Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB2559

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
29-08-2007
Zaaknummer
AWB 06/5582
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wav, persoonlijke dienst, geen tewerkstellingsvergunning, boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

Registratienummer: AWB 06/5582

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[X], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door A.P.C Vlielander,

en

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 26 september 2006.

2. Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft verweerder aan eiser een bestuurlijke boete van

€ 4000 opgelegd op grond van de wet arbeid vreemdelingen (Wav), wegens het zonder tewerkstellingsvergunning laten verrichten van arbeid door een vreemdeling.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit (verder: het bestreden besluit) heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 januari 2007. Eiser is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. S. Eekhout.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de vreemdeling met Palestijnse nationaliteit [naam] in opdracht van eiser werkzaamheden heeft verricht, terwijl deze vreemdeling niet over de hiervoor verplichte tewerkstellingsvergunning beschikte. Verweerder heeft dit geconstateerd op basis van een boeterapport van de Arbeidsinspectie kantoor Arnhem van 23 november 2005 en een aanvullend boeterapport van dit kantoor van 3 april 2006.

Eiser heeft daarmee gehandeld in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wav, aldus verweerder, hetgeen op grond van artikel 18, eerste lid, van de Wav een beboetbaar feit oplevert. Met toepassing van de tarieflijst die als bijlage is gevoegd bij de Beleidsregels boeteoplegging Wav heeft verweerder de hoogte van de boete vastgesteld op € 4.000.

Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Op zijn stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, nader ingaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 1, eerste lid aanhef en onder b en sub 2, van de Wav is bepaald dat in deze wet en de daarop rustende bepalingen onder werkgever wordt verstaan de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten.

In artikel 2, eerste lid, van de Wav is bepaald dat het een werkgever is verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

In artikel 18 van de Wav is bepaald dat als beboetbaar feit wordt aangemerkt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15.

Uit het reeds genoemde op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 23 november 2005 blijkt dat inspecteurs van de Arbeidsinspectie hebben geconstateerd dat [naam] (verder: de vreemdeling) op 5 oktober 2005 in een autowerkplaats/ sloperij het motorblok van de auto van eiser loskoppelde. De overall en de handen van de vreemdeling waren daarbij besmeurd met olie. Uit de tegenover de inspecteurs door eiser en de vreemdeling afgelegde verklaringen blijkt dat de vreemdeling en eiser beiden hebben verklaard dat de vreemdeling deze werkzaamheden verrichtte op verzoek van eiser. Deze feiten en omstandigheden geven naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond voor de conclusie dat eiser de vreemdeling een persoonlijke dienst liet verrichten en eiser daarmee als werkgever in de zin van de Wav moet worden beschouwd.

Hoewel de rechtbank het verslag van de hoorzitting in bezwaar voor zijn beoordeling niet van doorslaggevend belang acht -met name is niet beslissend of de gemachtigde heeft verklaard dat als de heer [naam] eiser niet had geholpen, hij zich geen ander motorblok had kunen veroorloven-, vermag de rechtbank ook niet inzien dat verweerder het verslag niet bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft kunnen betrekken, zoals door eiser betoogd. Objectieve aanknopingspunten voor de conclusie dat het verslag een onjuiste weergave is van het verhandelde op deze zitting, ontbreken.

De rechtbank kan eiser voorts niet volgen in zijn stelling dat de vreemdeling slechts éénmalig, ongevraagd en spontaan een vriendendienst verrichtte die niet kan worden aangemerkt als een persoonlijke dienst als vorenbedoeld. Daartoe overweegt de rechtbank dat er geen aanleiding is om eiser niet te houden aan hetgeen hij tegenover de inspecteurs heeft verklaard en waaruit een ander feitenverloop blijkt. Verder is een beloning geen vereiste voor het aannemen van persoonlijke dienstverlening, zodat vriendendiensten ook als persoonlijke dienstverlening kunnen worden aangemerkt. Evenmin is een vereiste dat de diensten bij herhaling worden verricht.

Nu eiser niet betwist dat de vreemdeling voor het verrichten van arbeid een tewerkstellingsvergunning benodigt, kan in het midden blijven of verweerder dit heeft kunnen vaststellen aan de hand van het aanvullend boeterapport van 3 april 2006. Daarmee staat vast dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2, eerste lid, van de Wav en ingevolge artikel 18 van de Wav sprake is van een beboetbaar feit.

Dit wordt niet anders omdat, zo stelt eiser, niet zou zijn voldaan aan de ratio van de Wav. Eiser heeft in dit verband naar voren gebracht dat de bedoeling van de Wav is om (slechts) schijnconstructies tegen te gaan in de vorm van arbeidsverhoudingen die worden gepresenteerd als persoonlijke dienstverlening. De rechtbank wil hier echter wijzen op hetgeen in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wijziging van de Wav (TK 2003-2004, 29 523, nr. 6) op pagina 2 is benadrukt: ‘Het begrip werkgever is uitdrukkelijk niet gekoppeld aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst, dit om alle mogelijke (schijn) constructies waaronder vreemdelingen te werk gesteld werden, onder de Wav te laten vallen.’

Ook is, anders dan eiser stelt, niet uit te sluiten dat legaal arbeidsaanbod werd verdrongen door de persoonlijke dienstverlening van de vreemdeling, hetgeen voor de wetgever één van de redenen was om bij de wijziging van de Wav een hardere aanpak na te streven (MvT, TK 2003-2004, 29 233, nr. 3). De enkele stelling van eiser dat eiser zijn auto niet naar een garage zou brengen en dat hij zelf de reparatie ook had kunnen uitvoeren, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende.

Verweerder heeft de hoogte van de boete overeenkomstig de Beleidsregels boeteoplegging Wav (Besluit van 21 juni 2006, Stcrt 19 juni 2006) met juistheid vastgesteld op € 4.000. In navolging van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 augustus 2006, LJN: AY5514 overweegt de rechtbank in dit verband dat de beleidsregels niet kennelijk onredelijk zijn. Afwijking van de beleidsregels op grond van artikel 4:84 van de Awb is slechts geboden bij individuele omstandigheden met een zeer uitzonderlijk karakter (Centrale Raad van Beroep 5 september 2002, JB 2002, 338). De gevorderde leeftijd van eiser en de omstandigheid dat hij moet rondkomen van een uitkering kunnen daartoe niet worden gerekend.

De rechtbank komt daarmee tot de slotsom dat de stellingen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen en het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. G. Christiaanse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op .

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: