Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB3645

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2007
Datum publicatie
17-09-2007
Zaaknummer
158726
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Voeren van de titel advocaat; misleidende reclame.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158726 / KG ZA 07-454

Vonnis in kort geding van 30 augustus 2007

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE ORDE VAN ADVOCATEN IN HET ARRONDISSEMENT ARNHEM,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

procureur mr. J.M. Bosnak,

advocaten mrs. W. Seinen en A.N.E. Alff te Utrecht,

tegen

[gedaagde in persoon],

handelende onder de naam Profinance Juristen,

wonende en kantoorhoudende te [woonplaats],

gedaagde,

verschenen in persoon.

Eiseres zal hierna de Orde Arnhem genoemd worden. Gedaagde zal worden aangeduid als [voornaam] [gedaagde in persoon] of [gedaagde in persoon].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van de Orde Arnhem.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Profinance Juristen is een op 24 april 2007 door [gedaagde in persoon] opgericht en in [woonplaats] gevestigd juridisch adviesbureau. Het is een eenmanszaak. [betrokkene], de broer van [voornaam] [gedaagde in persoon], verricht op dit moment ook werkzaamheden bij Profinance.

2.2. Op of kort na 14 augustus 2006 heeft [gedaagde in persoon], om de diensten van Profinance onder de aandacht van het publiek te brengen, een brief gedateerd op 14 augustus 2006 huis-aan-huis verspreid of laten verspreiden in [woonplaats] en directe omgeving. In deze brief gebruikte [gedaagde in persoon] de handelsnaam ‘Profinance Juristen en Advocaten’.

2.3. Bij brief van 24 augustus 2006, met herinnering daarvan op 5 september 2006, heeft de Deken van de Orde Arnhem aan [gedaagde in persoon] bericht de hiervoor genoemde brief van 14 augustus 2006 onder ogen te hebben gekregen. De Deken verzoekt [gedaagde in persoon] hem mee te delen welke advocaten bij Profinance actief zijn zodat hij vanuit zijn taak als Deken van de Orde Arnhem kan nagaan of deze advocaten op juiste wijze een samenwerkingsverband zijn aangegaan.

2.4. Bij brief van 13 september 2006 heeft [gedaagde in persoon] aan de Deken (onder meer) verklaard de titel ‘Advocaten’ bij zijn weten niet te hebben gebruikt en voor de toekomst een kritisch oog te houden op reclame, briefhoofden en ondertekeningen.

2.5. Begin september 2006 heeft [gedaagde in persoon], om de diensten van Profinance nogmaals onder de aandacht van het publiek te brengen, in [woonplaats] en omgeving huis-aan-huis een folder verspreid in een oplage van 1500-2000 stuks. In deze folder over Profinance Juristen gebruikt [gedaagde in persoon] de titel ‘Advocaten’ niet meer. Wel worden in die folder vier foto’s getoond. Op drie van de vier foto’s worden advocaten in toga afgebeeld. Op de vierde foto is een gebouw te zien dat ofwel sterk lijkt op een gerechtsgebouw ofwel een gerechtsgebouw is.

2.6. Bij brief van 23 januari 2007 heeft de Deken van de Orde Arnhem aan [gedaagde in persoon] bericht de hierboven genoemde folder via een in het arrondissement werkzame advocaat toegezonden te hebben gekregen. Over de inhoud van die folder heeft de Deken [gedaagde in persoon] bericht dat de combinatie van foto’s en tekst daarin naar zijn mening de indruk wekt dat Profinance ook advocatendiensten verleent, hetgeen – nu er geen advocaten aan Profinance Juristen verbonden zijn - onrechtmatig is tegenover de Orde Arnhem. De Deken heeft [gedaagde in persoon] verzocht en gesommeerd om (onder meer) binnen vijf dagen schriftelijk te bevestigen dat hij deze schriftelijke informatie per direct zal staken en gestaakt zal houden en dat hij zich voortaan zal onthouden van iedere uiting, waardoor de indruk zou kunnen ontstaan dat Profinance Juristen ook advocatendiensten verleent. [gedaagde in persoon] heeft hierop niet gereageerd.

