Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB3650

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
147780
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op dwaling wegens een onjuiste voorstelling van zaken in de overdrachtsbalans is ongegrond. De primaire vordering wordt afgewezen.

De subsidiaire vordering is enkel gebaseerd op de in de transportakte opgenomen garantie met betrekking tot de afwezigheid van achterstallige belasting- en premieschulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 147780 / HA ZA 06-1974

Vonnis van 29 augustus 2007

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BORGO MANAGEMENT & CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Loosdrecht,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZENITH BEHEER B.V.,

gevestigd te Heesch,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

procureur mr. P.M. Wilmink,

advocaat mr. R. Vissers te 's-Hertogenbosch,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VOLLEBREGT BEHEER B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J.F.E. van Halder,

advocaat mr. T.L. Hemrica te Nijmegen.

Partijen zullen hierna BMC en Zenith en Vollebregt genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 maart 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2007

- de conclusie van antwoord in reconventie

- de akte van Vollebregt, houdende vermeerdering van eis in reconventie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij schriftelijke overeenkomst van 29 mei 2006 heeft Vollebregt alle aandelen in het callcenter Vollebregt & Vermeulen B.V. (verder: de vennootschap) verkocht aan BMC voor de koopsom van één euro en tegen overname van een rekening-courant schuld van de vennootschap aan Vollebregt. De streefdatum voor de overdracht werd gesteld op uiterlijk 9 juni 2006. Uiteindelijk is bij notariële transportakte van 21 juli 2006 de helft van de aandelen geleverd aan BMC en de andere helft aan Zenith, die intussen als medekoper tot de overeenkomst was toegetreden. Bij het passeren van de akte werden alle partijen vertegenwoordigd door een schriftelijk gevolmachtigde medewerkster van het notariskantoor.

2.2. In de notariële akte is de rekening-courant vordering van Vollebregt op de vennootschap gesteld op € 25.000,00 en is opgenomen dat BMC en Zenith ieder de helft van die vordering overnemen en gecedeerd krijgen voor het reeds betaalde bedrag van ieder € 12.500,00.

2.3. In artikel 4 van de akte wordt een aantal garanties van de verkoper opgesomd.

De aanhef van lid 1 luidt: “De Verkoper garandeert de Koper, dat de hierna te melden verklaringen juist en volledig zijn bij het verlijden van deze akte:”

In artikel 4 lid 1 sub h, i en m staat: “de balans per een en dertig maart tweeduizend zes - hierna te noemen de ‘Overdrachtsbalans’ - is partijen genoegzaam bekend”, “de Overdrachtsbalans geeft getrouw en stelselmatig de grootte en samenstelling van het vermogen per de datum waarop de Overdrachtsbalans betrekking heeft, weer” en “de Vennootschap heeft geen andere, al dan niet voorwaardelijke of opeisbare verplichtingen om te betalen, te doen of na te laten dan opgenomen in de Overdrachtsbalans”.

Sub o staat: “de Vennootschap heeft volledig en tijdig aan haar verplichtingen voortvloeiende uit de fiscale wetgeving en uit de sociale verzekeringswetgeving met betrekking tot het doen van aangifte en het doen van afdrachten voldaan en met de autoriteiten belast met de toepassing van de fiscale en sociale wetgeving bestaat geen geschil en zo een geschil is in redelijkheid niet te verwachten”.

In artikel 4 lid 3 staat: “De Verkoper is jegens de Koper aansprakelijk voor de gehele vermogensschade, indien een of meer van de in lid 1 vermelde verklaringen onjuist en/of onvolledig zijn…”.

Artikel 5 luidt: “Partijen doen afstand van het recht om de Overeenkomst (in de considerans omschreven als de overeenkomst van verkoop en koop van de Aandelen en de Vordering, rechtbank) en de in deze akte neergelegde neergelegde overeenkomst te ontbinden op grond van het bepaalde in artikel 6:265 lid 6 Burgerlijk Wetboek”.

2.4. De vennootschap is op eigen aangifte op 11 oktober 2006 in staat van faillissement verklaard.

2.5. BMC en Zenith hebben met verlof van de voorzieningenrechter op 11 oktober 2006 ten laste van Vollebregt en ten laste van haar directeur Maurice Sebastiaan Vollebregt conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ABN-AMRO Bank en F. van Lanschot Bankiers.

