Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB3684

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
05-09-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
154714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de auto zijn eigendom was, dat hij alle kosten daarvan heeft gedragen, dat gedaagde na het verbreken van de relatie tussen eiser en dochter van gedaagde zonder overleg de auto heeft geschorst, als gevolg waarvan deze door de politie in beslag is genomen, en ten slotte de auto zonder enig overleg ver beneden de werkelijke waarde voor een bedrag van € 4500,-- heeft verkocht. Eiser stelt verder niets af te weten van boetes en geen rekeningen ter betaling te hebben gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 154714 / HA ZA 07-665

Vonnis in verzet van 5 september 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gedaagde in het verzet,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaat mr. R. Kaya te Hengelo,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

eiser in het verzet,

procureur en advocaat mr. J.A.A. van Buggenum te Westervoort.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 mei 2007;

- het proces-verbaal van comparitie van 20 juli 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In het jaar 2004 had [eiser] een relatie met [betrokkene], de dochter van [gedaagde].

2.2. [eiser] heeft in augustus 2004 bij autobedrijf De Watertoren te Dongen een automobiel, merk BMW 525 TDS met kenteken [kenteken] gekocht. De factuur van deze aankoop van 28 augustus 2004 vermeldt een koopprijs van € 12.000,-. Op de factuur, met factuurnummer 4082001, is met pen geschreven: “in 6 maanden per kas”.

2.3. Op dezelfde dag heeft [eiser] bij autobedrijf De Watertoren een automobiel, merk Mercedes-Benz 500E, ingeruild. De inkoopfactuur vermeldt een aankoopprijs van € 8.000,-. Voorts is met pen op de factuur geschreven: “door verrekening van fact. 4082001. De Mercedes-Benz was op 19 mei 2004 door [eiser] gekocht bij autobedrijf De Watertoren voor een bedrag van € 10.000,-.

2.4. Op 23 juli 2004 is een kredietovereenkomst nummer 1003051954 opgesteld tussen [eiser] en [betrokkene (dochter van gedaagde)] enerzijds en BV Kredietmaatschappij Vola anderzijds, waarbij Vola een krediet heeft verleend van € 10.800,-. De overeenkomst is niet ondertekend.

2.5. Een afschrift van de Vola Privé Spaarkredietrekening van [eiser] met nummer 100.30.51.954 van 30-6-2004 vermeldt als saldo op 31-5-2004 een debetstand van € 10.827,25.

2.6. Op verzoek van [eiser] heeft [gedaagde] de BMW met kenteken [kenteken] op zijn naam laten zetten met ingang van 31 augustus 2004. Ook de verzekering is op naam van [gedaagde] gezet.

2.7. In november 2004 is de relatie tussen [eiser] en [betrokkene] beëindigd. Enige tijd hierna heeft [gedaagde] de auto geschorst, waardoor ook de verzekering van rechtswege werd beëindigd.

2.8. Medio december 2004 heeft de politie de BMW onder [eiser] in beslag genomen en is [eiser] aangehouden. [eiser] reed op dat moment in de auto toen deze geschorst en niet verzekerd was. Voorafgaande aan dan wel tijdens de aanhouding is de motor van de auto vastgelopen. Door Justitie is de auto opgeslagen bij de Dienst Domeinen.

2.9. De auto is op 12 oktober 2006 door Justitie aan [gedaagde] als houder van het kenteken afgegeven. [gedaagde] heeft de auto dezelfde dag verkocht aan Garage Centerpoort te Arnhem. De inkoopverklaring vermeldt “gekocht BMW 525 met motorschade + bumperschade” en als inkoopprijs een bedrag van € 2.000,- contant.

2.10. Over de tijdvakken 31 augustus 2004 t/m 20 oktober 2004, 2005, 30 oktober 2005 t/m 20 januari 2006 en 21 januari 2006 t/m 20 april 2006 heeft [gedaagde] aanmaningen en naheffingen ontvangen tot een totaalbedrag van € 1.404,-. Daarnaast zijn bij [gedaagde] door een gerechtsdeurwaarder bekeuringen geïncasseerd tot een totaalbedrag – inclusief incassokosten – van € 649,79. De heffingen, naheffingen en boetes zijn thans alle door [gedaagde] voldaan.

2.11. Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [eiser] ten laste van [gedaagde] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de Postbank N.V.

3. Het geschil

3.1. [eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 12.000,- vermeerderd met rente en kosten en een onzijdig persoon te benoemen als bedoeld in artikel 3:181 om [gedaagde] te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot betaling van de vordering.

3.2. Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiser] toegewezen behoudens de benoeming van een onzijdig persoon en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 842,77, en in de kosten van het beslag, begroot op € 773,09.

3.3. [gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiser] alsnog worden afgewezen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2. Het beslag is gelegd met inachtneming van de juiste formaliteiten en termijnen.

