaken waarvan zij stelt deze na de beslaglegging door justitie niet meer te hebben gezien. Van al deze zaken vordert zij de afgifte met uitzondering van de lijst met zaken die zij stelt te hebben gestolen. [gedaagde] betwist dat [familienaam] eigenaar is van de zaken waarvan zij afgifte vordert. Verder betwist zij dat er buiten de beslaglijst van de politie andere zaken zijn meegenomen. De familie [familienaam] zal in de gelegenheid worden gesteld dit laatste te bewijzen, alsmede te bewijzen dat zij van die zaken de eigenaar is.

4.7. Zoals hiervoor vermeld, is niet duidelijk welke zaken op de hiervoor genoemde lijsten nog onder de politie zijn. Welke zaken onder de politie zijn, is onder meer ook van belang in verband met het in artikel 3:119 BW neergelegde vermoeden dat een bezitter van een zaak vermoed wordt eigenaar daarvan te zijn. Dit is een weerlegbaar vermoeden. [gedaagde] heeft het bezit van de zaken die aan haar zijn afgegeven. Mogelijk heeft zij deze zaken inmiddels uitverkocht – of en tot in hoeverre is niet duidelijk geworden - maar ook indien deze verkocht zijn had zij daarvoor in ieder geval daarover de beschikking. Zij wordt vermoed daarvan de eigendom te hebben of in ieder geval te hebben gehad. Het is aan de familie [familienaam] dit vermoeden te weerleggen. Van de zaken die nog onder de politie zijn, had [familienaam] het bezit. Het bewijsvermoeden ligt hier omgekeerd. Het is aan [gedaagde] om het vermoeden van eigendom van de familie [familienaam] van de zaken bij de politie, te weerleggen.

4.8. Ter weerlegging van voormeld vermoeden stelt [gedaagde] dat de zaken bij de politie zijn voorzien van prijsstickers die van haar zijn. De familie [familienaam] stelt dat een gedeelte van deze zaken door [eiser 2] [familienaam] is gekocht. De familie [familienaam] heeft een map met facturen overgelegd ten bewijze van haar stelling dat zij de zaken waarvan zij de afgifte heeft gevorderd, rechtsgeldig heeft verkregen. Niet duidelijk is echter tot in hoeverre de facturen betrekking hebben op de zaken die op de beslaglijst van de politie staan. De productomschrijving op een groot aantal facturen is breed en algemeen geformuleerd. Voor zover de facturen betrekking hebben op zaken die niet meer onder de politie zijn is in het kader van de hiervoor vermelde weerlegging van het vermoeden van eigendom van [gedaagde], van belang dat de relatie van deze zaken en de facturen wordt bewezen. De weerlegging zal dan ook de getrouwheid van een aantal facturen dienen te omvatten gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagde] dat ten minste een aantal van de facturen valselijk is opgemaakt.

4.9. De rechtbank neemt bij het voorgaande nog de stelling van [gedaagde] in aanmerking dat de familie [familienaam] akkoord is gegaan met de overdracht van een aantal zaken aan [gedaagde]. Op zichzelf is hierin geen titel voor overdracht gelegen en de instemming leidt derhalve niet tot een rechtsgeldige eigendomsverkrijging. Daarnaast heeft [eiser 2] [familienaam] tijdens de comparitie van partijen aangegeven dat hij de in beslag genomen zaken niet goed heeft kunnen individualiseren. De politie gaf hem onvoldoende tijd voor het individualiseren c.q. stickeren van zijn eigendommen. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Desondanks heeft de familie [familienaam] met de afgifte ingestemd. Omdat, zoals hiervoor is overwogen, hierin geen titel voor eigendomsverkrijging is gelegen, laat dit een revindicatie onverlet.

4.10. [eiser 2] [familienaam] vordert een bedrag van € 2.300,00 per maand in verband met gederfde winst als gevolg van het door hem gestelde feit dat gedaagde bedrijfszaken van hem onder zich houdt. Nu nog niet vaststaat of en in hoeverre [gedaagde] zaken van [eiser 2] [familienaam] onder zich heeft, houdt de rechtbank op dit punt iedere beslissing aan. Hetzelfde geldt voor de vordering van [eiser 3] en [eiser 1] [familienaam] tot opheffing van het door [gedaagde] gelegde conservatoir verhaalsbeslag op hun onroerende zaken. Iedere verdere beslissing daarover houdt de rechtbank aan zolang niet vaststaat of en zo ja in welke mate [gedaagde] zaken van de familie [familienaam] onder zich heeft of heeft gehad.

