Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2007:BB2426

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-08-2007
Datum publicatie
28-08-2007
Zaaknummer
449464 CV Expl. 06.3663 en 452551 CV Expl. 06.4149
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling goederengemeenschap na echtscheiding. De man en de vrouw hebben daarover een schikking getroffen, maar de persoonlijke vennootschap van de man daarbuiten gelaten. De vrouw heeft als werkneemster voor die vennootschap gewerkt. Loonvordering tegen de vennootschap toegewezen, nu de arbeidsverhouding tussen de vrouw en de vennootschap niet in de schikking is betrokken. Wettelijke verhoging echter afgewezen, onder meer omdat de man en de vrouw - naar zij elkaar over en weer verwijten - de vennootschap verhinderen aan haar verplichtingen te voldoen. De vrouw is voor de helft eigenaar van het door de vennootschap gehuurde bedrijfspand. Vordering van huurpenningen tegen de vennootschap toegewezen, nu de huurovereenkomst tussen de vrouw en de vennootschap niet in de schikking is betrokken. Verrekeningsverweer van de man verworpen, omdat de loon- en de huurvordering niet tegen de man maar tegen de vennootschap gericht zijn, daargelaten dat de omvang van de tegenvordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Bevoegdheid kantonrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 449464 CV EXPL 06.3663 \ 282fh

452551 CV EXPL 06.4149 \ 282fh

uitspraak van

in de zaken van

[eisende partij]

wonende te Bemmel

eisende partij

gemachtigde mr. R.B. Ester

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1]

gevestigd te Bemmel

2. [gedaagde sub 2]

wonende te Bemmel

gedaagde partijen

gemachtigde mr. J.J.F.A. Ligthart

Partijen worden hierna ‘[eisende partij]’, ‘[gedaagde sub 1]’ en ‘[gedaagde sub 2]’ genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

in de zaak met nummer 449464 CV EXPL 06.3663 (het arbeidsgeschil):

- het exploot van dagvaarding van 14 juni 2006 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek;

en in de zaak met nummer 452551 CV EXPL 06.4149 (het huurgeschil):

- het exploot van dagvaarding van 14 juni 2006 met producties;

- de conclusie van antwoord met producties;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek met een productie;

- de reactie op producties van [eisende partij] met een productie;

- de akte uitlaten producties, houdende producties, met producties.

1. De feiten

in beide zaken:

1.1. [eisende partij] en [gedaagde sub 2] zijn ex-echtgenoten. Er zijn huwelijkse voorwaarden van kracht. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 11 juli 2006 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Lingewaard op 21 augustus 2006.

1.2. [eisende partij] en [gedaagde sub 2] houden ieder de helft van de aandelen in [gedaagde sub 1] en zijn beiden bestuurder daarvan. Op 1 juni 2006 stond in het handelsregister ingeschreven dat zij ieder zelfstandig bevoegd zijn voor en namens [gedaagde sub 1] te handelen.

1.3. [eisende partij] en [gedaagde sub 2] zijn sinds 1 december 1997 gezamenlijk eigenaar (ieder voor de onverdeelde helft) van een winkel/woonhuis met ondergrond, erf en tuin aan de [adres] te Huissen. Op deze onroerende zaak, verder te noemen het pand [adres], is ten behoeve van de Rabobank door beiden een hypotheekrecht gevestigd tot een bedrag van f 675.000,- (€ 306.301,64).

1.4. [gedaagde sub 1] huurt van hen een deel van het pand [adres] voor het door haar geëxploiteerde kinderdagverblijf ‘[X]’ (verder: [X]) voor € 2.600,-.

1.5. Op 23 januari 2006 is op een bankrekening op naam van [eisende partij] een bedrag van € 1.300,- bijgeschreven met als omschrijving: “[X] huur jan”.