4.3. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de auto zijn eigendom was, dat hij alle kosten daarvan heeft gedragen, dat [gedaagde] na het verbreken van de relatie tussen [eiser] en [betrokkene] zonder overleg de auto heeft geschorst, als gevolg waarvan deze door de politie in beslag is genomen, en ten slotte de auto zonder enig overleg ver beneden de werkelijke waarde voor een bedrag van € 4.500,- heeft verkocht. [eiser] stelt verder niets af te weten van boetes en van [gedaagde] geen rekeningen ter betaling te hebben gekregen. Volgens [eiser] had de auto ten tijde van de inbeslagneming nog een waarde van minimaal € 12.000,- en dient [gedaagde] hem deze waarde te vergoeden.

4.4. [gedaagde] heef ontkend dat de aanschafprijs van de BMW € 12.000,- heeft bedragen. Volgens hem is niet gebleken dat [eiser] het factuurbedrag volledig heeft voldaan. Ook is de gestelde aankoopprijs volgens hem niet aannemelijk in het licht van de prijs die [gedaagde] bij verkoop voor de auto heeft gekregen.

4.5. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat [eiser] na het verbreken van de relatie met [betrokkene] gestopt is met het betalen van de aan de BMW verbonden kosten en dat hij vanaf dat moment, nadat hij had aangekondigd “bekeuringen te gaan rijden”, een groot aantal verkeersovertredingen heeft begaan. [gedaagde] heeft gesteld dat hij de vele bekeuringen en de kosten van belastingen en verzekeringen niet van zijn bescheiden WAO-uitkering kon betalen, waardoor extra boetes verschuldigd zijn geworden. Daardoor stelt [gedaagde] in ernstige financiële problemen te zijn gekomen.

4.6. [gedaagde] heeft gesteld dat [eiser] er volledig van op de hoogte was dat hij de auto had laten schorsen. [gedaagde] zou dit telefonisch aan [eiser] hebben medegedeeld en vervolgens wegens dit schorsen door [eiser] zijn bedreigd. Voorts zou [eiser] de motor hebben opgeblazen toen hij bij zijn aanhouding de politie wilde ontlopen.

4.7. Volgens [gedaagde] heeft hij de auto na teruggave door Justitie direct verkocht omdat de auto niet meer kon rijden en hij geen verdere kosten meer wilde maken. De opbrengst van de verkoop heeft hij verrekend met de door hem betaalde kosten.

4.8. Tussen de partijen is niet in geschil dat [eiser] de BMW in eigendom had verkregen en dat [gedaagde] deze als vriendendienst op zijn naam had staan. Dit betekent dat [gedaagde] niet gerechtigd was de auto te verkopen. Hij zal de schade die [eiser] hierdoor heeft geleden aan deze dienen te vergoeden.

4.9. [eiser] heeft aannemelijk gemaakt dat hij in mei 2004 een Mercedes heeft gekocht voor een bedrag van € 10.000,-. Dit blijkt uit de aankoopnota en het feit dat in diezelfde periode een krediet is afgesloten ter grootte van € 10.800,-. Hij heeft met de overgelegde nota’s eveneens aannemelijk gemaakt dat hij deze auto op 28 augustus 2004 heeft ingeruild voor een bedrag van € 8.000,- en op diezelfde dag de BMW heeft gekocht voor € 12.000,-. [gedaagde] heeft weliswaar weersproken dat [eiser] € 12.000,- voor de auto heeft betaald, maar zijn weerspreking volstrekt niet onderbouwd. Het enkele feit dat [eiser] is overeengekomen een deel van de koopprijs later te betalen is geen reden om aan te nemen dat dit deel niet door hem verschuldigd is en is dan wel moet worden betaald.

4.10. Toen de auto in december 2004 door de politie in beslag werd genomen was hij niet verzekerd. In deze procedure is niet duidelijk geworden of het niet verzekerd zijn de reden van inbeslagname was. Wel staat vast dat [gedaagde] de auto heeft laten schorsen, waardoor ook de verzekering kwam te vervallen.

4.11. [gedaagde] heeft gesteld dat hij [eiser] ervan op de hoogte heeft gesteld dat de auto werd geschorst. [eiser] heeft dit ontkend. Naar het oordeel van de rechtbank is dit punt echter niet van belang. [eiser] heeft op de comparitie van partijen verklaard dat [gedaagde] hem altijd de rekeningen voor de verzekering en de bekeuringen gaf en dat hij die vervolgens betaalde. Hij heeft ook verklaard dat hij geen rekeningen meer heeft gekregen vanaf het moment dat de relatie met [betrokkene] werd verbroken. Naar het oordeel van de rechtbank kon [eiser] er dan ook niet vanuit gaan dat vanaf dat moment de rekeningen betaald werden. Het is [eiser] dan ook aan te rekenen dat hij onverzekerd in de auto heeft gereden. Hij had zich als bestuurder alvorens in de auto te rijden ervan moeten vergewissen dat de belasting en de verzekering waren betaald. Als de auto in beslag is genomen omdat hij geschorst en niet verzekerd was, is dit aan [eiser] toe te rekenen. Als de auto om een andere reden in beslag is genomen, is dit ook aan [eiser] als gebruiker toe te rekenen. De waardedaling van de auto in de tijd dat deze bij de Domeinen stond (circa twee jaar) dient daarom voor rekening van [eiser] te komen.