4.11. [eiser 3] en [eiser 2] [familienaam] vorderen daarnaast schadevergoeding in verband met schending van hun privacy alsmede, naar de rechtbank begrijpt, beledigingen die werknemers van [gedaagde] aan hun adres hebben geuit tijdens de beslaglegging. Naar aanleiding daarvan overweegt de rechtbank dat aan een binnentreden en een daaropvolgend zoeking in een woning inherent is dat de privacy van de bewoners wordt geschonden. Dat maakt het binnentreden en de daarop volgende zoeking nog niet onrechtmatig. Niet gesteld of gebleken is dat de politie zich de toegang tot de woning niet heeft mogen verschaffen. Onbestreden is verder dat [gedaagde] heeft geholpen op verzoek, of althans met instemming van de politie. [eiser 3] en [eiser 2] [familienaam] hebben niet gesteld waarom het binnentreden ondanks deze toestemming onrechtmatig was. Van een onrechtmatig binnentreden door [gedaagde]’s personeel is dan ook niet gebleken. De beledigingen zouden opmerkingen betreffen over de seksuele hoedanigheid van de familie [familienaam]. Niet gesteld is echter wat er precies gezegd is en in welke context. Reeds hierom kan niet worden vastgesteld of er van beledigingen sprake was. [gedaagde] stelt dat haar personeel zich netjes heeft gedragen. De vordering op deze punten zal om dit een en ander worden afgewezen. De rechtbank zal dat te zijner tijd vastleggen in het dictum van het in deze te wijzen eindvonnis.

4.12. De slotsom in conventie is dat partijen zal worden bevolen bij akte de conservatoire beslagstukken in het geding te brengen, [gedaagde] wordt opgedragen het tegenbewijs te leveren van het eigendomsvermoeden van de familie [familienaam] van de daaruit blijkende zaken en de familie [familienaam] wordt opgedragen het tegenbewijs te leveren van het eigendomsvermoeden van [gedaagde] van de zaken op de beslaglijst van de politie in zoverre deze niet zijn vermeld in de conservatoire beslagstukken en bewijs te leveren van haar stelling dat [gedaagde] bezit heeft genomen van de zaken op de lijst ‘op geen enkele lijst voorkomend’, alsmede te bewijzen dat zij – de familie [familienaam] – daarvan eigenaar is.

in reconventie

4.13. De familie [familienaam] bestrijdt niet dat zij ter zake van de door haar gepleegde diefstallen aansprakelijk is. Zij betwist echter de door [gedaagde] gestelde schade. [gedaagde] vordert in de eerste plaats de voorraadverschillen die zij geteld heeft voor de producten van elf merken. De telling heeft betrekking op de jaren 2004, 2005 en de eerste helft van 2006. Het verschil tussen de in- en verkoop, uitgaande van een gelijke begin- en eindstand voor negen van de elf getelde merken, komt op een € 153.000,00. [gedaagde] stelt dat er vanaf 2001 is gestolen. Op die grond zou de schade moeten worden begroot op € 300.000,00. [gedaagde] heeft haar berekeningsmethode door een accountant laten valideren. In het daarover uitgebrachte rapport is vermeld dat de toegepaste rekenmethode adequaat is. De accountant heeft verder vastgesteld dat de opgegeven inkoopcijfers overeenkomen met de opgave daarvan door leveranciers en dat de verkoopcijfers overeenkomen met de door [gedaagde] aangehouden kassaregistratie.

4.14. De familie [familienaam] verweert zich door te stellen dat bij negen van de elf getelde merken geen rekening is gehouden met mogelijke verschillen tussen de begin- en eindvoorraad. Verder stelt zij dat zij geen merkproducten heeft gestolen en dat het oorzakelijk verband met de gepleegde diefstallen niet is aangetoond. Verder heeft de accountant geen accountantscontrole toegepast zodat van de juistheid van de tellingen niet zonder meer kan worden uitgegaan. Verder stelt zij dat zij pas in 2006 is begonnen met de diefstallen.

4.15. De rechtbank volgt de familie [familienaam] in haar verweer dat aan de tellingen geen conclusies kunnen worden verbonden voor zover geen rekening is gehouden met de mogelijke verschillen tussen de begin- en eindvoorraad. Dat geldt voor negen van de elf getelde merken. De vordering is in zoverre het deze merken betreft, onvoldoende gesubstantieerd. De schadevordering zal worden afgewezen in zoverre het deze merken betreft.