2.7. Bij brief van 6 juni 2007 heeft de advocaat van de Deken deze sommatie herhaald en [gedaagde in persoon] verzocht vrijwillig te voldoen aan het gevorderde in de bijgevoegde concept-dagvaarding, onder betaling aan cliënte van een bedrag van € 3.000,-- ter compensatie van de gemaakte advocatenkosten. Een en ander zou vervolgens worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

2.8. [gedaagde in persoon] heeft hierop gereageerd bij brief van 16 juni 2007. Daarin heeft hij geschreven weliswaar niet te hebben gereageerd op de brief van de Deken van 23 januari 2007, maar wel reeds vijf maanden geleden aan alle eisen van de Deken te hebben voldaan en de genoemde onregelmatigheden een halt te hebben toegeroepen door elke referentie aan het woord advocaat te verwijderen. Verder heeft hij (onder meer) geschreven van mening te zijn wel advocatendiensten te mogen aanbieden, zij het indirect, nu hij samenwerkingsverbanden is aangegaan met advocaten. Hij heeft verklaard geen reden te zien tot ondertekening van een vaststellingovereenkomst.

2.9. Bij brief van 6 juli 2007 heeft de Orde Arnhem geantwoord dat zij de reactie van [gedaagde in persoon], dat ‘elke referentie aan het advocaat zijn’ is verwijderd, onvoldoende vindt. Zij vordert ondertekening van de bijgevoegde vaststellingsovereenkomst, waarin ook een rectificatieplicht is opgenomen. [gedaagde in persoon] heeft hieraan geen gehoor gegeven.

3. Het geschil

3.1. De Orde Arnhem vordert :

a) [gedaagde in persoon] te verbieden om, na drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, de handelsnaam Profinance Juristen en Advocaten te voeren alsmede enige andere handelsnaam waarin het woord ‘advocaat’, ‘advocaten’, of ‘advocatuur’ voorkomt,

b) [gedaagde in persoon] te verbieden om, na drie dagen na het in deze zaak te wijzen vonnis publiekelijk, door middel van het verzenden van aankondigingen, of anderszins onware en / of misleidende mededelingen te doen, onder meer door verspreiding van brochures met foto’s van personen in toga of foto’s die anderszins refereren aan de advocatuur, waardoor ten onrechte bij het publiek de indruk wordt gewekt dat Profinance Juristen een advocatenkantoor is, althans een kantoor dat ook advocatendiensten verleent,

c) [gedaagde in persoon] te gebieden over te gaan tot rectificatie van de aankondigingen waarin [gedaagde in persoon] de indruk heeft gewekt dat er bij haar ook advocaten werkzaam zijn, door toezending van een bericht binnen acht dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, aan al degenen aan wie voornoemde aankondigingen zijn toegezonden, met de volgende tekst in hetzelfde lettertype als voorgaande aankondigingen en zonder enig begeleidend commentaar:

Rectificatie

Geachte heer / mevrouw,

In de afgelopen tijd hebben wij u diverse aankondigingen toegestuurd over onze dienstverlening. Mogelijk hebben deze aankondigingen bij u – ten onrechte – de indruk gewekt dat er bij ons advocaten werkzaam zijn of dat wij ook advocatendiensten aanbieden. Wij hebben geen advocaten in dienst en leveren derhalve geen advocatendiensten. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem heeft bij vonnis d.d. (…) 2007 geoordeeld dat deze aankondigingen misleidend en derhalve onrechtmatig zijn.

