Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB3513

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
01-08-2007
Datum publicatie
13-09-2007
Zaaknummer
157727
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kernvraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of is voldaan aan verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 157727 / KG ZA 07-413

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2007

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Zutphen,

eiseres bij dagvaarding van 13 juli 2007,

advocaat en procureur mr. H. van Ravenhorst,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLOS HORECA GROUP B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

procureur mr. P.A.C. de Vries,

advocaat mr. J.W. Schouten te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [anoniem] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- een aanvulling van eis van [eiseres]

- een conclusie van antwoord met daarbij behorende producties van [anoniem]

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] was eigenaresse van de horecaonderneming petit restaurant ‘Le Tisseur’, gevestigd aan de [straatnaam] te Arnhem. [eiseres] huurde de bedrijfsruimte waarin deze onderneming werd gedreven van mevrouw [anoniem].

2.2. Bij koopovereenkomst van 15 juni 2007 heeft [eiseres] Le Tisseur verkocht aan [anoniem] voor een bedrag van € 60.000,00, onder de voorwaarde van indeplaatsstelling van [anoniem] in de huurovereenkomst tussen [eiseres] en [anoniem]. De eigendomsoverdracht, de betaling van de koopsom en de feitelijke levering zouden plaatsvinden door middel van een door de makelaar van [eiseres] op te maken leveringsakte, uiterlijk op 30 juni 2007.

2.3. Artikel 9 van de koopovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt.

“Koper zal bij levering een gedeelte van de koopsom ad € 40.000,00 (zegge: veertig duizend euro) voldoen. De resterende € 20.000,00 (zegge: twintig duizend euro) zullen in 20 maandelijkse gelijke termijnen van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) worden voldaan, voor het eerst op 1 augustus 2007 en zo vervolgens per de eerste van iedere daaropvolgende maand. (…) Het pandrecht van de ABN AMRO Bank op de roerende zaken blijft daarop rusten, totdat de volledige koopsom, eventueel vermeerderd met rente en kosten, geheel is voldaan.

Betaling dient plaats te vinden als volgt:

a) het bedrag van € 40.000,00 (zegge: veertig duizend euro) door storting op rekeningnummer 53.53.53.006 t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden Hekkelman Advocaten te Arnhem onder vermelding van Le Tisseur.

b) de maandelijkse termijnen door overmaking naar rekeningnummer 53.49.11.005 t.n.v. mevrouw C.M. [eiseres]/Le Tisseur onder vermelding van deelbetaling bedrijfsactiva/betaling aan bank.”

2.4. De door de makelaar van [eiseres] opgestelde conceptakte van indeplaatsstelling is door [eiseres], [anoniem] en [anoniem] ondertekend. Er is geen definitieve akte van indeplaatsstelling opgemaakt, terwijl [eiseres] evenmin een afschrift heeft ontvangen van de ondertekende conceptakte.

2.5. [anoniem] heeft zich vervolgens toegang verschaft tot Le Tisseur en is tot exploitatie daarvan overgegaan.

2.6. [anoniem] stelt dat hij op 25 juni 2007 een bedrag van € 40.000,00 contant aan [eiseres] heeft betaald. Bij de stukken bevindt zich een kwitantie van 25 juli 2007 (bedoeld zal zijn 25 juni 2007, de voorzieningenrechter), waarop staat vermeld: “per kas voldaan € 40.000,- (zegge veertig duizend euro), over te derderek. zie contract, tekening voor ontvangst C.M. [eiseres], betaler [anon[anoniem]”.

2.7. Op 30 juni 2007 heeft [eiseres] een e-mail gestuurd aan [anoniem]. Hierin heeft zij onder meer het volgende geschreven.