1.6. [eisende partij] heeft in dienst van [gedaagde sub 1] onder andere de administratie verzorgd. Daarnaast is zij leidster van [X]. Voor haar werkzaamheden ontving zij een loon van € 2.300,- bruto per maand exclusief vakantietoeslag en verdere emolumenten. Tot maart 2005 heeft zij de werkzaamheden verricht. Het loon is haar betaald tot januari 2006.

1.7. Vanaf 1 april 2005 heeft [gedaagde sub 2] met goedvinden van [eisende partij] feitelijk het bestuur over [gedaagde sub 1] alleen gevoerd.

1.8. Krachtens een beschikking voorlopige voorzieningen van deze rechtbank van 3 november 2005, voor zover hier van belang in hoger beroep bekrachtigd door het Gerechtshof te Arnhem bij beschikking van 11 juli 2006, betaalt [gedaagde sub 2] een bijdrage in het levensonderhoud van [eisende partij] van € 2.750,- per maand en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 400,- per kind per maand.

1.9. Ter zitting van deze rechtbank van 12 april 2006 hebben [eisende partij] en [gedaagde sub 2] in het kader van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden een minnelijke regeling getroffen (hierna aan te duiden als: de schikking). In het proces-verbaal is daarover het volgende opgenomen, voor zover hier van belang:

1. De administratie van de rekeningen courant van de [gedaagde sub 1] bv wordt door de accountants van de man en de vrouw ([gedaagde sub 2] respectievelijk [eisende partij]; kantonrechter) onderzocht. Voor zover de accountants het over bepaalde punten onderling niet eens kunnen worden zullen zij gezamenlijk een derde accountant aanwijzen die dan over die punten een bindend advies zal uitbrengen.

(…)

8. De kwestie van de huishoudelijke kosten en van de schuld van mevrouw aan het aannemingsbedrijf van de man inzake de verbouwing wordt geparkeerd. Partijen zullen hun accountants vragen te onderzoeken welke bedragen er vanaf april 2003 van de gezamenlijke rekeningen zijn overgeboekt naar andere rekeningen van partijen. Partijen zullen hun accountants ook vragen te onderzoeken in hoeverre er een schuld van de vrouw bestaat ter zake de verbouwing. Ook in deze situatie zal zo nodig een derde accountant een bindend advies uitbrengen.

(…)

10. Alle overige procedures die tussen partijen lopen zullen worden beëindigd, met uitzondering van het hoger beroep en de ondertoezichtstelling.

(…)

Deze procedure wordt beëindigd. Na voldoening aan het voorgaande verlenen partijen elkaar finale kwijting.

1.10. Op vordering van [gedaagde sub 2] heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis in kort geding van 29 augustus 2006 [eisende partij] op straffe van een dwangsom veroordeeld om haar accountant schriftelijk opdracht te geven om contact op te nemen met de accountant van [gedaagde sub 2] teneinde tot afwikkeling van de schikking te geraken, en bepaald dat zij haar accountant opdracht geeft om de werkzaamheden die uit die schikking voor haar voortvloeien te verrichten.

2. Het geschil

2.1. in de zaak met nummer 449464 CV EXPL 06.3663 (het arbeidsgeschil):

2.1.1. [eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zal veroordelen om aan haar te betalen:

- het loon ad € 2.300,- bruto per maand over het tijdvak van 1 januari 2006 tot 31 mei 2006;

- het loon ad € 2.300,- bruto per maand verschuldigd voor iedere maand vanaf 31 mei 2006;

- de vakantietoeslag over de periode tot 31 mei 2006 ten belope van 8% over het brutoloon, alsmede de vakantietoeslag over de toekomstige periode;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over alle gevorderde loonbedragen;

- de wettelijke rente over de som van de genoemde bedragen, voor wat de bedragen betreft die opeisbaar zijn op het tijdstip van dagvaarden vanaf 1 januari 2006 en voor wat de bedragen betreft die nadien opeisbaar zijn geworden vanaf de dag der dagvaarding, tot aan die der algehele voldoening;