Hoogachtend,

Profinance Juristen

d) [gedaagde in persoon] te bevelen de onder c) genoemde rectificatie tevens binnen drie dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis gedurende zes weken te plaatsen op de internetsite www.profinancejuristen.nl,

e) [gedaagde in persoon] te bevelen om binnen acht dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de Orde Arnhem een lijst te verstrekken waarop alle bedrijven, particulieren, instanties etc. staan vermeld die zijn aangeschreven in verband met voornoemde aankondigingen,

f) [gedaagde in persoon] te veroordelen tot voldoening aan de Orde Arnhem van een dwangsom van € 10.000,-- per dag of per geval, zulks ter keuze van de Orde Arnhem, dat de hierboven onder a) tot en met e) bedoelde verboden of bevelen geheel of gedeeltelijk worden overtreden,

g) met veroordeling van [gedaagde in persoon] in de kosten van dit geding.

3.2. De Orde Arnhem stelt daartoe (samengevat) het volgende. Zij is belast met de zorg voor de kwaliteit van de in het arrondissement Arnhem geleverde advocatendiensten en de behartiging van de belangen van de advocaten in dit arrondissement. In dat kader is zij bevoegd om op te treden tegen personen die zich ten onrechte als advocaat afficheren. Voor die bevoegdheid en de ontvankelijkheid van haar vorderingen verwijst zij naar HR 20 december 2002, NJ 2003, 164. De brief van 24 augustus 2006 en de folder van september 2006 moeten worden aangemerkt als misleidende mededelingen in de zin van artikel 6:194 sub i BW. Deze attenderingen zijn misleidend ten aanzien van de identiteit, hoedanigheid, bekwaamheid en / of bevoegdheid van Profinance Juristen. Bij het gemiddelde publiek zal door deze aankondigingen de indruk worden gewekt dat het bij Profinance gaat om een onderneming die (ook) advocatendiensten aanbiedt, hetgeen niet het geval is omdat [gedaagde in persoon] niet gerechtigd is de titel advocaat te voeren en bij Profinance geen advocaten in dienst zijn. [gedaagde in persoon] handelt daarmee ook in strijd met artikel 9a Advocatenwet en met artikel 435 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. [gedaagde in persoon] heeft, ondanks zijn toezegging van 5 september 2006 een kritisch oog te zullen houden op reclame, briefhoofden en ondertekeningen, met de folder van Profinance van september 2006 (en de foto’s daarin) opnieuw de indruk gewekt dat Profinance ook advocatendiensten verricht. Hij heeft aan de Orde Arnhem niet het vertrouwen gegeven zich in de toekomst daarvan te zullen onthouden en is niet bereid gebleken een ondubbelzinnige onthoudingsverklaring te ondertekenen. Deze weigering kan, ondanks de gedane toezegging, reeds een grond zijn voor het toewijzen van een verbod onder dwangsom. Uit hoofde van haar toezichthoudende taak heeft de Orde Arnhem een groot en spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen.

3.3. [gedaagde in persoon] voert gemotiveerd verweer. Dit komt er - kort gezegd - op neer dat hij van mening is dat de Orde Arnhem geen (spoedeisend) belang heeft bij de gevorderde voorzieningen, omdat de gewraakte handelingen dateren van augustus en september 2006 en hij sindsdien niet meer de indruk wekt de titel advocaat te mogen voeren. Uit zijn brief van 16 juni 2007 blijkt dat hij al heeft voldaan aan het gevorderde en in feite ook al heeft gerectificeerd. Hij heeft op zijn website al duidelijk aangegeven niet te pretenderen advocaat te zijn. De vaststellingsovereenkomst heeft hij niet ondertekend omdat hij niet bereid is tot betaling van een compensatie voor de proceskosten van € 3.000,--. [gedaagde in persoon] is ten slotte van mening wel de term ‘advocatendiensten’ te mogen gebruiken omdat hij indirect advocatendiensten verleent. Hij is een samenwerkingsverband aangegaan met drie advocatenkantoren, welke samenwerking eruit bestaat dat die kantoren de door [gedaagde in persoon] opgestelde convenanten (bij echtscheidingen) aan de rechtbank toezenden.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Allereerst wordt nagegaan of de Orde Arnhem kan worden ontvangen in haar vorderingen. Op grond van artikel 17, derde lid, van de Advocatenwet zijn de Nederlandse Orde van Advocaten en de plaatselijke Orden van Advocaten rechtspersonen. Krachtens artikel 3:305b BW kan een publiekrechtelijke rechtspersoon als bedoeld in artikel 2:1 BW een rechtsvordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover hem de behartiging van deze belangen is toevertrouwd. In de toelichting op artikel 3:305b BW wordt verwezen naar artikel 26 Advocatenwet. Uit de wettekst van de Advocatenwet (artt. 9a, 17, 22 en 26) volgt dat onder ‘gelijksoortige belangen van andere personen’ in het geval van de Orde Arnhem ‘de belangen van de advocaten in het arrondissement Arnhem’ dient te worden verstaan. De Raad van Toezicht (van de Orde Arnhem), die het bestuur vormt van de Orde Arnhem en de Orde Arnhem in en buiten rechte vertegenwoordigt, is op grond van artikel 26 Advocatenwet belast met het toezicht op een behoorlijke uitoefening van de praktijk en de naleving van de plichten van advocaten alsmede met het opkomen voor de rechten en belangen van advocaten. Aan de Orde Arnhem is dus de behartiging van de rechten en belangen van de advocaten in het arrondissement Arnhem toevertrouwd.

