Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB3528

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-08-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
149434
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen twisten over de vraag of RVS onder de tussen partijen van kracht zijnde inboedelverzekering dekking moet bieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 149434 / HA ZA 06-2237

Vonnis van 8 augustus 2007

in de zaak van

[eiser],

wonende te Houtigehage, gemeente Smallingerland,

eiser,

procureur mr. R.Ph. Elzas,

advocaat mr. A.J. Welvering te Leek,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

procureur mr. L. Paulus.

advocaat mr. D.J. van der Kolk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 maart 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 18 juni 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] sluit in het jaar 2000 een inboedelverzekering af bij RVS op grond waarvan hij met ingang van 25 oktober 2000 onder meer verzekerd is tegen diefstal van zijn inboedel in de woning aan de [adres]. De heer [XXX] brengt daartoe – in zijn hoedanigheid van verzekeringsadviseur in dienst bij RVS – in oktober 2000 een bezoek aan de woning van [eiser].

2.2. In de aanvraag inschrijving inboedelverzekering staan de volgende twee vragen en antwoorden die relevant zijn voor de onderhavige procedure.

vraag: Is er bedrijfsruimte in het gebouw?

antwoord: nee.

vraag: Hebt u overigens nog iets mee te delen ten aanzien van uzelf, een verzekerde/ (mede-)belanghebbende en/of het te verzekeren risico, dat voor het beoordelen van deze aanvraag/wijziging van belang kan zijn?

antwoord: nee.

2.3. Op 25 april 2003 wordt op verzoek van de belastingdienst ten laste van [eiser] beslag gelegd op een gedeelte van de inboedel van [eiser]. Het proces-verbaal van inbeslagname bevindt zich bij de stukken. In vervolg op de beslaglegging vindt een executieveiling plaats. Bij de stukken bevindt zich een verklaring van de heer [XXX] uit Joure waarin hij verklaart dat hij alle stukken die op die dag geveild zijn heeft gekocht en dat op de lijst van de belastingdienst goederen staan vermeld die niet geveild zijn.

2.4. In de nacht van 15 op 16 juli 2003 wordt ingebroken in de woning van [eiser]. De zoon van [eiser] constateert de inbraak op 16 juli 2003 en alarmeert terstond de politie. In de woning maakt de politie het procesverbaal van aangifte op. [eiser] zelf is op dat moment – preventief – gedetineerd in Leeuwarden.

2.5. Op 19 augustus 2003 wordt [eiser] door de meervoudige kamer van de rechtbank Leeuwarden voor het plegen van valsheid in geschrifte, het overtreden van de Opiumwet en het overtreden van de Drank- en Horecawet veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het vonnis is op tegenspraak gewezen en inmiddels onherroepelijk.

Met betrekking tot de valsheid in geschrifte is het primair ten laste gelegde bewezen verklaard namelijk:

Hij in de periode van 29 oktober 1998 tot en met 28 mei 2002, te Houtigehage, in de gemeente Smallingerland, meermalen, een inlichtingenformulier AAW/WAO en toeslagenwet en/of een formulier “opvragen gegeven” (inzake WAO, Wajong, WAZ en Toeslagenwet), telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, telkens valselijk opgemaakt, telkens in voornoemde periode, telkens met voormeld oogmerk, telkens valselijk op die formulieren te vermelden of te doen en/of aan te kruisen (zakelijk weergegeven) dat hij, verdachte, telkens (vorig jaar en/of dit jaar) geen werkzaamheden heeft verricht en/of (naast zijn, verdachtes, AAW/WAO uitkering) geen (andere) inkomsten heeft genoten, zulks terwijl hij, verdachte, telkens werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van

- het exploiteren van een parenclub en een seksclub/bordeel en een camping en een horecagelegenheid en

- de handel in pornofilms/porno-dvd’s en

- het verzorgen en onderbrengen van meerdere kostgangers (in verdachtes woning en/of caravans op het perceel en

- de verhuur van (een) kamer(s) en

(…)

Met betrekking tot de overtreding van de Drank- en Horecawet heeft de rechtbank bewezen verklaard dat:

Hij op 1 januari 1997 tot en met 3 maart 2003 te Houtigehage, in de gemeente Smallingerland, zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, in een perceel aan de (adres), aldaar, het horecabedrijf als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet heeft uitgeoefend.