3. Het geschil

in conventie

3.1. BMC en Zenith vorderen, samengevat:

• primair de akte van aandelenoverdracht te vernietigen en Vollebregt te veroordelen tot terugbetaling van de € 25.000,00 die middels de aflossing van de rekening courant was gemoeid met de aandelenoverdracht en

• subsidiair voor recht te verklaren dat Vollebregt is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de garantiebepaling uit artikel 4 sub o van de akte, onder vergoeding van de daardoor geleden schade, te stellen op in totaal € 25.000,00,

• zulks met veroordeling van Vollebregt in de kosten van deze procedure.

3.2. Vollebregt voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. Vollebregt vordert in haar conclusie van eis in reconventie samengevat – hoofdelijke veroordeling van BMC en Zenith tot betaling van

1) € 66.112,00 (exclusief BTW) met rente wegens niet uitbetaalde managementvergoeding,

2) € 3.000,00 met rente terzake van een door Vollebregt namens de vennootschap afgelost bankkrediet,

3) € 2.500,00 voor vergoeding van immateriële schade,

4) € 140,00 en € 119,00 met rente wegens in verband met de derdenbeslagen door de Banken in rekening gebrachte verwerkingskosten,

5) € 16.791,00 met rente terzake van een door S. Vermeulen aan Vollebregt gecedeerde vordering op de vennootschap,

6) een en ander met veroordeling van BMC en Zenith in de proceskosten.

3.4. BMC en Zenith voeren verweer in hun conclusie van antwoord in reconventie.

3.5. Ter comparitie heeft Vollebregt een akte tot vermeerdering van eis ingediend, waarbij zij aanvullend een bedrag van € 523,60 met rente vordert terzake van door haar betaalde taxikosten.

3.6. BMC en Zenith hebben zich ter comparitie verzet tegen de vermeerdering van eis, zowel formeel als materieel.

3.7. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De rechtbank verstaat dat BMC en Zenith hun primaire vordering baseren op dwaling. Hun primaire petitum leest de rechtbank aldus dat BMC en Zenith vorderen om de obligatoire koopovereenkomst met betrekking tot de aandelen en de rekening-courant vordering te vernietigen en niet de notariële akte, zijnde dit slechts het transportmiddel dat zich niet leent voor gerechtelijke vernietiging.

4.2. BMC en Zenith stellen dat zij hebben gedwaald omtrent de omvang van het vermogen van de vennootschap.

Het betreft ten aanzien van de passiva: 1) openstaande omzetbelastingschulden over het eerste kwartaal van 2006 van € 11.791,00 en € 2.897,00, 2) een vordering van het UWV ad € 3.477,44 voor sociale premies en 3) een in het derde kwartaal van 2006 door facturering in juli aan Holland Financiële Diensten Groep (HFDG) ontstane afdrachtplicht van omzetbelasting ten bedrage van ongeveer € 5.000,00 terzake van grotendeels daarvoor, in mei en juni, bij wijze van voorschot reeds betaalde diensten.

Ten aanzien van de activa betreft het een in de boeken vermeld maar niet-existent tegoed van Hesta B.V. ad € 9.996,00.

Aldus werd volgens BMC en ZENITH de vermogenstoestand in de overdrachtbalans van 31 maart 2006 ongeveer € 33.000,00 beter voorgespiegeld dan zij feitelijk was.

4.3. Het gaat dus om de overdrachtsbalans, die kan worden aangemerkt als ‘een inlichting van de wederpartij’ als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 sub a BW. Die overdrachtsbalans is door Vollebregt overgelegd.