4.2. Krachtens artikel 9a van de Advocatenwet is tot het voeren van de titel advocaat uitsluitend gerechtigd hij die als advocaat binnen Nederland is ingeschreven en hij die buiten Nederland tot het voeren van een overeenkomstige titel bevoegd is. Het optreden op grond van artikel 9a Advocatenwet en artikel 435 WvSr tegen personen die ten onrechte de titel advocaat voeren valt onder de belangenbehartiging van de Orde Arnhem, zodat de Orde Arnhem kan worden ontvangen in haar vorderingen die hierop zijn gebaseerd. De vraag is of de Orde Arnhem ook kan worden ontvangen in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op artikel 6:194 sub i BW. Artikel 6:194 BW beoogt concurrenten en consumenten te beschermen tegen misleidende reclame. Omdat de advocaten van het arrondissement Arnhem concurrenten zijn van personen die in dat arrondissement anders dan als advocaat juridische diensten aanbieden, valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook het belang van advocaten bij het staken van misleidende mededelingen van concurrenten omtrent de hoedanigheid van advocaat onder de belangenbehartiging van de Orde Arnhem.

4.3. Niet in geschil is dat [gedaagde in persoon] in de brief van 14 augustus 2006 en de folder van september 2006 ten onrechte de indruk heeft gewekt de titel advocaat te mogen voeren of advocaten in dienst te hebben. Nu [gedaagde in persoon] niet heeft gereageerd op de brief van de Orde Arnhem van 23 januari 2007, vervolgens blijkens zijn brief van 16 juni 2007 niet bereid is tot een uitdrukkelijke onthoudingsverklaring en van mening blijkt te zijn de term advocatendiensten te mogen blijven gebruiken, heeft de Orde Arnhem naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij haar vorderingen in kort geding.

4.4. Vast staat dat [gedaagde in persoon] in 2006 misleidende mededelingen heeft gedaan in de zin van artikel 6:194 sub i BW en onrechtmatig heeft gehandeld door het gebruik van het woord ‘advocaten’ en door het gebruik van foto’s van advocaten, terwijl hij noch zijn medewerker gerechtigd is de titel advocaat te voeren. Dit biedt voldoende grondslag voor toewijzing van het onder 3.1 sub a) gevorderde verbod. Het onder 3.1 sub b) gevorderde verbod is iets ruimer en behelst alle mededelingen in de zin van artikel 6:194 BW waarmee ten onrechte bij het publiek de indruk wordt gewekt dat Profinance Juristen een advocatenkantoor is, althans een kantoor dat ook advocatendiensten verleent. Partijen verschillen van mening of in die zin het gebruik van het woord ‘advocatendiensten’ geoorloofd is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook door het gebruik van dit woord ten onrechte de indruk wordt gewekt dat het om diensten van personen gaat die gerechtigd zijn de titel advocaat te voeren. Dat [gedaagde in persoon] zelf gebruik maakt van advocatendiensten, geeft hem geen recht dit woord in verband met zijn juridische dienstverlening te gebruiken. Er bestaat ook voldoende aanleiding voor toewijzing van het onder 3.1 sub b) gevorderde, ruimere verbod.