“(…) [naam], zowel [naam], als [naam] als ik beginnen nu toch wel zenuwachtig te worden over het feit dat je nog steeds die € 40.000,= niet overgemaakt hebt. Waarom wacht je daar zo lang mee? [naam] heeft je al herhaalde malen gevraagd dit te doen en ik ook een paar keer er op aangedrongen dat er niet geleverd kan worden voordat de betaling is geschied. [naam] moet stappen ondernemen als er maandag voor 11:00 uur geen € 40.000,- op de derdenrekening staat van Hekkelman. (…) Hij (wij mogen) mag dit niet langer tolereren dat je al open bent en nog niet hebt betaald. (…)”

2.8. Bij brief van 3 juli 2007 heeft de advocaat van [eiseres] onder meer het volgende aan [anoniem] bericht.

“Aangezien gisteren om 10.00 uur (…) het opeisbare deel van de koopsom van Le Tisseur niet was ontvangen op onze derdenrekening, deel ik u namens mevrouw [eiseres] mee dat zij de koopovereenkomst met betrekking tot Le Tisseur met onmiddellijke ingang buitengerechtelijk ontbindt, wegens toerekenbare tekortkomingen uwerzijds.”

2.9. Bij brief van 16 juli 2007 heeft de advocaat van [eiseres] onder meer het volgende bericht aan de advocaat van [anoniem], mr. D.J. Brugge.

“(…) Met de ontbinding van de koopovereenkomst is de grondslag van die indeplaatsstelling komen weg te vallen, althans – in verband met artikel 6:271 BW – voor de toekomst.

Voor zover nodig wordt hierbij (ook) de ontbinding van de indeplaatsstellingsovereenkomst ingeroepen.

Dit betekent dat voor partijen verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties zijn ontstaan. Wat de heer [anoniem] betreft betekent dit dat hij het gehuurde met al het zijne en al de zijnen dient te ontruimen. (…)

Wat uw cliënte betreft betekent dit dat zij mijn cliënte wederom in het genot van het gehuurde dient te stellen. (…)”

2.10. De advocaat van [eiseres] heeft op 16 juli 2007 een soortgelijke brief als hiervoor onder 2.9. weergegeven zowel per brief als per e-mail aan [anoniem] gezonden.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert:

primair

dat [anoniem] wordt veroordeeld om binnen twee (2) uur na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte [straatnaam] te Arnhem - met achterlating van de zich daarin bevindende inventaris en al hetgeen verder tot de onderneming Le Tisseur behoort - met al de zijnen en al het zijne te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte aan [eiseres] van de sleutels en met machtiging van [eiseres] om bij gebreke daarvan zichzelf met behulp van justitie en politie in het bezit van de gehuurde bedrijfsruimte en inventaris en al hetgeen tot de onderneming Le Tisseur behoort te stellen, dan wel;

subsidiair

dat [anoniem] wordt veroordeeld om binnen twee (2) uur na betekening van dit vonnis de zich in het pand [straatnaam] te Arnhem bevindende inventaris en al hetgeen tot de onderneming Le Tisseur behoort aan [eiseres] terug te geven, door haar de sleutels van het pand ter beschikking te stellen, met machtiging van [eiseres] om bij gebreke daarvan zichzelf met behulp van justitie en politie in het bezit van de onderneming Le Tisseur en de daartoe behorende inventaris te stellen.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [anoniem] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst. [anoniem] heeft immers niet op de afgesproken uiterste datum het opeisbare deel van de koopsom voldaan. Bovendien heeft [anoniem] onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door zichzelf toegang te verschaffen tot de onderneming Le Tisseur, zonder dat deze onderneming aan haar is geleverd en zonder dat zij de koopsom heeft betaald. Met de ontbinding van de koopovereenkomst en de daardoor weggevallen grondslag van de akte van indeplaatsstelling zijn er voor partijen verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties ontstaan. [anoniem] dient derhalve het pand aan de [straatnaam] te Arnhem te ontruimen.

3.3. [anoniem] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover van belang, hierna zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van [eiseres].

4.2. Kernvraag die in dit kort geding dient te worden beantwoord is, of [anoniem] aan haar verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst heeft voldaan. Daartoe is van belang vast te stellen of [anoniem] het eerste deel van de koopsom ad € 40.000,00 aan [eiseres] heeft betaald.