Ten aanzien van de twee omzetbelastingschulden over het eerste kwartaal is die balans geenszins onjuist. Ter comparitie is door BMC en Zenith erkend dat de desbetreffende afdrachtplicht is begrepen in het bedrag van de op de verdichte balans vermelde omzetbelastingschuld. Hetzelfde geldt voor de vordering van het UWV. De naar aanleiding van de facturering aan HFDG in juli 2006 ontstane afdrachtplicht kon uiteraard nog niet zijn verwerkt in de voordien opgemaakte balans per 31 maart 2006, terwijl toen ook de door BMC en Zenith gewraakte voorschotten nog niet waren betaald en dus geen (negatief) effect kunnen hebben gehad op de activa. Volgens BMC en Zenith werden die voorschotten immers later, in mei en juni, betaald. Of een vordering op Hesta B.V. was begrepen in de post debiteuren ad € 27.298,60 en, zo ja, tot welk bedrag, is ter comparitie niet duidelijk geworden. Het kan in elk geval niet de facturen betreffen, waarnaar BMC en Zenith verwijzen: hun productie 4. Dit zijn twee facturen van € 4.998,00, die zijn gedateerd op 9 juni 2006 en die betrekking hebben op belwerkzaamheden in de maanden mei en juni 2006, derhalve ontstaan na de datum van de overdrachtsbalans.

4.4. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep op dwaling wegens een onjuiste voorstelling van zaken in de overdrachtsbalans ongegrond is. De primaire vordering wordt afgewezen.

4.5. De subsidiaire vordering is enkel gebaseerd op de in de transportakte opgenomen garantie met betrekking tot de afwezigheid van achterstallige belasting- en premieschulden. De kwestie rond Hesta speelt hier dus niet. Evenmin kan de kwestie rond HFDG hier aan de orde zijn, omdat BMC en Zenith zelf stellen dat het een omzetbelastingschuld betreft die voortvloeide uit een facturering in de maand juli 2006. Die belasting hoefde pas te worden aangegeven en voldaan na ommekomst van het tijdvak, dus na 31 juli 2006 bij maandaangifte en na 30 september 2006 bij kwartaalaangifte. Ten tijde van het transport op 21 juli 2006 was nog geen sprake van verzuim.

4.6. Het gaat dus alleen om de omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2006 en om de premieschuld, die volgens Vollebregt ook betrekking had op het eerste kwartaal van 2006 (de door BMC en Zenith overgelegde acceptgiro staat nog op naam van de aan de vennootschap voorafgaande VOF en de premieschuld kan dus ook nog betrekking hebben op 2005).

De onder de feiten geciteerde garantie ziet op het volledig en tijdig doen van aangifte en afdracht en op de non-existentie van geschillen met de belastingdienst of het UWV. Het laatste is niet aan de orde en omtrent enig verzuim ten aanzien van de aangiften is niets gesteld. Het gaat dus alleen om de afdracht. Niet betwist is dat die belasting en die premies voor de aandelenoverdracht op 21 juli 2006 betaald hadden moeten zijn. Vollebregt stelt wel dat de B.V. pas op 23 december 2005 is opgericht en dat een nieuw BTW-nummer is aangevraagd, in welk geval gebruikelijk is dat de eerste aangifte, dus die over het eerste kwartaal van 2006, wordt afgerekend middels een naheffingsaanslag, maar uit de door BMC en Zenith overgelegde dwangbevelen volgt dat de betalingstermijn van de desbetreffende aanslagen d.dis 27 mei 2006 reeds verstreken was. Tussen partijen is niet in geschil dat het niet betaald zijn van die belasting- en premieschulden in strijd is met de hierboven geciteerde garantie, vermeld in artikel 4 lid 1 onder o van de transportakte.

4.7. Vollebregt heeft echter betwist dat zij die garantie heeft gegeven. Omdat BMC en Zenith zich beroepen op de uit die garantie voortvloeiende rechtsgevolgen, zullen zij het bestaan van die garantie moeten bewijzen. Zij beroepen zich daarvoor op de authentieke akte, die in beginsel dwingend bewijs oplevert krachtens artikel 157 lid 2 Rv. Vollebregt stelt dat die garantie nimmer is overeengekomen en dat de notariële akte op dit onderdeel niet juist is. Zij stelt dat haar directeur naar aanleiding van het toegezonden concept nog gebeld heeft met de notaris om hem te wijzen op deze onjuistheid. Desondanks is de akte op dit punt ongewijzigd gepasseerd, waarbij haar directeur niet lijfelijk aanwezig was, maar zich liet vertegenwoordigen. Wat hier verder van zij, de rechtbank accepteert de akte toch al niet als dwingend bewijs, omdat de akte met betrekking tot het betaald zijn van die belasting- en premieschuld niet eenduidig is. Er wordt in de akte immers ook verwezen naar een overdrachtsbalans, waarop die schulden nog als passiva staan vermeld, en een ‘overdrachtsbalans’ kan worden gezien als het samenstel van activa en passiva dat gemoeid is met de over te dragen aandelen. Dit betekent dat BMC en Zenith alsnog zullen moeten bewijzen dat de desbetreffende garantie is overeengekomen in die zin dat met Vollebregt is afgesproken dat de op de overdrachtsbalans vermelde belasting- en premieschulden nog vóór de feitelijke overdracht zouden worden afgelost.