4.5. In het licht van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter voldoende grond [gedaagde in persoon] te veroordelen tot het opnemen van een rectificatie ingevolge artikel 6:196 BW, zoals hierna in het dictum is weergegeven. De wijze van rectificeren, zoals gevorderd onder 3.1 sub c), acht de voorzieningenrechter echter niet zinvol en te verstrekkend, nu de huis-aan-huis verspreiding in een oplage van 1500 tot 2000 stuks inmiddels al bijna een jaar geleden heeft plaatsgevonden. In verband met dit laatste ontvalt ook het belang aan de onder 3.1. sub e) gevorderde lijst, welke ook moeilijk is op te stellen in geval van huis-aan-huis verspreiding. Een rectificatie op de internetsite www.profinancejuristen.nl, zoals onder 3.1 sub d) gevorderd, wordt voldoende geacht. Tijdens de zitting heeft de Deken van de Orde Arnhem verklaard zich te kunnen vinden in een rectificatie enkel op de internetsite van [gedaagde in persoon].

4.6. Nu zulks wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter de op te leggen ver- en geboden versterken met een dwangsom, welke aan een maximum zal worden gebonden.

4.7. [gedaagde in persoon] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding. De kosten aan de zijde van de Orde Arnhem worden begroot op:

- dagvaarding € 84,31

- vast recht € 251,00

- salaris procureur € 816,00

Totaal € 1.151,31

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt [gedaagde in persoon] om, na drie dagen na betekening van dit vonnis, de handelsnaam Profinance Juristen en Advocaten te voeren alsmede enige andere handelsnaam waarin het woord ‘advocaat’, ‘advocaten’, of ‘advocatuur’ voorkomt,

5.2. verbiedt [gedaagde in persoon] om, na drie dagen na dit vonnis, publiekelijk, door middel van het verzenden van aankondigingen, of anderszins onware en / of misleidende mededelingen te doen, onder meer door verspreiding van brochures met foto’s van personen in toga of foto’s die anderszins refereren aan de advocatuur, waardoor ten onrechte bij het publiek de indruk wordt gewekt dat Profinance Juristen een advocatenkantoor is, althans een kantoor dat ook advocatendiensten verleent,

5.3. gebiedt [gedaagde in persoon] om, binnen drie dagen na betekening van dit vonnis, gedurende zes weken de volgende rectificatie te plaatsen op de internetsite www.profinancejuristen.nl:

Rectificatie

Geachte heer / mevrouw,

In de afgelopen tijd hebben wij diverse aankondigingen verspreid over onze dienstverlening. Mogelijk hebben deze aankondigingen bij u – ten onrechte – de indruk gewekt dat er bij ons advocaten werkzaam zijn of dat wij ook advocatendiensten aanbieden. Wij hebben geen advocaten in dienst en leveren derhalve geen advocatendiensten. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem heeft bij vonnis d.d. 30 augustus 2007 geoordeeld dat deze aankondigingen misleidend en derhalve onrechtmatig zijn.

Hoogachtend,

Profinance Juristen

5.4. veroordeelt [gedaagde in persoon] om, per keer dat hij de bovengenoemde verboden overtreedt dan wel per dag dat hij in gebreke blijft aan het bovengenoemde gebod te voldoen, aan de Orde Arnhem te betalen een dwangsom van € 10.000,--, met een maximum van

€ 100.000,--,

5.5. veroordeelt [gedaagde in persoon] in de proceskosten van dit geding , aan de zijde van de Orde Arnhem tot op heden begroot op € 1.151,31,

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. de Vries en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.A. Satijn op 30 augustus 2007.