4.3. [anoniem] stelt dat zij het bedrag van € 40.000,00 in de persoon van haar directeur, de heer [anoniem], op 25 juni 2007 contant aan [eiseres] heeft afgegeven. Het geld zat in een blanco envelop en het betrof coupures van € 50,00 en € 100,00. Ten behoeve van deze betaling heeft [eiseres] een door de heer [anoniem] opgemaakte kwitantie ondertekend en aan hem afgegeven. Deze kwitantie bevindt zich bij de stukken. Het origineel van die kwitantie is ter zitting getoond. [eiseres] heeft ter zitting ten stelligste betwist dat zij € 40.000,00 van [anoniem] heeft ontvangen. De kwitantie heeft zij nooit eerder gezien en de daarop aangebrachte handtekening is niet van haar afkomstig.

4.4. Krachtens artikel 159 lid 2 Rv levert een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt ontkend, geen bewijs op, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. Is degeen tegen wie de akte wordt ingeroepen een ander dan hij die haar ondertekend zou hebben, dan kan worden volstaan met de verklaring dat men de echtheid van de ondertekening niet erkent.

4.5. In een dergelijk geval rust de bewijslast voor wat betreft de echtheid van de handtekening op degene die de onderhandse akte - zoals een betalingsbewijs - als bewijsstuk gebruikt of zich daarop beroept. In het onderhavige geval betekent dit dat [anoniem] de echtheid van de handtekening dient te bewijzen, nu [eiseres] stellig betwist dat de handtekening onder de kwitantie van haar afkomstig is.

4.6. In een kort geding procedure zijn er echter beperkte mogelijkheden om dienaangaande afdoende duidelijkheid te krijgen. Een nader onderzoek is noodzakelijk, waarin naar alle waarschijnlijkheid een handschriftdeskundige zich zal moeten buigen over de vraag of de handtekening onder de bewuste kwitantie van [eiseres] afkomstig is.

4.7. Dit betekent dat in het kader van dit kort geding door de voorzieningenrechter aan de door [anoniem] overgelegde kwitantie geen belang van betekenis kan worden toegekend. Nu verder nergens anders uit blijkt dat [anoniem] het bedrag van € 40.000,00 aan [eiseres] heeft betaald, dient er vooralsnog van uitgegaan te worden dat dit niet is geschied.

4.8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu de kwitantie is betwist niet kan worden aangetoond dat de onderneming Le Tisseur is betaald, zodat het er voorshands voor moet worden gehouden dat [anoniem], door zichzelf toegang te verschaffen tot die onderneming, toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen voortvloeiend uit de koopovereenkomst. Nu deze koopovereenkomst door [eiseres] buitengerechtelijk is ontbonden, is daardoor ook de grondslag van de akte van indeplaatsstelling komen te vervallen. Hierdoor onstaat er ingevolge artikel 6:271 BW voor [anoniem] een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door haar ontvangen prestatie. Dit betekent dat het primair gevorderde zal worden toegewezen. De termijn van ontruiming zal daarbij worden gesteld op twee dagen.

4.9. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [anoniem] in de kosten van dit kort geding worden verwezen. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- vast recht € 251,00

- kosten dagvaarding € 84,31

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.151,31

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. veroordeelt [anoniem] om binnen twee (2) dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte [straatnaam] te Arnhem - met achterlating van de zich daarin bevindende inventaris en al hetgeen verder tot de onderneming Le Tisseur behoort - met al de zijnen en al het zijne te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte aan [eiseres] van de sleutels;

5.2. machtigt [eiseres] om bij gebreke van het voorgaande zichzelf met behulp van justitie en politie in het bezit te stellen van de gehuurde bedrijfsruimte en inventaris en al hetgeen tot de onderneming Le Tisseur behoort;

5.3. veroordeelt [anoniem] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.151,31;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.D. Jacobs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. van Gameren op 1 augustus 2007.