4.8. Indien BMC en Zenith slagen in dit bewijs, komt aan de orde welke rechtsgevolgen de schending van de garantie heeft. Volgens de notariële akte, artikel 4 lid 3, leidt dit tot een verplichting tot schadevergoeding aan de zijde van Vollebregt. BMC en Zenith gaan ervan uit dat dit zonder meer impliceert dat zij de door hen betaalde koopsommen van 2x € 12.500,00 voor Vollebregt’s rekening-courant vordering op de vennootschap dienen terug te krijgen. De rechtbank kan hen hierin (nog) niet volgen.

Het onderwerp van de schade, in omvang en causaliteit, is in de stukken en op de comparitie nog niet of nauwelijks aan de orde gekomen. Om proceseconomische redenen nodigt de rechtbank partijen uit om zich eerst over dit onderwerp uit te laten. Pas daarna zal de rechtbank beslissen of BMC en Zenith tot de hierboven aangegeven bewijslevering worden toegelaten en of die bewijslevering mogelijk moet worden uitgebreid met probanda omtrent de schade.

4.9. Op voorhand overweegt de rechtbank dat daarbij (onder meer) de volgende punten aan de orde kunnen komen:

a) Bij schade tengevolge van niet-tijdige afdracht moet natuurlijk in de eerste plaats gedacht worden aan invorderingsrente en kosten van vervolging. Dit zijn betrekkelijk geringe bedragen, die niet voor rekening van BMC en Zenith zijn gekomen en die door hen ook niet worden gevorderd. Hoewel BMC en Zenith dit niet zo stellen, neemt de rechtbank aan dat hun standpunt is dat het op 21 juli 2006 nog niet-betaald zijn van de belasting- en premieschuld heeft geleid tot het faillissement van de vennootschap en daarmee tot onverhaalbaarheid van de door hen gekochte vordering op de vennootschap. Hierbij moet wel in aanmerking komen dat het in dit geval gaat om een faillissement dat enkele maanden na de aandelenoverdracht op eigen aangifte is uitgesproken.

b) De rechtbank constateert aan de hand van de bij de overdrachtsbalans behorende winst & verlies rekening dat de niet betaalde belasting- en premieschuld ongeveer eenvijfde beloopt van de omzet in het eerste kwartaal en geringer is dan de in dat kwartaal geboekte winst. Dit duidt niet op een oorzakelijk verband met het faillissement. De curator noemt in zijn eerste verslag (productie 28 van Vollebregt) naast de onbetaalde belastingschuld heel andere oorzaken van het faillissement, in het bijzonder een aan een stijgende rente op de woninghypothekenmarkt te wijten daling van het aantal hypotheekafspraken, een stijging van de kostprijs vanwege onontkoombare inkoop van internetleads, het uitblijven van een door BMC toegezegde liquiditeitsimpuls, het door het nieuwe management crediteren van eerder uitgeschreven facturen en het verbreken van de relatie door bestaande klanten vanwege onenigheid met het nieuwe bestuur. Voorts rept de curator van verschuldigde managementvergoedingen, waaronder, naar de rechtbank aanneemt, aan Vollebregt verschuldigde vaste vergoedingen van € 5.500,00 voor de maanden mei/juni en € 4.500,00 per maand vanaf 1 juli 2006, een en ander exclusief variabele vergoedingen en exclusief BTW. Daarnaast noemt de curator ook een aan Vollebregt toe te rekenen omstandigheid: het laten betalen door de debiteuren op de ABN-rekening ter delging van de debetstand, waarvoor Vollebregt en/of haar directeur borg stonden.