4.16. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de tellingen van de andere twee merken, namelijk de merken Gevavi en Talen. De in- en verkoop van die merken is door de accountant gecontroleerd. De juistheid van de opgegeven beginvoorraad (voor beide merken nul) en eindvoorraad heeft de accountant echter niet gecontroleerd. Nu als onbestreden vaststaat dat er geen accountantscontrole is geweest, zal [gedaagde] de juistheid van de door haar opgegeven begin- en eindcijfers moeten bewijzen.

4.17. Aan de stelling van de [familienaam] dat het causaal verband met de door haar gepleegde diefstallen niet is aangetoond wordt voorbij gegaan nu niet gebleken is van andere diefstallen in diezelfde periode, althans niet op dezelfde schaal.

4.18. De stelling van de familie [familienaam] dat er geen merkproducten zijn gestolen, is niet te rijmen met de verklaring van [eiser 1] bij de politie dat er gereedschappen van de merken Wolf en Gardena zijn meegenomen. Ook uit de beslaglegging blijkt van meerdere merkproducten. Gelet op de hoeveelheid gaat het onmiskenbaar om een handelsvoorraad en niet om privé-zaken. De rechtbank gaat daarom ook aan dit verweer van de familie voorbij.

4.19. [eiser 1] heeft medio 2006 verklaard dat de diefstallen twee tot drie jaar aan de gang waren. [eiser 2] heeft verklaard dat deze anderhalf jaar aan de gang waren. Gelet op deze verklaringen gaat de rechtbank uit van diefstallen die zijn gepleegd vanaf 2004. Er is geen bewijs voor diefstallen vanaf 2001, zoals [gedaagde] stelt, althans niet op de schaal waarop deze vanaf 2004 hebben plaatsgevonden. [gedaagde] baseert zich op een voorval in 2001. In dat jaar zou de familie [familienaam], althans [eiser 2] [familienaam], een beeldje hebben gestolen. Dit wordt door de familie [familienaam] betwist. De rechtbank kan de juistheid van de stelling van [gedaagde] in het midden laten. De reden daarvoor is dat niet gesteld noch gebleken is dat deze diefstal geplaatst moet worden in de categorie van diefstallen die daarna hebben plaatsgevonden. Dit geldt zowel wat betreft de schaal als de wijze waarop deze diefstallen zijn uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gestelde omzetverlies tot 2004 niet op grond van dit ene voorval, indien dit al als vaststaand zou worden aangemerkt, aan de familie [familienaam] kan worden toegeschreven.

4.20. Naast de voorraadverschillen stelt [gedaagde] schade te hebben geleden in verband met een waardevermindering van de zaken die aan haar zijn afgegeven. De schade heeft zij laten taxeren door een expert op € 70.126,00 ex. BTW. Het enige verweer van de familie [familienaam] is dat de prijzen waarvan de expert is uitgegaan niet kloppen. Zij stelt echter niet in welke zin de prijzen niet kloppen. Het had op haar weg gelegen de dan wel door haar als juist geachte prijzen op te geven. Zij heeft dit niet gedaan zodat de rechtbank aan haar verweer voorbij gaat als zijnde onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank zal de vordering tot schadevergoeding toewijzen in zoverre komt vast te staan dat [gedaagde] van de zaken – de zaken die aan haar zijn afgegeven – rechthebbende was. Zoals in conventie overwogen wordt [gedaagde] vermoed daarvan de eigenaar te zijn, althans te zijn geweest, en is het aan de familie [familienaam] om dit te weerleggen. De rechtbank zal de familie [familienaam] daarom ook in reconventie opdragen het tegenbewijs van dit vermoeden te weerleggen.

4.21. Verder vordert [gedaagde] een vergoeding van € 6.000,00 in verband met planten die zijn gestolen. De familie [familienaam] betwist dat zij planten heeft gestolen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. [eiser 1] [familienaam] heeft bij de politie namelijk verklaard dat [eiser 3] Anoldussen rond het grasveld en in de achtertuin zo’n dertig planten van [gedaagde] heeft staan. Omdat de familie [familienaam] de hoogte van schade als zodanig niet betwist is de schade tot die hoogte toewijsbaar hetgeen te zijner tijd in het eindvonnis wordt vastgelegd.