- de buitengerechtelijke kosten ad € 400,-;

en [gedaagde sub 2] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.1.2. De vordering van [eisende partij] is - tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten - gegrond op de stelling, kort gezegd, dat, hoewel de arbeidsverhouding niet is beëindigd, [gedaagde sub 2] de loonbetaling heeft stopgezet en haar geen werkzaamheden meer wil laten verrichten ondanks haar bereidheid daartoe. Voorts heeft [gedaagde sub 2] naar [eisende partij] stelt in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 1] haar sinds januari 2006 het haar toekomende deel van de door [gedaagde sub 1] aan hem en haar gezamenlijk verschuldigde huur € 2.600,- per maand voor het pand [adres] niet meer uitgekeerd. [gedaagde sub 2] is daarom in persoon naast [gedaagde sub 1] aansprakelijk omdat hij, door de betalingen achterwege te laten, ernstig nalatig is geweest en zijn taak niet naar behoren heeft vervuld, aldus [eisende partij].

2.1.3. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voeren gemotiveerd verweer.

2.2. in de zaak met nummer 452551 CV EXPL 06.4149 (het huurgeschil):

2.2.1. [eisende partij] vordert dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] zullen worden veroordeeld om aan haar te betalen:

- de haar toekomende huursom ad € 1.300,- per maand over het tijdvak vanaf 1 februari 2006 tot 31 juli 2006 tot 31 juli 2006;

- de huur van € 1.300,- per maand, verschuldigd voor iedere maand vanaf 31 juli 2006;

- de wettelijke rente over de som van de voornoemde bedragen, voor wat de bedragen betreft die opeisbaar zijn op het tijdstip van dagvaarden vanaf 1 januari 2006 en voor wat de bedragen betreft die nadien opeisbaar zijn geworden vanaf de dag der dagvaarding, tot aan die der algehele voldoening;

- de buitengerechtelijke kosten ad € 400,-;

en [gedaagde sub 2] zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2.2. De vordering van [eisende partij] is - tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven feiten - gegrond op de stelling, kort gezegd, dat [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 1] haar sinds februari 2006 het haar toekomende deel van de door [gedaagde sub 1] aan hem en [eisende partij] gezamenlijk verschuldigde huur ad € 2.600,- per maand voor het pand [adres] niet meer heeft uitgekeerd. [gedaagde sub 2] is daarom in persoon naast [gedaagde sub 1] aansprakelijk omdat hij, door de betalingen achterwege te laten, ernstig nalatig is geweest en zijn taak niet naar behoren heeft vervuld.

2.2.3. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] voeren gemotiveerd verweer.

3. De beoordeling

3.1. in beide zaken:

3.1.1. Uit het over en weer gestelde vloeit voort dat het geschil voornamelijk zijn grond vindt in de echtscheiding van [eisende partij] en [gedaagde sub 2]. De vordering tegen [gedaagde sub 1] is daar een afgeleide van. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat beide zaken tezamen betrekking hebben op een (arbeids)geschil tussen [gedaagde sub 1] en een van haar bestuurders, een huurgeschil tussen [gedaagde sub 1] en een van haar verhuurders en een geschil tussen de beide ex-echtgenoten persoonlijk. De gronden van de vordering in het huurgeschil impliceren mogelijk een beroep op een vorderingsrecht van [gedaagde sub 1] tegen [gedaagde sub 2]; [eisende partij] heeft echter zulk een vordering niet namens [gedaagde sub 1] ingesteld. Tenslotte is wellicht sprake van een geschil tussen de beide bestuurders van de vennootschap qualitate qua.