c) Vooralsnog is sowieso niet inzichtelijk (behoudens bij overwegend door de non-betaling veroorzaakt faillissement) dat de schade groter kan zijn dan het onbetaald gelaten bedrag van de belasting- en premieschuld, maar los daarvan moet mogelijk worden aangenomen dat met tijdige betaling van die schulden de activa navenant zouden zijn verminderd, zodat de vermogenstoestand van de vennootschap door die betaling niet beter of slechter zou zijn geweest. Het ligt immers voor de hand dat die schulden alsdan betaald zouden zijn vanaf de bankrekeningen van de vennootschap, waarmee de (positieve) saldi op die rekeningen, vermeld onder de activa bij de liquide middelen, zouden zijn verminderd en/of binnen de kredietfaciliteit op een van die rekeningen een (grotere) debetstand zou zijn ontstaan en/of dat die schulden zouden zijn voldaan middels versnelde inning van de op de balans vermelde debiteuren.

d) Ook rijst bij de rechtbank de vraag of BMC en Zenith voorafgaand aan hun faillissementsaangifte wel pogingen hebben gedaan om Vollebregt aan te spreken op de (mogelijk) door haar verstrekte garantie en of dat van hen niet gevergd kon worden.

e) Dan komt vervolgens nog aan de orde of, indien al kan worden aangenomen dat Vollebregt de materiële belasting- en premieschuld uit eigen zak had moeten betalen, hetgeen geenszins evident is, Vollebregt dat niet kon verrekenen met haar vorderingen op de vennootschap, onder meer terzake van de aan haar toegekende managementvergoedingen.

in reconventie

4.10. In het incident overweegt en beslist de rechtbank dat de vermeerdering van eis formeel wordt toegestaan, omdat de comparitie ook beschouwd kan worden als een terechtzitting waarvan een audiëntieblad wordt opgemaakt en in zoverre kan worden gelijkgesteld aan de rolzitting bedoel in artikel 130 Rv. De eiswijziging is op schrift gesteld en de desbetreffende akte is, ondertekend door de procureur, op voorhand ingediend met het in het Landelijk Rolreglement voorgeschreven formulier, bijlage B-3.

4.11. Dit neemt niet weg dat de desbetreffende vordering voor betaalde taxikosten moet worden afgewezen. Het betreft taxikosten, gemaakt in de periode van 3 april tot en met 11 september 2006, grotendeels vóór de aandelenoverdracht, waarvan Vollebregt stelt dat de nieuwe directie zou hebben toegezegd dat zij betaald zouden worden door de vennootschap. Indien dit juist is, waarvan de rechtbank wel wil uitgaan, dan kan Vollebregt die door haar betaalde kosten verhalen op de vennootschap en haar vordering ter verificatie indienen bij de faillissementscurator. Voor hoofdelijke aansprakelijkheid van de bestuurders voor die schuld van de vennootschap heeft Vollebregt onvoldoende gesteld. Hetgeen zij aanvoert: weinig betrokkenheid tonen, een toegezegde liquiditeitsinjectie achterwege laten, het laten verslechteren van de relatie tussen het personeel en de directie, onvoordelige transacties met een van de handelsrelaties enz, leidt, naar de maatstaven die daarvoor in de jurisprudentie zijn ontwikkeld, niet tot bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 6:162 BW. De rechtbank heeft hierbij het oog op bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, JOR 2007 nr. 38. Een bestuurder kan jegens een crediteur van de door hem bestuurde vennootschap aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad, indien hij namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en ook geen verhaal zou bieden. Tevens kan de bestuurder aansprakelijk zijn, indien hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en zijn handelen of nalaten in de gegeven omstandigheden ten opzichte van de schuldeiser zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hetgeen Vollebregt aanvoert levert het een noch het ander op.