2.6. Artikel 3 van de Drank- en Horecawet bepaalt dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf of slijtersbedrijf uit te oefenen.

2.7. Op 11 december 2003 maakt de politie op verzoek van [eiser] een aanvullend proces-verbaal op nadat [eiser] bij thuiskomst na detentie vaststelt dat er meer inboedelgoederen zijn ontvreemd dan in het proces-verbaal van 16 juli 2003 is opgenomen.

2.8. Op 29 maart 2004 doet [eiser] opnieuw aangifte van diefstal van inboedel uit zijn woning, die volgens zijn opgave twee weken daarvoor heeft plaatsgevonden. [eiser] constateerde eerst dat er goederen waren ontvreemd nadat hij via de politie te Leiden/ Voorschoten per post had vernomen dat zijn rijbewijs was aangetroffen in de woning van een verdachte. [eiser] kent de verdachte uit het huis van bewaring in Leeuwarden en de verdachte is op 15 maart 2004 in de woning van [eiser] op visite geweest.

2.9. Naar aanleiding van de eerste schademelding heeft een technisch onderzoek plaatsgevonden. Bij de stukken bevindt zich een “Dossier Notitie Toedrachtsonderzoek” gedateerd 21 augustus 2003 en opgesteld door de heer [XXX] onderzoeker van de Technische Buitendienst van RVS . Bij deze notitie is een handgeschreven verklaring van de zoon van [eiser] gevoegd waarin onder meer het volgende is te lezen.

In de woonboerderij was een bar/sexhuis gevestigd ca 10 jaar bar/kroeg is langzaam relaxhuis erbij gekomen. Huidige situatie ca 3 a 4 jaar zo.

In de notitie is onder meer de volgende passage opgenomen.

T.a.v. de particuliere hoedanigheid;

Op basis van het verhaal van de zoon van verzekerde en de waarnemingen op de schadelocatie, is eigenlijk alleen de voorste woonkamer/keuken als particuliere ruimte te omschrijven, waarbij moet worden opgemerkt dat “gastvrouwen” deze ruimtes ook gebruikten voor hun pauzes.

Op de eerste verdieping zijn voorts een tweetal slaapkamers die in gebruik waren bij verzekerde en bij zijn zoon en daarmee een particuliere functie hadden.

Inmiddels waren, na de politie inval en de aanhouding van verzekerde, alle zakelijke activiteiten gestaakt.

2.10. Bij de stukken bevindt zich een verslag van een gesprek van de heer [XXX] met de heer [XXX] van 8 april 2004. Hij is in dienst geweest als adviseur bij RVS. In de verklaring staat onder meer het volgende.

Ik heb de aanvraag voor de heer [eiser] ingevuld op de voor mij gebruikelijke wijze, aan de hand van het computerprogramma. Ik ben niet met de heer [eiser] door diens huis gelopen. Ik ben niet verder geweest dan de woonkamer en ik wist ook niet dat een deel van dit huis was ingericht als bar/sexclub. De heer [eiser] heeft mij dit ook niet verteld.

2.11. Bij de stukken bevindt zich een verklaring van de heer [XXX] te Twijzelerheide en een verklaring van de heer [XXX] te Drachten. Zij verklaren dat zij in de woning van [eiser] aanwezig waren op het moment dat een verzekeringsagent van RVS in de woning van [eiser] aanwezig was met het doel een inboedelverzekering tot stand te brengen en dat de adviseur door de hele woning is gelopen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van RVS tot betaling van EUR 7.867,68, vermeerderd met rente en kosten. [eiser] voert daartoe aan dat de inboedelverzekering die hij bij RVS heeft afgesloten dekking biedt voor de schade als gevolg van de diefstallen in zijn woonboerderij in de nacht van 15 op 16 juli 2003 en op

15 maart 2004. RVS is, aldus [eiser], onder de inboedelverzekering gehouden de schade als gevolg van de diefstal te vergoeden.