3.1.2. In het proces-verbaal van de zitting van 12 april 2006 is een schikking opgenomen die [eisende partij] en [gedaagde sub 2] bij die gelegenheid zijn aangegaan. Deze schikking voorziet in onderzoek door hun accountants naar de vermogensrechtelijke verhoudingen tussen hen en in een geschillenregeling. Het proces-verbaal bevat echter hoegenaamd geen aanwijzingen dat partijen hun vorderingen op en schulden aan [gedaagde sub 1] tot onderdeel van de schikking hebben willen maken. Het accountantsonderzoek in het kader van de uitvoering van de schikking kan evenwel informatie opleveren die van belang kan zijn voor de beoordeling van de vorderingen van [eisende partij] tegen [gedaagde sub 1]. Aannemelijk is immers dat de bedragen die door opname in contanten door [eisende partij] uit het vermogen van [gedaagde sub 1] zijn gevloeid en aan haar zijn toegevallen, voorwerp van onderzoek door de accountants zullen zijn. In dat verband is het denkbaar dat de schikking op het punt van de rekening-courantverhouding met [gedaagde sub 1] (paragraaf 1 van de schikking, zie het hiervoor onder 1.9 aangehaalde proces-verbaal) mede gevolgen heeft voor rechten en verplichtingen van [gedaagde sub 1]. Het kan daarom van belang zijn om, alvorens verder te beslissen, kennis te kunnen nemen van de bevindingen van de accountants van beiden, juist op het punt van hun rekening-courantverhouding met [gedaagde sub 1].

3.1.3. Het voorgaande doet evenzeer de vraag rijzen of en zo ja, in hoeverre de kantonrechter bevoegd is de zaken te behandelen en te beslissen. Uit een oogpunt van proceseconomie komt het de kantonrechter geraden voor om, alvorens hierop in te gaan, met partijen persoonlijk te spreken om te onderzoeken of bepaalde geschilpunten op voorhand kunnen worden geëlimineerd dan wel nader begrensd. Daartoe zal een comparitie van partijen worden gelast.

3.1.4. Voor zover de resultaten van het onderzoek door beider accountants en eventueel daaruit voortgevloeide bindende adviezen van de derde accountant als in die schikking bedoeld beschikbaar zijn, zullen [eisende partij] en [gedaagde sub 2] die in het geding moeten brengen. De kantonrechter wenst tevens te vernemen hoe de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [gedaagde sub 1] geregeld is voor de gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer van haar bestuurders. Voorts wenst de kantonrechter van [eisende partij] en [gedaagde sub 2] te vernemen in welk stadium de uitvoering van de schikking zich thans bevindt.

3.1.5. Indien de bedoelde accountantsrapporten niet beschikbaar zijn zal de comparitie worden benut om het verdere verloop van de zaken te bespreken. Verder zal worden onderzocht of een minnelijke regeling nog tot de mogelijkheden behoort.

3.1.6. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter:

in beide zaken:

- beveelt partijen, [eisende partij] en [gedaagde sub 2] in persoon en [gedaagde sub 1] deugdelijk vertegenwoordigd, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen voor mr. J.I.W.M. Bartelds, kantonrechter, op een in overleg met partijen nader vast te stellen dag en uur in het gebouw van deze rechtbank, Oranjesingel 56 te Nijmegen, teneinde inlichtingen te verschaffen en/of een schikking te beproeven als in de rechtsoverwegingen vermeld;

- bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden bij brief aan de griffie opgave zullen doen van de verhinderdata van betrokkenen voor een periode van twee maanden na heden, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald;

- bepaalt dat het aan de hand van de opgave(n) vastgestelde tijdstip, behoudens in de gevallen bedoeld in het Landelijk Rolreglement, niet zal worden gewijzigd;

- beveelt partijen de onder 3.1.4 bedoelde bescheiden uiterlijk veertien dagen vóór de zitting aan de rechter en aan de wederpartij toe te zenden;

- bepaalt dat andere bescheiden die op de zaak betrekking hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen eveneens uiterlijk veertien dagen vóór de zitting aan de rechter en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I.W.M. Bartelds en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid van de griffier.