4.12. Vast staat dat de motor van de auto ten tijde van de inbeslagneming beschadigd was. Volgens [eiser] was deze vastgelopen en volgens Stomhorst opgeblazen. Dat betekent dat de auto op dat moment al (aanzienlijk) minder waard was dan de door [eiser] gestelde € 12.000,-.

4.13. Partijen verschillen van mening over de vraag wat precies de waarde van de auto was toen hij op 12 oktober 2006 door Justitie werd vrijgegeven. [gedaagde] heeft gesteld dat hij de auto voor de werkelijke waarde aan een handelaar heeft verkocht, en wel voor € 2.000,-. Ten bewijze hiervan heeft hij een inkoopfactuur overgelegd. De factuur vermeldt dat de auto op dat moment motorschade en bumperschade had. Hiertegen heeft [eiser] weliswaar aangevoerd dat [gedaagde] hem zou hebben gezegd dat deze de auto voor € 4.500,- had verkocht en dat hij de auto thans voor € 7.500,- bij de handelaar zou kunnen terugkopen. [eiser] heeft deze stellingen, die door [gedaagde] zijn weersproken, echter onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal dan ook uitgaan van de in de factuur genoemde waarde van € 2.000,-, die gezien de omstandigheden ook niet onjuist overkomt.

4.14. Een en ander betekent dat [gedaagde] [eiser] in beginsel het bedrag van € 2.000,- dient te vergoeden.

4.15. [gedaagde] heeft echter aangegeven, dat hij het ontvangen bedrag heeft verrekend met de door hem betaalde wegenbelasting, verzekering en bekeuringen. Aangezien [eiser] de eigenaar en gebruiker van de auto was en bovendien heeft aangegeven dat hij met [gedaagde] had afgesproken dat hij de kosten van de auto zou voldoen, moet worden aangenomen dat [gedaagde] deze kosten van [eiser] kon terugvorderen en verrekenen met de opbrengst van de auto.

4.16. Stomhorst heeft de door hem betaalde kosten onderbouwd tot een bedrag van € 2.053,79. De overige kosten zijn niet aangetoond en kunnen om die reden niet in de verrekening worden betrokken.

4.17. [eiser] heeft terecht aangevoerd dat de verschuldigde wegenbelasting over de periode dat de auto bij de Domeinen stond, uitsluitend verschuldigd is omdat [gedaagde] heeft verzuimd de schorsing van de auto te laten verlengen. Derhalve dient dit bedrag van in totaal € 1.117,- voor rekening van [gedaagde] te blijven.

4.18. Na verrekening van het resterende bedrag van € 936,79 dient [gedaagde] dus nog € 1.063,21 aan [eiser] te vergoeden. Tot dit bedrag kan de vordering worden toegewezen.

4.19. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag kan worden toegewezen vanaf de dag dat [gedaagde] de auto heeft verkocht en de koopprijs heeft ontvangen, te weten 12 oktober 2006.

4.20. De gevorderde benoeming van een onzijdig persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW zal worden afgewezen, aangezien dit artikel ziet op benoeming van een onzijdig persoon in het kader van de verdeling van een gemeenschap en in deze zaak geen sprake is van verdeling van een gemeenschappelijk goed.

4.21. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. Het toewijsbare deel van de vorderingen van [eiser] zal als volgt worden toegewezen.

4.22. De rechtbank begrijpt dat [eiser] de beslagkosten van [gedaagde] wil terugvorderen. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 321,09 voor verschotten en € 384,- voor salaris procureur (1 rekest x € 384).

4.23. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt het door deze rechtbank op 7 maart 2007 onder zaaknummer / rolnummer 150413 / HA ZA 06-2359 gewezen verstekvonnis;

en opnieuw beslissend

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.063,21 (éénduizenddrieënzestig euro en éénentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het nog niet betaalde deel van het toegewezen bedrag vanaf 12 oktober 2006 tot de dag van volledige betaling;

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 705,09, te voldoen aan de griffier door overmaking op rekeningnummer 19.23.25.752 ten name van Arrondissement 533 Arnhem onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij zowel in de verstekprocedure als in de verzetprocedure de eigen kosten draagt;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Noordraven en in het openbaar uitgesproken op 5 september 2007.