3.2. RVS voert gemotiveerd verweer. RVS stelt dat zij ingevolge artikel 251 WvK niet gehouden is om de gestelde schade te vergoeden, nu [eiser] ten onrechte en in strijd met de waarheid niet heeft aangegeven dat zijn woning ten tijde van zijn aanvraag ook bedrijfsmatig werd geëxploiteerd. Subsidiair stelt RVS dat de vordering moet worden afgewezen omdat [eiser] zijn schade niet aannemelijk heeft gemaakt en dat derhalve niet voldoende aannemelijk is dat hij schade heeft geleden. Meer subsidiair stelt RVS dat de zaken die als gestolen zijn opgegeven niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat zij niet tot de particuliere huishouding van [eiser] behoorden, maar tot de zaken behorend bij zijn in de woonboerderij geëxploiteerde bedrijf.

Tot slot betwist RVS de hoogte van de vordering nu [eiser] de gestelde waarde van de als gestolen opgegeven zaken onvoldoende althans onduidelijk heeft toegelicht.

RVS heeft de overeenkomst met terugwerkende kracht vernietigd. RVS heeft voorts gesteld dat zij de overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij bij het aangaan van de overeenkomst zou hebben geweten dat de woning van [eiser] ook bedrijfsmatig werd gebruikt, omdat dit gebruik grotere risico’s met zich brengt.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Partijen twisten over de vraag of RVS onder de tussen partijen van kracht zijnde inboedelverzekering dekking moet bieden. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van partijen dat op zichzelf niet in geschil is dat in 2003 en 2004 is ingebroken in de woning van [eiser]. Dit betekent dat [eiser] op grond van de inboedelverzekering in beginsel recht heeft op vergoeding van de daardoor geleden schade. RVS heeft echter medegedeeld dat zij de schade niet zal vergoeden.

4.2. Het meest verstrekkende verweer van RVS is het beroep op verzwijging ex artikel 251 Wetboek van Koophandel. RVS beroept zich op het in r.ov. 2.9 bedoelde rapport en de in r.ov. 2.10 bedoelde en deels geciteerde verklaring van de verzekeringsadviseur die destijds de verzekering tot stand heeft doen komen. Voorts verwijst RVS naar het strafvonnis van 19 augustus 2003. [eiser] heeft de verzwijging betwist. Hij stelt daartoe dat geen sprake is van bedrijfsmatig gebruik van de woning en dat bovendien de verzekeringsadviseur destijds door de hele woning is gelopen en dat hij onder meer de bar heeft gezien. Hij legt ter onderbouwing van zijn stelling de in r.ov. 2.11 bedoelde verklaringen over.

4.3. Beoordeeld dient te worden of RVS een beroep toekomt op vernietiging van de verzekeringsovereenkomst op grond van artikel 251 WvK (oud). De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop.

4.4. Nu de verzekeringsovereenkomst is gesloten voor de inwerkingtreding op 1 januari 2006 van titel 7.17 van het Burgerlijk Wetboek en de schadeveroorzakende omstandigheden zich eveneens voor die datum hebben voorgedaan dient deze vraag naar oud recht – dat wil zeggen de destijds geldende bepalingen van het WvK – te worden beantwoord. Voorts is voor de beoordeling van belang dat de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast ter zake van een beroep op verzwijging in beginsel rust op RVS. Ten slotte wordt vooropgesteld dat artikel 251 WvK een mededelingsplicht op de potentiële verzekeringnemer legt waardoor de verzekeraar in staat wordt gesteld de verzekerbaarheid van het risico te beoordelen. Artikel 251 WvK luidt als volgt:

Alle verkeerde of onwaarachtige opgave, of alle verzwijging van aan den verzekerde bekende omstandigheden, hoezeer te goeder trouw aan diens zijde hebbende plaats gehad, welke van dien aard zijn, dat de overeenkomst niet, of niet onder dezelfde voorwaarden zoude zijn gesloten, indien de verzekeraar van den waren staat der zaak had kennis gedragen, maakt de verzekering vernietigbaar.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat er op grond van de in 2.1 tot en met 2.10 opgenomen feiten en dan met name het strafvonnis van 19 augustus 2003 en de verklaring van de zoon van [eiser], vanuit moet worden gegaan dat de woning aan de [adres] ten tijde van het aangaan van de verzekeringsovereenkomst in 2000 – al dan niet deels – voor bedrijfsmatige doeleinden werd gebruikt in elk geval in de zin van de Drank- en Horecawet. Artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) brengt immers mee dat een bewezenverklaard feit in een strafrechtelijk vonnis dwingend bewijs oplevert van dat feit in een civiele procedure. In het vonnis is onder meer bewezen verklaard dat [eiser] artikel 3 van de Drank- en Horecawet heeft overtreden. Op grond van artikel 161 Rv staat daarmee in de onderhavige civiele procedure vast dat [eiser] – zonder vergunning – een horecabedrijf dan wel een slijtersbedrijf heeft gevoerd in de woning waarin zich de inboedelgoederen bevonden ten behoeve waarvan hij de verzekering heeft afgesloten. Hiermee staat wel degelijk vast dat sprake was van een beroepsmatig gebruik van de woning.

4.6. De stelling van [eiser] dat in elk geval geen sprake was van een beroepsmatig gebruik ten tijde van de diefstallen (na aanhouding en sedert de detentie van [eiser]), doet aan voorgaande niets af nu het immers gelet op de bewoordingen van artikel 251 WvK gaat om het moment van het sluiten van de overeenkomst. RVS stelt immers dat zij als [eiser] niet zou hebben gezwegen zij de overeenkomst niet zou zijn aangegaan. Ter comparitie heeft zij daaraan toegevoegd dat zij zich uitsluitend bezig houdt met het verlenen van dekking voor particuliere risico’s. Indien sprake is van enig bedrijfsmatig gebruik dan geeft RVS aan, zo stelt zij ter comparitie, dat zij niet verzekert.

4.7. De stelling van [eiser] dat hij in de woning ten behoeve van zichzelf en vrienden en kennissen gezelligheidsavondjes heeft georganiseerd die over het algemeen zeer weinig publiek trokken, passeert de rechtbank in het licht van de hiervoor vermelde veroordeling wegens overtreding van de Drank- en Horecawet als onvoldoende onderbouwd. Evenmin is betwist dat [eiser] bij het aangaan van de overeenkomst de vraag ‘of er bedrijfsruimte in het gebouw aanwezig is’, ontkennend heeft beantwoord.

4.8. De rechtbank acht bij de beoordeling van de vraag of RVS een beroep toekomt op verzwijging in de zin van artikel 251 WvK niet relevant of de verzekeringsadviseur ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst nu wel of niet door de woning is gelopen en de bar heeft gezien. De aanwezigheid van een ruimte met daarin een barmeubel en toebehoren brengt niet mee dat de verzekeringsadviseur had moeten begrijpen dat feitelijk sprake was van een bedrijfsmatig gebruik van de woning. Daarvoor is meer nodig. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] openheid van zaken heeft gegeven over de activiteiten in de barruimte. Hij houdt tot op heden vol dat sprake was van gezelligheidsavonden voor vrienden en kennissen. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsadviseur onder die omstandigheden – als hij al de barruimte heeft gezien – heeft mogen vertrouwen op hetgeen [eiser] hem mededeelde en geen verder onderzoek hoefde te doen door het stellen van nadere vragen.

4.9. Uit voorgaande volgt dat sprake is van verzwijging en dat RVS de overeenkomst op grond van artikel 251 WvK met terugwerkende kracht heeft kunnen vernietigen zodat op RVS geen verplichting tot vergoeding van schade rust. De vordering van [eiser] zal dan ook worden afgewezen.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank zal de gevorderde nakosten toewijzen tot een bedrag van

€ 131,00 en het meerdere afwijzen, nu daarvoor geen rechtsgrond bestaat omdat thans niet vaststaat dat deze kosten ook daadwerkelijk gemaakt zullen worden.

De kosten aan de zijde van RVS worden begroot op:

- vast recht 296,00

- salaris procureur 768,00 (2 punten x tarief EUR 384,00)

- nakosten 131,00

---------------------------

Totaal EUR 1.195,00.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RVS tot op heden begroot op EUR 1.195,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2007.