Vollebregt verwijst naar het oudere arrest van de Hoge Raad van 3 april 1992, NJ 1992 nr. 411, maar dat is hier niet aan de orde. De vennootschap is in staat van faillissement verklaard en er is derhalve duidelijk sprake van betalingsonmacht en niet zozeer van non-betaling wegens (selectieve) betalingsonwil bij de bestuurder. Voorts is gesteld noch gebleken dat aan de vennootschap nog voldoende kredietfaciliteit ter beschikking stond om de taxikosten en de hieronder te bespreken andere schulden van de vennootschap te betalen. Van een bestuurder wordt wettelijk niet vereist dat hij zelf krediet verstrekt aan de door hem bestuurde vennootschap. Een vage, niet schriftelijk vastgelegde, toezegging jegens bij de vennootschap betrokken personen levert nog geen in rechte afdwingbare verbintenis op.

4.12. Hetgeen geldt voor de taxikosten, geldt ook voor de managementvergoeding van Vollebregt, die, gezien het desbetreffende contract (productie 15) en het soort vordering, uiteraard verschuldigd is door de vennootschap en niet door de bestuurders persoonlijk. De omstandigheid dat BMC bij de koopovereenkomst met Vollebregt heeft afgesproken dat die managementovereenkomst na de aandelenoverdracht tot stand zal komen en dat daarbij op schrift is gekomen dat de ‘koper’ (dat was toen alleen nog BMC) de beloning zal voldoen, beschouwt de rechtbank als onzorgvuldig woordgebruik, waaraan in redelijkheid geen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden en in het bijzonder niet dat BMC, laat staan Zenith, deze bedrijfskosten uit eigen zak zou gaan betalen of daarvoor borg zou staan. Ook deze vordering zal bij het eindvonnis worden afgewezen.

4.13. Dit geldt ook voor de vordering met betrekking tot de aflossing van de rekening-courant schuld van de failliete vennootschap bij ABN-AMRO Bank, waarvoor Vollebregt borg stond.

4.14. De vordering tot vergoeding van immateriële schade wegens beschadiging van de naam van de directeur van Vollebregt, komt, wat daar verder van zij, aan die directeur toe en niet aan Vollebregt. Die directeur is geen partij in dit geding. Ook deze vordering zal bij het eindvonnis worden afgewezen.

4.15. Dit laatste geldt ook voor de bankkosten ad € 119,00, die ABN-AMRO aan de heer Vollebregt en niet aan Vollebregt in rekening heeft gebracht. Omtrent de bankkosten ad € 140,00, die Van Lanschot Bankiers aan Vollebregt in rekening heeft gebracht voor de verwerking van het onder haar gelegde derdenbeslag, kan de rechtbank pas een oordeel geven nadat in conventie is beslist over de vorderingen waarvoor dat conservatoire beslag is gelegd en daarmee over de rechtmatigheid van dat beslag.

4.16. De aan Vollebregt verkochte vordering van de (beheersvennootschap van de) heer Vermeulen zal, wat er verder zij van de betwiste rechtsgeldigheid van de cessie, bij het eindvonnis worden afgewezen om dezelfde reden als waarom de managementvergoeding e.a. van Vollebregt worden afgewezen. Het betreft een vordering uit een rekening-courant verhouding met de vennootschap en het betreft dus een schuld van de vennootschap en niet van de bestuurders zelf. Gesteld noch gebleken is dat de bestuurders borg staan voor die schuld en voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is onvoldoende gesteld.

4.17. Van alle vordering van Vollebregt van in totaal meer dan € 88.000,00 exclusief BTW en rente, staat dus alleen nog het minimale postje van € 140,00 open. Al het andere moet worden afgewezen. Dit brengt met zich mee dat Vollebregt moet worden aangemerkt, zo niet als de geheel, dan toch als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij. De rechtbank zal haar deswege te gelegener tijd bij het eindvonnis veroordelen in de proceskosten van de reconventie.

In conventie en in reconventie voorts:

4.18. De rechtbank zal de zaak nu naar de rol verwijzen voor uitlating in conventie. Dat kan gebeuren bij akte, die uitdrukkelijk beperkt dient te blijven tot het geschil in conventie.

Daarbij zijn BMC en Zenith als het eerste aan het woord, waarna Vollebregt kan antwoorden.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verwijst de zaaknaar de rolzitting van 26 september 2007 voor uitlating door BMC en Zenith omtrent hetgeen hierboven is aangeven onder 4.8 en 4.9,

in conventie voorts en in reconventie

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2007.