Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB4188

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
503596 AZ VERZ 07-7068
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet. Verzoek werknemer tot voorlopig getuigenverhoor wegens geen (voldoende) belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 160

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 503596 \ AZ VERZ 07-7068 \ 199 jt

uitspraak van 17 september 2007

Beschikking

in de zaak van

[verzoekende partij]

wonende te Wijchen

verzoekende partij

gemachtigde mr. E.C.N. Amory

en

[verwerende partij] h.o.d.n. [handelsnaam]

wonende te Wijchen

verwerende partij

gemachtigde mr. D. Galijasevic.

Partijen worden hierna [verzoekende partij] en [verwerende partij] genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit

- het verzoekschrift van 3 augustus 2007

- de aantekeningen van de mondelinge behandeling van 3 september 2007, waarbij [verwerende partij] zich heeft bediend van pleitaantekeningen met overlegging van producties.

De feiten

1.1 [verzoekende partij] is met ingang van 1 maart 2005 bij [verwerende partij] in dienst getreden voor 28 uur per week als baliemedewerker/verkoper, zulks tegen een huidig salaris van € 1.740,- bruto per vier weken exclusief 8% vakantietoeslag.

1.2 [verzoekende partij] is op 6 juni 2007 op staande voet ontslagen. In een ongedateerde brief van [verwerende partij] aan [verzoekende partij], waarin hem dat ontslag wordt meegedeeld, is vermeld, dat hij eerder bij brief van 24 april 2007 officieel is gewaarschuwd wegens overtreding van de interne regels en verder, voor zover hier van belang:

“(…) Ondanks de officiële waarschuwing, heeft u eerder genoemde interne regels op 4 juni 2007 wederom overtreden. Bij [bedrijf A] heeft u producten op leveringsbon 007416432 een andere omschrijving gegeven, dit netto op een verzamelartikel weggeschreven en tevens netto afgeprijsd. Voor deze gedraging had u geen toestemming van de bedrijfsleiding.

Reeds in verband met het voorgaande en gezien de uitdrukkelijke waarschuwing d.d. 24 april jl., bestaat voldoende aanleiding om u op staande voet te ontslaan. Daar komt echter bij het volgende.

Bij de aanstelling wordt aan onze werknemers uitdrukkelijk medegedeeld op welke wijze gehandeld dient te worden bij de uitgifte van cadeaubonnen. Deze procedure is ook bij u bekend. Omdat wij het vermoeden hadden dat één van onze medewerkers zich schuldig maakte aan het valselijk uitgeven van cadeaubonnen, hebben wij een onderzoek ingesteld. Nadat u door ons geconfronteerd werd met de ‘vervalste’ bonnen, heeft u ontkend betrokken te zijn geweest bij enige vorm van vervalsing. (…)

In afwijking van de door u gedane verklaringen, meenden meerdere werknemers van ons wel uw handschrift te herkennen op deze bonnen. Derhalve hebben wij een forensisch schriftkundig onderzoek laten uitvoeren. (…)

Zoals u inmiddels weet, bleek uit het forensisch onderzoek dat de handschriften op de vervalste bonnen met “de hoogste mate van waarschijnlijkheid” van u afkomstig zijn.

(…)

Wij zijn van mening dat het valselijk uitgeven van cadeaubonnen op zich, maar ook in onderlinge samenhang met de overige beschreven handelingen en gedragingen een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. (…)

Wij zijn van mening dat de omstandigheid dat u zich (meerdere malen) schuldig heeft gemaakt aan de vervalsing van bonnen en het handelen in strijd met de geldende regels een dringende reden oplevert om de arbeidsovereenkomst met u met onmiddellijke ingang op te zeggen.

Wij zijn dan ook van mening dat de beschreven handelingen en gedragingen ieder voor zich en in onderlinge samenhang een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. (…)”

Het verzoek en het verweer

2. [verzoekende partij] verzoekt dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, beveelt dat een voorlopig getuigenverhoor zal worden gehouden.

Hij voert daartoe, kort samengevat, aan dat de hem in de onder 1.2 aangehaalde brief gemaakte verwijten onterecht zijn. Hij heeft er recht en belang bij dat komt vast te staan dat de aan zijn adres gemaakte verwijten niet terecht zijn.

2. [verwerende partij] voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling

4. Tijdens de behandeling van het verzoekschrift heeft [verzoekende partij] de in de onder 1.2 genoemde brief genoemde transactie met [bedrijf A] toegegeven. Volgens hem gebeurt dit echter ten aanzien van aankopen door vaste relaties met medeweten en instemming van de directie van [verwerende partij] nagenoeg dagelijks. [verwerende partij] heeft dit laatste ook ter zitting erkend. Zij heeft daarbij als voorbeeld gegeven dat zij toestaat dat zes tuinstoelen worden “weggeschreven onder bouwmaterialen”. Volgens haar gebeurt dit tussen 250 tot 1.000 keer per jaar, precies weet zij dat niet. Wat zij [verzoekende partij] echter verwijt is dat hij zonder toestemming vooraf van de directie de onderhavige transactie met [bedrijf A] heeft uitgevoerd. [verzoekende partij] stelt hiertegenover echter dat toestemming vooraf nooit nodig was en dat voldoende was dat een dergelijke transactie achteraf werd doorgegeven. [verzoekende partij] heeft echter geen, althans onvoldoende belang om omtrent dit punt getuigen te horen. Niet valt immers in te zien dat [verwerende partij] de onderhavige transactie aan het ontslag op staande voet van [verzoekende partij] ten grondslag kan leggen, nu zij toestaat dat facturen, mede bestemd voor de fiscus, bewust onjuist worden ingevuld. De gestelde foutieve uitvoering door [verzoekende partij] van deze rechtens laakbare praktijk kan zij hem namelijk niet verwijten.

5. In het schriftelijk verslag van 18 mei 2007 van het forensisch schriftonderzoek, waaraan in de onder 1.2 genoemde brief wordt gerefereerd, worden de volgende bevindingen vermeld:

“- het schrift op de cadeaubon met de datum van 17 januari is in feite niet geschikt voor identificatie (verdraaid handschrift),

- er bestaat steun voor de opvatting, dat het handschrift op de beide bonnen is geproduceerd door één en dezelfde schrijver,

- het handschrift op de cadeaubon van 10 februari is naar mijn mening met de hoogste mate van waarschijnlijkheid geschreven door de schrijver van het vergelijkingsmateriaal.”

[verzoekende partij] heeft ter zitting gesteld dat het handschrift op de bon van 10 februari van hem zou kunnen zijn, maar dat de handtekening niet van hem is. Het handschrift op de andere bon herkent hij blijkens zijn verklaring ter zitting echter niet. Volgens [verwerende partij] ter zitting heeft [verzoekende partij] tien bonnen meegenomen zonder betaling, die hij heeft ingeleverd op dagen dat hij facturen voor privé aangekochte zaken betaalde.

[verzoekende partij] betwist in zijn verzoekschrift dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan vervalsing van cadeaubonnen, dan wel enige andere vorm van fraude met cadeaubonnen. Hij heeft noch in zijn verzoekschrift, noch ter zitting aangegeven wat de opgegeven getuigen met betrekking tot de door [verwerende partij] gestelde fraude met tien cadeaubonnen door hem zouden kunnen verklaren. Ook op dit punt kan de conclusie geen andere zijn, dan dat [verzoekende partij] geen, althans onvoldoende belang heeft voor het horen van getuigen.

6. De slotsom is dat het verzoek zal worden afgewezen. De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna te melden.

De beslissing

De kantonrechter

wijst het verzoek af,

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. J.W.M. Tromp en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2007.