4.22. [gedaagde] vordert de huur die zij heeft moeten betalen voor een vrachtwagen die zij heeft gebruikt om de gestolen zaken bij de familie [familienaam] weg te halen. Omdat de familie [familienaam] erkent dat in ieder geval een substantieel gedeelte van de zaken toebehoren aan [gedaagde] en derhalve terecht door haar zijn weggehaald, is de rechtbank van oordeel dat zij deze kosten moet vergoeden. Niet valt in te zien waarom [gedaagde], zoals de familie [familienaam] stelt, voor deze vergoeding bij de officier moet zijn. [gedaagde] handelde weliswaar in opdracht van de officier maar dat staat niet in de weg aan een rechtstreekse actie jegens de familie. De diefstallen zijn onrechtmatig jegens [gedaagde] en er is voldoende causaal verband met de als schade opgevoerde huur. De familie [familienaam] stelt echter ook, naar het oordeel van de rechtbank terecht, dat [gedaagde] de hoogte van de huur niet heeft aangetoond, bijvoorbeeld met een factuur. Gelet op deze betwisting en het bewijsaanbod van [gedaagde], zal [gedaagde] in de gelegenheid worden gesteld haar schade verder toe te lichten en bewijs daarvoor te geven.

4.23. Verder wordt door [gedaagde] een vergoeding gevorderd voor de kosten in verband met personeel dat zij heeft moeten inzetten voor het weghalen van de spullen. Ook hier vraagt de familie [familienaam] terecht een specificatie. Daarbij stellen zij dat er teveel personeel is ingezet. Gelet hierop zal [gedaagde] moeten specificeren en bewijzen hoeveel personeel is en tegen welke kosten. Verder zal de proportionaliteit van deze inzet aannemelijk moeten worden. De rechtbank zal daarvoor te zijner tijd een bewijsopdracht geven. De bewijsopdracht zal tevens de schade omvatten die [gedaagde] stelt te hebben geleden als gevolg van een tijdelijke sluiting van haar boulangerie waarvan zij stelt dat deze nodig was omdat zij het daarin werkzame personeel moest inzetten bij de inbeslagname.

4.24. De rechtbank zal iedere overweging en beslissing met betrekking tot de gevorderde accountantskosten, kosten van rechtsbijstand en wettelijke rente, aanhouden in afwachting van verdere beslissingen in deze zaak ten gronde.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. draagt de familie [familienaam] op het tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat [gedaagde] eigenaar is van de zaken op de beslaglijst van de politie in zoverre deze niet meer onder de politie zijn (r.ov 4.7 en 4.8) , alsmede bewijs te leveren van haar stelling dat [gedaagde] tijdens de jusititiële beslaglegging bezit heeft genomen van de zaken op de door haar opgestelde lijst ‘op geen enkele lijst voorkomend’ en dat zij - de familie [familienaam] - daarvan eigenaar is (r.ov. 4.6),

5.2. draagt [gedaagde] op te bewijzen, als tegenbewijs, dat zij eigenaar is van de zaken die nog onder de politie zijn (r.ov. 4.7),

in reconventie

5.3. draagt de familie [familienaam] op het tegenbewijs te leveren van het vermoeden dat [gedaagde] eigenaar is van de zaken op de beslaglijst van de politie in zoverre deze niet meer onder de politie zijn (r.ov. 4.20 en r.ov. 4.8),

5.4. draagt [gedaagde] op te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit de door haar gestelde huur van de vrachtwagen (r.ov. 4.22) en de door haar gestelde winstderving in verband met de inzet van haar personeel kan blijken (r.ov. 4.23), alsmede te bewijzen dat de door haar opgegeven begin- en eindvoorraad van de producten Gevavi en Talen juist is (r.ov. 4.16),

voorts in conventie en in reconventie

5.5. beveelt partijen de stukken van het door [gedaagde] gelegde conservatoir beslag op roerende zaken waaronder de beslaglijst, in het geding te brengen en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 17 oktober 2007,

5.6. bepaalt dat partijen zich op die rol tevens dienen uit te laten of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.7. bepaalt dat indien partijen geen bewijs door getuigen willen leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen de stukken direct in het geding moet brengen,

5.8. bepaalt dat indien partijen getuigen willen laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober tot en met december 2007 direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.9. bepaalt dat de getuigenverhoren zullen plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.R. Veerman in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.10. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moet toesturen,

5.11. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2007.